Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
[naam VOF], in de hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van
[eiser]
Rechtbank Limburg
Eiser werd op 16 september 2024 door de politie staande gehouden en betrapt met gereedschap dat volgens de politie geschikt is voor inbraakhandelingen. De burgemeester legde op 16 oktober 2024 een last onder dwangsom op om te voorkomen dat eiser opnieuw inbrekerswerktuigen bij zich zou hebben op de openbare weg in Heerlen.
Eiser voerde aan dat het gereedschap bedoeld was voor het repareren van een scooter en betwistte dat sprake was van een overtreding. Ook stelde hij dat de burgemeester geen rekening had gehouden met zijn financiële draagkracht bij het bepalen van de dwangsom en dat de duur van de last onbegrensd was.
De rechtbank oordeelde dat de bestuurlijke rapportage betrouwbaar was en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het gereedschap niet voor inbraakdoeleinden was bestemd. De financiële situatie van eiser speelt volgens vaste rechtspraak geen rol bij de hoogte van de dwangsom. De duur van de last is niet wettelijk begrensd, maar eiser kan na een jaar ontheffing aanvragen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de last onder dwangsom en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom wegens bezit van inbrekerswerktuigen op de openbare weg.