ECLI:NL:RBLIM:2026:4546

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
ROE 25/425
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A. Hollman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:38 APV HeerlenArt. 5:32b AwbArt. 5:34 AwbWegenverkeerswet 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor bezit inbrekerswerktuigen op openbare weg

Eiser werd op 16 september 2024 door de politie staande gehouden en betrapt met gereedschap dat volgens de politie geschikt is voor inbraakhandelingen. De burgemeester legde op 16 oktober 2024 een last onder dwangsom op om te voorkomen dat eiser opnieuw inbrekerswerktuigen bij zich zou hebben op de openbare weg in Heerlen.

Eiser voerde aan dat het gereedschap bedoeld was voor het repareren van een scooter en betwistte dat sprake was van een overtreding. Ook stelde hij dat de burgemeester geen rekening had gehouden met zijn financiële draagkracht bij het bepalen van de dwangsom en dat de duur van de last onbegrensd was.

De rechtbank oordeelde dat de bestuurlijke rapportage betrouwbaar was en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het gereedschap niet voor inbraakdoeleinden was bestemd. De financiële situatie van eiser speelt volgens vaste rechtspraak geen rol bij de hoogte van de dwangsom. De duur van de last is niet wettelijk begrensd, maar eiser kan na een jaar ontheffing aanvragen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de last onder dwangsom en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom wegens bezit van inbrekerswerktuigen op de openbare weg.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de vennootschap onder firma
[naam VOF], in de hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van
[eiser]
(gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman),
en

