Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07.662454-11;
- een Nadere conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2015, met bijlagen;
- een mail van officier van justitie mr. E.E.G. Duijts van 10 december 2015, met bijlagen.
2.De beoordeling
vijfdelid) van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, geschat op een bedrag van € 197.447,05. Dit bedrag is gebaseerd op:
- een contante geldstroom van € 177.507,13, berekend op basis van een eenvoudige kasopstelling;
- een girale geldstroom van € 14.939,92 aan (gefingeerde) inkomsten uit een fictief dienstverband;
- een bedrag van € 5.000,-- aan contant geld ten aanzien waarvan [veroordeelde] aangifte van diefstal heeft gedaan.
medeplegen van) gewoontewitwassen van een (gefingeerd) inkomen en van voertuigen.
€ 240,-- -/-
€ 118.167,06 +
€ 240,-- -/-
€ 214.821,18 -/-
€ 177.507,13.
€ 14.939,92.
€ 5.000,--.
€ 5.000,-- +
€ 5.000,-- +
€ 197.447,05 (honderdzevenennegentigduizend vierhonderdzevenenveertig euro en vijf cent);
€ 154.903,99 (honderdvierenvijftigduizend negenhonderddrie euro en negenennegentig cent);