ECLI:NL:RBMNE:2013:7508

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2013
Publicatiedatum
30 december 2013
Zaaknummer
2223916 UM 13-1677
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 4 WahvArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening administratieve sanctie verkeersoverschrijding

Betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) vanwege een snelheidsovertreding. Het beroep werd echter pas op 3 augustus 2012 ontvangen, terwijl de beroepstermijn op 18 juni 2012 was verstreken.

Betrokkene voerde aan dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, verwijzend naar jurisprudentie waarin onjuiste rechtsmiddelenverwijzing werd aangevoerd als reden. De rechtbank oordeelde dat de rechtsmiddelenverwijzing in de beschikking geen onduidelijkheid over de beroepstermijn had veroorzaakt en dat betrokkene niet onjuist was voorgelicht.

Verder stelde de rechtbank dat nieuwe jurisprudentie geen reden is om reeds onherroepelijke besluiten opnieuw aan de rechter voor te leggen. De aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep niet tijdig was ingediend en dat de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
locatie Utrecht
zaaknummer: 2223916 UM 13-13-1677
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]

beslissing d.d. 21 november 2013

inzake
[betrokkene] BV, gevestigd te [woonplaats] , [adres] ,
verder ook te noemen: betrokkene,
gemachtigde: mr. H.J.M. Bonenkamp.

Het verloop van de procedure

Bij brief van 3 augustus 2012, ontvangen op 3 augustus 2012, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, gegeven op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), bekend onder bovengenoemd CJIB-nummer.
Betrokkene is in de gelegenheid gesteld alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken in te zien.
Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is behandeld ter zitting van
7 november 2013. Gemachtigde van betrokkene is verschenen. Namens de officier van justitie is verschenen J.J. Lammers, werkzaam bij de CVOM.
Vervolgens heeft de kantonrechter deze beslissing gegeven.

De beoordeling van het beroep

Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in verbinding met de artikelen 4, tweede lid Wahv en 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht dient het beroep bij de officier van justitie tegen de oplegging van een administratieve sanctie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de inleidende beschikking aan de betrokkene is toegezonden.
Uit het zaakoverzicht van het Centraal Justitieel Incassobureau blijkt dat de inleidende beschikking op 7 mei 2012 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 18 juni 2012. Het beroepschrift van betrokkene is volgens de daarop geplaatste stempel op 3 augustus 2012 door de officier van justitie ontvangen. Het beroep is derhalve niet tijdig ingesteld.
Door betrokkene wordt niet betwist dat het beroep na afloop van de termijn is ingediend, hij
stelt zich echter op het standpunt dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. In de initiële beschikking is vermeld dat geen beroep openstaat tegen de administratiekosten. Betrokkene wijst daarbij op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 15 juni 2012 (LJN: BW8480) waarin het Hof de termijnoverschrijding verschoonbaar achtte vanwege dezelfde onjuiste rechtsmiddelenverwijzing. Ook wijst betrokkene op het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010 (BNB 2010/240).
De kantonrechter stelt vast dat door de rechtsmiddelenverwijzing in de beschikking geen onduidelijkheid is geschapen over de termijn waarbinnen een administratief beroep moet worden ingediend. In die rechtsmiddelenverwijzing is aangegeven dat het niet mogelijk is administratief beroep in te stellen tegen de administratiekosten. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden gesteld dat betrokkene bij het nemen van de initiële beschikking onjuist is voorgelicht over de termijn waarbinnen beroep kon worden ingesteld, maar over de vraag of een administratief beroep betrekking kon hebben op de administratiekosten.
De kantonrechter constateert dat er een beroep wordt gedaan op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 15 juni 2012 waarin het Hof heeft geoordeeld dat wel administratief beroep openstaat tegen de opgelegde administratiekosten. Naar het oordeel van de kantonrechter kan nieuwe jurisprudentie geen aanleiding vormen om besluiten die reeds rechtens onaantastbaar zijn geworden, opnieuw aan het bestuursorgaan en de rechter voor te leggen. Dit is onder meer tot uitdrukking gebracht in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (3 juli 2012, LJN BX1688), de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (14 mei 2012, LJN BW6197) en van de Hoge Raad (24 juni 2011, LJN BM9272). De kantonrechter merkt daarbij op dat in de door betrokkene aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 15 juni 2012 er meer omstandigheden van belang zijn geacht voor het aanwezig achten van een verschoonbare termijnoverschrijding dan de formulering van de rechtsmiddelenclausule.
Een na afloop van de termijn ingediend beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat betrokkene in verzuim is geweest. De door betrokkene aangevoerde feiten of omstandigheden acht de kantonrechter niet zodanig dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding betrokkene niet kan worden toegerekend. Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie is de kantonrechter eveneens van oordeel dat de officier van justitie het beroep
kennelijkniet ontvankelijk heeft kunnen achten. De officier van justitie heeft derhalve terecht het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep van betrokkene op de kantonrechter ongegrond dient te worden verklaard.

De beslissing

De kantonrechter:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. Ebbens, kantonrechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 november 2013.
de griffier, de kantonrechter,
N.M.E.N. Schreuder mr. J. Ebbens
Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de opgelegde sanctie meer dan € 70,-- bedraagt, of
b. het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht, locatie Utrecht, postbus 16005 te 3500 DA Utrecht en dient door degene die bij de afdeling Strafrecht beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
DEZE BESLISSING IS VERZONDEN OP