AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstandsuitkering vreemdeling zonder gelijkstelling Nederlander
Verzoeker, een vreemdeling met verschillende verblijfsvergunningen en lopende aanvragen, verzocht om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijstand op grond van de Participatiewet.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen aanvraag voor voortgezette toelating heeft ingediend, maar nieuwe aanvragen met een ander verblijfsdoel. Hierdoor kan hij niet worden gelijkgesteld met een Nederlander en heeft hij geen recht op bijstand. Het feit dat nog niet is beslist op de nieuwe aanvragen leidt niet tot gelijkstelling.
Verzoekers beroep op bijzondere omstandigheden wordt verworpen omdat artikel 16, tweede lid, van de Participatiewet dit niet toestaat voor vreemdelingen die niet aan de voorwaarden van artikel 11, tweede en derde lid, voldoen.
De voorlopige voorziening wordt afgewezen, waarmee het college terecht de bijstandsaanvraag heeft afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en geen recht op bijstand heeft.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1070
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Maastricht, verzoeker
(gemachtigde: mr. M. Gadiot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht
(gemachtigde: E. Theunissen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 20 maart 2026 een aanvraag ingediend voor bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 30 maart 2026 afgewezen.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 26 mei 2026 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter zal in deze zaak niet kortsluiten omdat de beroepsprocedure administratief nog niet is afgerond. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in de bodemprocedure.
4. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. Door de afwijzing van de bijstandsuitkering ontvangt verzoeker van het college geen geld om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Niet gebleken is dat verzoeker over ander inkomen beschikt. Het voorgaande levert voldoende spoedeisend belang op om deze afwijzing inhoudelijk te beoordelen.
Waar gaat deze zaak over?
5. Verzoeker heeft in het jaar 2023 tot 2025 een verblijfsvergunning gehad op basis van postdoctoraal onderzoeker bij de Universiteit Maastricht. Vervolgens heeft verzoeker tot 1 maart 2026 een tijdelijke verblijfsvergunning gekregen van 1 jaar om werk te vinden.
5.1.
Op 26 november 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend bij de IND voor een Tijdelijke Humanitaire verblijfsvergunning, zodat deze in behandeling genomen kon worden voordat zijn verblijfsvergunning per 1 maart 2026 zou verlopen. De IND heeft het afwijzingsbesluit genomen op 5 maart 2026, waartegen verzoeker op 16 maart 2026 in bezwaar is gegaan. Op 17 april 2026 heeft de IND het bezwaar ongegrond verklaard. Na deze beslissing werd door de IND geadviseerd aan verzoeker om een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen op grond van andere humanitaire redenen. Verzoeker heeft dat op 20 april 2026 gedaan en in mei nog een aanvraag ingediend om andere humanitaire redenen.
5.2.
Op de lopende aanvragen zal eind juli 2026 worden beslist door de IND. Verzoeker heeft een sticker in zijn paspoort waaruit blijkt dat hij tot uiterlijk 20 juli 2026 het besluit op deze aanvragen in Nederland mag afwachten. Als deze aanvragen worden afgewezen, zal verzoeker een reguliere asielaanvraag indienen. In april 2026 en mei 2026 heeft verzoeker geen huur meer kunnen betalen.
5.3.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag voor een bijstandsuitkering afgewezen, op de grond dat verzoeker geen Nederlandse nationaliteit heeft en op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet langer officieel is toegelaten in Nederland. Verzoeker kan volgens de wet niet gelijk worden gesteld met een Nederlander en heeft daarom geen recht op bijstand.
5.4.
Bij het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er in de situatie van verzoeker geen sprake is van voortgezette toelating oftewel verlenging van een bestaande verblijfsvergunning. Er is in het geval van verzoeker sprake van een nieuwe aanvraag met een ander verblijfsdoel. Op grond van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft verzoeker weliswaar rechtmatig verblijf. Maar als deze grond van toepassing is, wordt verzoeker in de zin van de PW niet gelijkgesteld met een Nederlander. Verzoeker voldoet namelijk niet aan de daarvoor bij en krachtens de in artikel 11, tweede en derde lid, van de PW gestelde voorwaarden.
