ECLI:NL:RBLIM:2026:6961

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1448
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang op grond van Wmo 2015

Verzoekster heeft een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas. Deze aanvraag is op 20 januari 2026 afgewezen omdat verzoekster volgens het college zelfredzaam is en in staat om zich te handhaven in de samenleving. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 juli 2026 en wees het af. Dit was het tweede verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster, waarbij sprake moest zijn van gewijzigde omstandigheden. Verzoekster stelde dat haar gezondheidssituatie en die van haar twee minderjarige kinderen was verslechterd door langdurige dakloosheid, maar deze stelling werd niet nader onderbouwd. Ook was onduidelijk of verzoekster zich had gemeld bij het college in Lelystad, waar zij momenteel verblijft, en of daar een procedure liep.

De voorzieningenrechter volgde het primaire besluit van het college dat verzoekster niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoort. Gezien de onduidelijkheden en het feit dat een hoorzitting in de bezwaarprocedure gepland staat, zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster werd erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1448

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

9 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, het college
(gemachtigde: E.M.J. Peerbooms).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 januari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat het gaat om een tweede verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, na een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026. [1] Er moet dan sprake zijn van gewijzigde omstandigheden. Daar kijkt de voorzieningenrechter extra kritisch naar. Verzoekster stelt dat de gezondheidssituatie van haar en haar twee minderjarige kinderen is verslechterd vanwege langdurige dakloosheid. Deze stelling is niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter kan het primaire besluit van het college, dat verzoekster ten tijde van het besluit niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoort omdat ze zelfredzaam is en in staat is om zich te handhaven in de samenleving, volgen. De stelling van verzoekster dat ze wel tot de doelgroep behoort door verslechtering van omstandigheden is niet nader onderbouwd. Daarnaast is het onduidelijk of verzoekster zich ook heeft gemeld bij het college in Lelystad, waar ze momenteel verblijft, en of daar een procedure loopt. De voorzieningenrechter overweegt dat er te veel onduidelijk is om daarover een goede afweging te kunnen maken. Natuurlijk is het onwenselijk voor verzoekster en haar kinderen dat ze geen eigen verblijfplaats hebben, maar dat dit onwenselijk is, betekent niet dat er Wmo-opvang moet worden toegekend. [2]
4. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat het college in de bezwaarprocedure onderzoekt of verzoekster nu tot de doelgroep voor maatschappelijke opvang behoort. Van belang is wel dat verzoekster naar de hoorzitting komt, zodat daarna snel een afspraak kan worden gemaakt met Moveo om dat te onderzoeken. Ook is het van belang dat er duidelijkheid komt over een mogelijke lopende procedure van verzoekster in Lelystad.
Hoewel verzoekster zich tot elk college mag wenden voor opvang, is het onnodig dat er dubbel werk wordt gedaan doordat er in twee gemeenten een procedure loopt. De voorzieningenrechter overweegt dat de hoorzitting binnen afzienbare tijd staat gepland in augustus. Gelet op deze stand van zaken, waarin nog veel onduidelijkheid is, ziet de voorzieningenrechter niet in welke voorlopige voorziening kan worden getroffen die verzoekster op een goede manier kan helpen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026 door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 15 juli 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraak van Rechtbank Limburg van 26 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:806.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.