Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- € 835,- advocatenkosten voor de bezwaar/beroepsprocedure tegen het opleggen van het asp;
- € 1.667,48 verletkosten;
- € 799,02 reiskosten;
- € 1.500,- immateriële schade.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2015 is veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 980,-. Dit bedrag is forfaitair vastgesteld aan de hand van het Bpb. Zoals ook blijkt uit artikel 8:75 van Pro de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd om een proceskostenvergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in een bestuursrechtelijke procedure uit te spreken. Volgens rechtspraak kunnen de proceskosten niet worden gevorderd in een verzoekschriftprocedure. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3518).
Verzoeker heeft vervolgens ook advocatenkosten gemaakt voor deze verzoekschriftprocedure. Hij heeft zich bij het opstellen van de brief aan verweerder door zijn gemachtigde laten bijstaan. Verzoeker heeft de gemaakte advocatenkosten met facturen onderbouwd. Hij is een bedrag van € 363,- schuldig aan de gemachtigde voor het opstellen van de brief aan verweerder met daarin een specificatie van de door hem geleden schade. Voor de juridische bijstand in de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank heeft verzoeker een factuur overgelegd van € 500,-.
Verzoeker heeft bij het opstellen van de brief aan verweerder een advocaat als deskundige op het gebied van schadevergoeding ingeschakeld. Het staat verzoeker vrij om in zo’n geval een advocaat als deskundige op het gebied van schadevergoeding in te schakelen. Dat anderen zich in het contact met verweerder niet laten bijstaan door een advocaat, maakt niet dat het onredelijk is dat verzoeker dit wel heeft gedaan. Verzoeker heeft in redelijkheid een advocaat kunnen inschakelen. Bovendien heeft deze advocaat ook succes gehad en heeft verzoeker een deel van de gestelde schade inmiddels vergoed heeft gekregen. De omvang van de kosten voor het opstellen van de brief aan verweerder is naar het oordeel van de rechtbank ook binnen de perken gebleven. De rechtbank ziet aanleiding voor een vergoeding van de gemaakt kosten ter hoogte van € 363,-. Over de gemaakte advocatenkosten van € 500,- voor de hier aan de orde zijnde verzoekschriftenprocedure, zal de rechtbank zich – zoals gebruikelijk in bestuursrechtelijke uitspraken - aan het slot van deze uitspraak uitlaten, omdat de vergoeding van deze kosten ook afhankelijk is van de uitkomst van deze procedure.
Naar aanleiding van de zitting heeft verzoeker nadere informatie overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn auto duurder in gebruik is en een vergoeding van € 0,19 per kilometer te laag is. Hij maakt aanspraak op € 0,46 per kilometer. Verweerder heeft bij brief van 7 april 2016 meegedeeld dat hij in de gegeven onderbouwing aanleiding ziet om de gevraagde reiskostenvergoeding van € 799,02 alsnog te vergoeden. Aan verzoeker zal het verschil tussen het al toegekende bedrag van € 242,82 en € 799,02 worden uitgekeerd door verweerder.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker van € 363,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2015 (vervaldatum factuur Zevenboom)
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992,-.