de Burgemeester van de gemeente Heerlen

(gemachtigde: mr. M.A.M.A. Huppertz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die de burgemeester aan eiser heeft opgelegd wegens het in bezit hebben van inbrekerswerktuigen op de openbare weg. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser betwist dat sprake is van een overtreding omdat het gereedschap dat hij bij zich had niet was bedoeld om mee in te breken. Ook vindt hij dat de burgemeester bij de hoogte van de dwangsom geen rekening heeft gehouden met zijn financiële draagkracht. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 16 oktober 2024 heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij in de gemeente Heerlen opnieuw inbrekerswerktuigen vervoert of bij zich heeft op de openbare weg. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 (verzonden op 6 februari 2025) op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het besluit om een last op te leggen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.M.J. Cordewener namens de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Besluitvorming
3. Op 16 september 2024 werd eiser om 21.05 uur door de politie staande gehouden voor een controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1995. Van deze controle heeft de politie op 16 september 2024 een bestuurlijke rapportage opgemaakt, op basis van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en politiemutaties. Uit deze rapportage blijkt dat de politie tijdens deze controle heeft geconstateerd dat eiser geen geldig rijbewijs had, de scooter niet op zijn naam stond en een tas met gereedschap [1] bij zich had. Dit gereedschap kan volgens de politie worden gebruikt voor het onrechtmatig openen of verbreken van sluitingen en voor het vergemakkelijken van een diefstal door middel van braak. Daarnaast blijkt uit de rapportage dat eiser een strafblad heeft met 86 registraties vanaf 7 november 2019 waarvan 50 vermogensdelicten en dat eiser eerder ook een last onder dwangsom opgelegd heeft gekregen voor het vervoeren van inbrekerswerktuigen in de gemeente Kerkrade. Het is volgens de politie aannemelijk dat eiser in strijd met artikel 2:38, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Heerlen 2021 (APV) inbrekerswerktuigen heeft vervoerd.
3.1.
Naar aanleiding van de bevindingen van de politie heeft de burgemeester een voornemen om een last onder dwangsom op te leggen aan eiser toegezonden. Eiser heeft geen zienswijze ingediend en op 16 oktober 2024 heeft de burgemeester een last onder dwangsom aan eiser opgelegd. De burgemeester heeft eiser gelast om geen inbrekerswerktuigen te vervoeren op de openbare weg in de gemeente Heerlen. Als eiser niet voldoet aan deze last verbeurt hij een dwangsom van € 2.500, - per overtreding met een maximumbedrag van € 10.000, -.
Wat is het relevante artikel?
4. Artikel 2:38, eerste en derde lid, van de APV luidt:
1. Het is verboden op de weg een werktuig, gereedschap of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
3. De verboden gelden niet als aanstonds aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen.
Is sprake van een overtreding?
5. Eiser stelt primair dat hij niet in strijd met artikel 2:38 van Pro de APV heeft gehandeld. Hij voert daartoe aan dat de gereedschappen die hij bij zich droeg niet bedoeld waren om in te breken maar bedoeld waren om de scooter van zijn vriendin te repareren. De pakking van de uitlaat van die scooter zat scheef, waardoor de uitlaatpijp was verschoven en dat veroorzaakte een zwaar geluid. In dat kader stelt eiser dat een van de bij de controle
betrokken politieambtenaren ook tegen hem heeft gezegd dat zijn handen eruitzagen alsof hij aan de scooter had gewerkt. Tijdens de hoorzitting is toegezegd dat hierover nog navraag zou worden gedaan bij de betreffende ambtenaar. Daarnaast stelt eiser dat de burgemeester bij zijn besluitvorming niet het strafblad van eiser heeft mogen betrekken omdat er geen recente registraties van vermogensdelicten zijn. Ook is de last, die de burgemeester van Kerkrade volgens de bestuurlijke rapportage voor eenzelfde overtreding heeft opgelegd, niet overgelegd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak [2] de burgemeester in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de bestuurlijke rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
5.2.
Eiser heeft de inhoud van de bestuurlijke rapportage niet betwist, maar slechts aangevoerd dat een van de politieambtenaren tijdens de controle zou hebben gezegd dat zijn handen eruitzagen alsof hij had gesleuteld en dat de in de rapportage genoemde eerder opgelegde last niet is overgelegd. De rechtbank ziet, ook zonder overlegging van de in de bestuurlijke rapportage genoemde last, geen aanleiding om te twijfelen aan het bestaan daarvan, mede omdat eiser niet heeft gesteld dat hem eerder geen last is opgelegd. Verder is de rechtbank van oordeel dat zelfs wanneer een van de politieambtenaren een opmerking zou hebben gemaakt over de handen van eiser, hetgeen overigens niet blijkt uit de bestuurlijke rapportage, daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat het door eiser geschetste scenario geloofwaardig werd geacht. Integendeel, uit de bestuurlijke rapportage volgt dat het volgens de politie aannemelijk is dat eiser in strijd heeft gehandeld met artikel 2:38, eerste lid, van de APV omdat hij inbrekersgereedschap bij zich had en geven ze de burgemeester in overweging om bestuurlijke maatregelen te nemen. Overigens, ook als eiser geklust zou hebben aan de scooter van zijn vriendin, heeft eiser daarmee nog geen verklaring gegeven waarom hij zich op dat moment met een rugzak vol gereedschap op de openbare weg bevond. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de delicten in de bestuurlijke rapportage te oud zouden zijn om de besluitvorming op te baseren. Dit volgt de rechtbank niet. Uit de bestuursrechtelijke rapportage blijkt dat het om een aanzienlijke hoeveelheid vermogensdelicten gaat en ter zitting is duidelijk geworden dat het laatste geregistreerde vermogensdelict dateert uit 2022. Gezien het voorgaande en de antecedenten was de burgemeester bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.
Mag de burgemeester de last onder dwangsom voor onbepaalde tijd opleggen?
6. Eiser stelt dat de duur van de opgelegde last onder dwangsom beperkt had kunnen of moeten worden.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de duur van de dwangsom voldoende is onderbouwd. Een last onder dwangsom heeft geen wettelijk vastgelegde geldigheidsduur. De burgemeester hoeft dus geen einddatum op te nemen in de
last. [3] De rechtbank merkt in dit verband nog op, zoals door de burgemeester terecht is aangevoerd, dat als een last één jaar van kracht is geweest zonder dat de last is overtreden, de overtreder (eiser dus) om ontheffing van de last mag verzoeken. [4]
Is de opgelegde dwangsom te hoog?
7. Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn financiële situatie, waardoor de dwangsom te hoog is.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. In artikel 5:32b, derde lid, van de Awb, is bepaald dat de dwangsom in redelijke verhouding moet staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Van de dwangsom moet zo’n prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. [5] De rechter volgt het betoog van de burgemeester dat de dwangsom is afgestemd op de aard en ernst van de overtreding en zodanig is vastgesteld dat er voldoende prikkel vanuit gaat om herhaling te voorkomen. Bovendien is het volgens vaste rechtspraak gebruikelijk om een dwangsom van € 2.500,- per overtreding op te leggen voor het vervoeren van inbrekerswerktuigen. [6] Verder is het een vast uitgangspunt dat de financiële omstandigheden van een overtreder in beginsel geen rol spelen bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. [7] Niet is gebleken waarom in dit geval een uitzondering op dit beginsel op zijn plaats zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dwangsom redelijk is en hiervan voldoende prikkel uitgaat om uitvoer te geven aan de last zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Als eiser artikel 2:38 APV Pro niet opnieuw overtreedt, verbeurt hij geen dwangsom; de zwaarte van de last is in die zin beperkt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester terecht heeft geconcludeerd dat artikel 2:38 van Pro de APV is overtreden en op basis daarvan een last onder dwangsom opgelegd heeft aan eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hollman, rechter, in aanwezigheid van V.A.F.T. Voorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 8 mei 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Knipex tang, schroevendraaier, Beargrip multitool, 5 dopsleutels, 5 steeksleutels, 3 inbussleutels, een zaklamp.
2.ABRvS 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1123 en ABRvS 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:329.
3.ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:400.
4.Zie artikel 5:34, tweede lid, van de Awb.
5.ABRvS 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:638.
6.ABRvs van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1978 en 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:655.
7.ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:209.