ECLI:NL:RBLIM:2026:806

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
ROE 26/106
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Deze uitspraak betreft het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, die opvang vraagt op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet in een situatie verkeert waarin zij niet in staat is om zelf in onderdak te voorzien. De voorzieningenrechter heeft de aanvraag van verzoekster beoordeeld en geconcludeerd dat er geen reden is om het verzoek toe te wijzen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij en haar minderjarige kinderen per 31 januari 2026 niet meer bij haar tante kunnen verblijven, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoort. De voorzieningenrechter wijst erop dat de Wmo 2015 niet bedoeld is om dakloosheid op te lossen voor personen die in staat zijn om zelf voor hun huisvesting te zorgen. De voorzieningenrechter heeft ook overwogen dat er geen medische problematiek is die verzoekster belemmert in haar zelfredzaamheid. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, wat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en er geen aanleiding is voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/106

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Horst, verzoekster,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.M.J. Peerbooms).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft zich op 31 december 2025 via de e-mail bij verweerder gemeld met de mededeling dat zij en haar minderjarige kinderen op korte termijn niet meer bij haar tante kunnen verblijven vanwege een verhuizing van haar tante.
2.1.
Verzoekster heeft verweerder per e-mail van 14 januari 2026 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissing op haar aanvraag van 31 december 2025.
2.2.
Daarnaast heeft verzoekster op 14 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend strekkende tot tijdelijke (nood)opvang voor haar twee jonge kinderen en haarzelf vanwege dreigende dakloosheid.
2.3.
De rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek om voorlopige voorziening (geregistreerd onder zaaknummer ROE 26/106) en een beroep niet tijdig beslissen op verzoeksters aanvraag om opvang op grond van de Wmo 2015 (geregistreerd onder zaaknummer ROE 26/128).
2.4.
Bij besluit van 20 januari 2026 heeft verweerder op de aanvraag van 31 december 2025 beslist en besloten verzoekster geen voorziening voor maatschappelijke opvang toe te kennen.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder, vergezeld van M. Thijssen, Wmo-consulent bij de gemeente Horst aan de Maas. Verzoekster is – met voorafgaand bericht van afwezigheid – niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de vereisten uit dit artikel is voldaan. De voorzieningenrechter merkt het verzoek om voorlopige voorziening van 14 januari 2026 aan als een prematuur bezwaar tegen het alsnog genomen besluit van 20 januari 2026. Er is dus voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook is er sprake van onverwijlde spoed, nu verzoekster en haar kinderen per 31 januari 2026 niet meer bij de tante van verzoekster in Horst aan de Maas kunnen verblijven, omdat die per die datum naar een levensloopbestendige kleine woning in Utrecht gaat verhuizen.
4. In artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, van de Wmo 2015 staat de definitie van het begrip opvang. Onder opvang wordt verstaan: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
4.1.
In artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 is bepaald dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
4.2.
Gelet op de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 moet beoordeeld worden of verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige kinderen te voorzien. Verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.
4.3.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat bij verzoekster niet is gebleken van een situatie waarin zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Hoewel de voorzieningenrechter de problemen van verzoekster zeker niet onderschat, kan de voorzieningenrechter verweerder hier naar haar voorlopig oordeel in volgen. Verweerder heeft dit kunnen opmaken uit het feit dat verzoekster vanuit het Verenigd Koninkrijk op eigen kracht met haar twee kinderen naar Nederland heeft kunnen komen. Dat verzoekster vanaf begin 2025 (of iets eerder) zelf zorg heeft gedragen voor onderdak voor haar en haar twee kinderen. Dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en er zelf voor heeft gezorgd dat de juiste norm is toegekend. Uit de brieven/e-mails die zij naar de gemeente stuurt, kan worden opgemaakt dat zij goed voor zichzelf en haar kinderen kan opkomen en ook goed haar weg weet te vinden in de regelgeving van Nederland. Verder is niet gebleken van medische problematiek, waardoor zij zich niet kan handhaven in de samenleving. Verzoekster heeft in gesprekken met Moveo en verweerder ook meermaals aangegeven geen (andere) hulpvraag te hebben (dan de vraag naar een woning). Net als vele anderen heeft verzoekster een huisvestingsprobleem door het grote tekort aan (betaalbare) woonruimte in Nederland. De Wmo 2015 is echter niet bedoeld om te komen tot een oplossing van het probleem van dakloosheid van personen die voldoende zelfredzaam zijn en dus niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoren.
4.4.
Verder bestaat in dit geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekster als bedoeld in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de casus van verzoekster meerdere malen geanonimiseerd in het expertise overleg is besproken. Ook met de gedragswetenschapper van de gemeente. De kinderen van verzoekster worden goed verzorgd en krijgen goed te eten. Verweerder gaat ervan uit dat verzoekster met haar kinderen niet op straat komt te staan, omdat er nog voldoende opties over zijn. Verzoekster heeft vrienden en familie in Nederland waar ze tijdelijk kan verblijven. Er loopt nog een urgentie-aanvraag bij Entree in Arnhem-Nijmegen. Als die wordt toegewezen, duurt het ongeveer vier maanden voordat verzoekster een woning krijgt. Die periode kan verzoekster overbruggen bij familie en vrienden. Ook is het volgens verweerder voor verzoekster mogelijk om tijdelijk op een camping in de gemeente Horst aan de Maas te verblijven en vanuit daar verder te zoeken naar definitieve woonruimte.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 januari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.