5.5.
Verzoeker voert aan dat hij in afwachting is van een beslissing op zijn aanvraag en dat hij tijdens deze wachtfase wel recht moeten hebben op bijstand. Verzoeker meent dat, gezien het feit dat nog niet onherroepelijk is beslist op de nieuwe verblijfsaanvragen, artikel 1, eerste lid, onder a en artikel 1, tweede lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen (het Besluit) van toepassing is. Verzoeker heeft voor de beëindiging van zijn verblijf namelijk een aanvraag ingediend voor voortgezette toelating en op grond daarvan kan hij gelijkgesteld worden met een Nederlander. Ter zitting heeft verzoeker nog naar voren gebracht dat hij er vanuit gaat dat in bijzondere omstandigheden wel recht bestaat op bijstand.
Wat is het oordeel?
6. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de PW en artikel 1 vanPro het Besluit, zodat hij geen recht op bijstand heeft. Anders dan verzoeker heeft gesteld, heeft hij geen aanvraag ingediend voor voortgezette toelating, maar gaat het om nieuwe aanvragen met een ander verblijfsdoel. Alleen als verzoeker een verlengingsaanvraag had ingediend, was hij – als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan – in de zin van de PW gelijkgesteld met een Nederlander. De bepalingen waarop verzoeker een beroep heeft gedaan, zijn op hem niet van toepassing.
Aangezien verzoeker in afwachting is van een beslissing op nieuwe aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, is artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op verzoeker van toepassing. Die bepaling wordt niet genoemd in de wettelijke voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander.
7. Het betoog van verzoeker dat hij voor de beëindiging van zijn verblijf een aanvraag heeft ingediend voor voortgezette toelating en daarom gelijkgesteld moet worden met een Nederlander slaagt niet. Er bestaat hiervoor geen wettelijke grondslag. De aanvraag voor een verblijfsvergunning van 25 november 2025 had een ander verblijfsdoel (tijdelijke humanitaire redenen) dan de verblijfsvergunning die verzoeker in maart 2026 was toegekend (zoekperiode voor de duur van 1 jaar om werk te zoeken). Daarnaast is de aanvraag van 25 november 2026 op 5 maart afgewezen en is het bezwaar tegen dat besluit op 17 april 2026 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft verzoeker geen beroep ingesteld. De nieuwe aanvragen (van april 2026 en mei 2026) zijn ingediend na de beëindiging van het verblijf als werkzoekende op 1 maart 2026. Het feit dat nog niet is beslist op de nieuwe aanvragen kan niet leiden tot gelijkstelling met een Nederlander.
8. De hierboven gegeven uitleg sluit aan bij eerdere rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Daarin is weergegeven dat goed denkbaar is dat een vreemdeling in staat wordt gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd verblijf zijn verbonden. Voor zover die vreemdeling niet door het verrichten van arbeid in zijn levensonderhoud kan voorzien, kan de frictie tussen rechtmatig verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven worden opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen. [1] Volgens vaste rechtspraak is in die situatie gelet op het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de PW de bijstandverlenende instantie niet het daartoe aangewezen bestuursorgaan. [2]
9. Anders dan verzoeker meent, kunnen bijzondere omstandigheden er niet toe leiden dat aan verzoeker toch bijstand moet worden verleend. Artikel 16, tweede lid, van de PW bepaalt namelijk dat artikel 16, eerste lid, van de PW, dat bijstandverlening in afwijking van paragraaf 2.2 mogelijk maakt indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken, niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan de vreemdelingen, genoemd in artikel 11, tweede en derde lid, van de PW. [3] Zoals hiervoor overwogen, is artikel 11, tweede en derde lid, van de PW niet op verzoeker van toepassing.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het voorlopig oordeel is dat het college de aanvraag voor een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
De griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 juni 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.