Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen
gezamenlijk te noemen: eisers
Procesverloop
Overwegingen
5. Anders dan verweerder heeft gesteld, ligt in de enkele omstandigheid dat de vestigingen van eisers B op (ruime) afstand van het aangewezen gebied gevestigd zijn, niet op voorhand besloten dat zij geen belanghebbenden kunnen zijn bij het Aanwijzingsbesluit. De rechtbank acht het aannemelijk dat het aanbod van vuurwerk bij de diverse aanbieders in Hilversum varieert, zodat de consument in Hilversum zich niet per sé tot één aanbieder zal wenden voor de aanschaf van vuurwerk, maar gebruik zal maken van de diverse aanbieders, verspreid over de stad. Daarnaast is aannemelijk dat de consument niet alleen vuurwerk zal aanschaffen bij een aanbieder op korte afstand van zijn woning, maar ook elders in de stad. Handhaving van het afsteekverbod zou er derhalve toe kunnen leiden dat er minder vuurwerk wordt gekocht. Van het Aanwijzingsbesluit kan dan ook voor de diverse aanbieders van vuurwerk in de gemeente Hilversum, zoals eisers B, een omzet beïnvloedende werking uitgaan. Dit betekent dat deze bedrijven, ondanks de afstand van hun vestigingen tot het aangewezen gebied, een rechtstreeks betrokken belang hebben bij het Aanwijzingsbesluit. Verweerder heeft eisers B dan ook ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt en de door hen gemaakte bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het door hen ingestelde beroep is om die reden gegrond. Het gedeelte van het bestreden besluit waarbij de bezwaren van eisers B niet-ontvankelijk zijn verklaard, komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
13. Met verweerder ziet de rechtbank in de onderhavige bevoegdheid om een plaats aan te wijzen waar het verboden is vuurwerk te bezigen, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, een bevoegdheid die past binnen de sfeer van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Het gaat in dit geval om een op de openbare orde gerichte bestuurs- en beheerstaak, nu hiermee, zoals door verweerder ter zitting is toegelicht, beoogd wordt met de toekomstige jaarwisselingen telkens de mogelijke algemene gevaren en overlast van vuurwerk in een bepaald gebied van de gemeente tegen te gaan. Blijkens het advies van de commissie bezwaarschriften van 15 december 2014 is het Aanwijzingsbesluit onderdeel van een sinds twee jaar gevoerd beleid van verweerder voor de viering van de jaarwisseling, waarbij is ingezet op een cultuurverandering en uitgangspunt is dat de jaarwisseling weer een feest moet worden voor elke Hilversummer en schade en overlast waar mogelijk moet worden voorkomen. Niet aan de orde is daarom dat zich een feitelijke, concrete en acute ordeverstoring voordoet waartegen onmiddellijk en daadkrachtig moet worden opgetreden, zoals bedoeld in artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet.
Voor zover eisers voor hun betoog hebben verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2005, is de rechtbank van oordeel dat deze verwijzing niet slaagt, omdat het in die zaak – anders dan in het onderhavige geval – ging om een verblijfsontzegging aan een bepaalde persoon. Bovendien ging het in die zaak om de
feitelijkehandhaving van de openbare orde, hetgeen in de onderhavige zaak niet aan de orde is. De rechtbank is aldus – en anders dan de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 19 december 2014 – van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders wel bevoegd is de in artikel 2.7.3, eerste lid, van de Apv genoemde plaats aan te wijzen. Verweerder was dus bevoegd het Aanwijzingsbesluit te nemen.
Verweerder legt aan het in bezwaar gehandhaafde Aanwijzingsbesluit ten grondslag dat het aangewezen gebied het centrum van Hilversum betreft en in het bijzonder een horecaconcentratiegebied waar tijdens de jaarwisseling veel publiektrekkende evenementen worden georganiseerd. Het Aanwijzingsbesluit is volgens verweerder bedoeld ter voorkoming van gevaar, schade en overlast voor het uitgaanspubliek aldaar. Het betreft volgens verweerder dan ook een passende maatregel, die onderdeel vormt van het veiligheidsbeleid voor de jaarwisseling. Verweerder benadrukt dat het in het aangewezen gebied wel is toegestaan fop- en schertsvuurwerk, zoals sterretjes, confettibommen en knalbonbons, af te steken. Volgens verweerder is geen sprake van een excessief groot aangewezen gebied, omdat het aangewezen gebied nog geen 2% van het totaal aantal straten van de gemeente betreft. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat niet is gebleken dat eisers als gevolg van het Aanwijzingsbesluit reeds te maken hebben met omzetverlies.
15. Eisers voeren aan dat verweerders beleid voor de jaarwisseling niet opportuun is. Met name vinden zij het onbegrijpelijk dat er tijdens de jaarwisseling publiektrekkende evenementen worden georganiseerd in het centrum van Hilversum, terwijl het juist dan volgens de rijksoverheid is toegestaan om vuurwerk af te steken. Het wekt volgens eisers de indruk dat verweerder bewust evenementen in het centrum organiseert om op die manier een rechtvaardiging te creëren voor het vuurwerkverbod. Verder voeren eisers aan dat het Aanwijzingsbesluit niet eenduidig is, omdat enerzijds hierin is opgenomen dat consumentenvuurwerk niet mag worden gebezigd en anderzijds het kennelijk wel is toegestaan fop- en schertsvuurwerk af te steken, terwijl zodanig vuurwerk volgens de landelijke regelgeving, zoals het Vuurwerkbesluit, moet worden aangemerkt als consumentenvuurwerk. Dit schept volgens eisers verwarring. Ook is volgens eisers niet duidelijk of het vuurwerkverbod ook geldt voor het afsteken van vuurwerk op plaatsen die niet openbaar zijn, zoals particuliere terreinen, binnenplaatsjes en dakterrassen. Daarnaast voeren eisers aan dat omzetverlies een vaststaand gegeven is. De bewoners van het betreffende gebied zullen volgens eisers door het verbod ervoor kiezen dan maar geen vuurwerk af te steken en dus ook niet te kopen. Volgens eisers geldt bovendien dat hoe groter het aangewezen gebied is, hoe groter de omzetschade ook zal zijn. Eisers voeren aan dat verweerder de omvang van het gebied hierbij ten onrechte marginaliseert, nu 2% van het totaal aantal straten van de gemeente betekent dat een groep van ongeveer 1750 inwoners, zijnde 2% van de bevolking van Hilversum, geen vuurwerk in het gebied mag afsteken. Dit is volgens eisers een excessieve inperking. Ten slotte voeren eisers aan dat nagelaten is het Aanwijzingsbesluit te melden aan de Europese Commissie, terwijl een lidstaat van de EU daartoe krachtens artikel 8, eerste lid, van de richtlijn 98/34/EG, in samenhang gelezen met het Vuurwerkbesluit, verplicht is. Volgens eisers volgt uit die bepaling dat regelgeving als het onderhavige geen taak is die lagere overheden zoals verweerder toekomt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers B gegrond, voor zover het gericht is tegen dat gedeelte van het bestreden besluit waarbij hun bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover hierbij de bezwaren van eisers B niet-ontvankelijk zijn verklaard;
- verklaart het beroep van eisers ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, waarbij de bezwaren van eisers B niet-ontvankelijk zijn verklaard.