Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3253

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
ROE 3/1712
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5:46 AwbArt. 8:72a AwbArt. 28a ArbeidsomstandighedenwetArt. 33 Arbeidsomstandighedenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boetes voor asbestovertredingen bevestigd met matiging wegens termijnoverschrijding

Eiseres kreeg vijf boetes opgelegd voor overtredingen van asbestregelgeving tijdens werkzaamheden in september 2021. Zij betwistte de hoogte van de boetes en voerde aan dat deze gematigd moesten worden vanwege het feit dat alle overtredingen voortvloeiden uit één fout, namelijk het niet opvragen van een asbestinventarisatie, en dat zij achteraf maatregelen had getroffen om herhaling te voorkomen.

De rechtbank oordeelt dat de minister de boetes terecht niet verder heeft gematigd. De samenhang tussen de overtredingen maakt de boetes niet onevenredig en eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan de voorwaarden voor matiging wegens achteraf getroffen maatregelen voldoet, zoals een volledige risico-inventarisatie en adequaat toezicht.

Wel is de redelijke termijn voor de uitspraak overschreden, waardoor de rechtbank het totaalbedrag van de boetes met 15% matigt. De waarschuwing preventieve stillegging wordt niet als onevenredig beoordeeld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boetes betreft en stelt de totale boete vast op € 23.760,-. Het griffierecht wordt aan eiseres vergoed.

Uitkomst: De rechtbank matigt de totale boete met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de boetes en waarschuwing verder.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/1712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] (Limburg), [eiseres] ,

(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. J.P. Stokkers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over vijf boetes die de minister heeft opgelegd en een waarschuwing die hij heeft gegeven aan [eiseres] in verband met verschillende overtredingen bij het werken met asbest. [eiseres] is het niet eens met de hoogte van de boetes en de waarschuwing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de boetes en de waarschuwing stand kunnen houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank matigt de boetes namelijk vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De minister heeft de boetes echter terecht niet (verder) gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 13 december 2022 heeft de minister [eiseres] vijf boetes opgelegd voor vijf overtredingen en met een apart besluit een waarschuwing preventieve stillegging gegeven. Met het bestreden besluit van 13 juni 2023 op de bezwaren van [eiseres] heeft de minister de opgelegde boetes gematigd vanwege het overschrijden van de beslistermijn. Voor het overige is de minister bij beide besluiten gebleven.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. [eiseres] heeft van 20 tot en met 27 september 2021 werkzaamheden uitgevoerd op een bouwlocatie in Gennep. De werkzaamheden bestonden uit het verzorgen van de volledige technische installatie in vier appartementen. Eén van de zeven werknemers op locatie kreeg het vermoeden dat hij hierbij was blootgesteld aan asbest en maakte daarvan op 27 september 2021 melding bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). [eiseres] heeft de werkzaamheden ter plaatse vervolgens stilgelegd tot een gecertificeerd bedrijf de asbest had verwijderd.
4. De NLA heeft op grond van de melding een inspectie uitgevoerd en een vijftal overtredingen vastgesteld:
1. er is geen asbestinventarisatie gedaan voordat met de werkzaamheden begonnen is; [1]
2. [eiseres] heeft geen melding gedaan van de werkzaamheden met asbest; [2]
3. medewerkers van [eiseres] hebben met asbest gewerkt zonder dat [eiseres] daarvoor gecertificeerd is; [3]
4. de werkzaamheden zijn niet uitgevoerd door iemand die gecertificeerd was voor het verwijderen van asbest; [4]
5. er was geen voortdurend toezicht op de asbestwerkzaamheden door een daartoe gecertificeerd persoon. [5]
4.1.
De minister heeft [eiseres] voor elke overtreding een boete opgelegd, met een totaal van € 29.700,-. Daarnaast heeft de minister een waarschuwing preventieve stillegging gegeven. De minister heeft verder informatie over de overtredingen openbaar gemaakt.
5. In het bestreden besluit heeft de minister de totale boete met 5% gematigd vanwege het overschrijden van de beslistermijn [6] en vastgesteld op € 28.215,-.
6. [eiseres] ontkent niet dat zij de regels heeft overtreden. De boetes moeten echter gematigd worden omdat [eiseres] alles heeft gedaan wat van haar verwacht kon worden na de overtredingen om de gevolgen te beperken. Zij heeft het werk stilgelegd en er is meteen een bespreking geweest met de medewerkers. Ook heeft [eiseres] meteen een asbestinventarisatie opgevraagd en vraagt zij daar nu altijd van tevoren om. Vervolgens heeft zij nu een instructie gemaakt voor haar werknemers over asbestherkenning. Daarnaast is het onevenredig om voor alle overtredingen de volledige boete te geven. De overtredingen 2 tot en met 5 zijn namelijk het directe gevolg van de eerste overtreding; te weten het niet opvragen of zelf laten opstellen van een asbestinventarisatie. De totale boete zou daarom sterk gematigd moeten worden met 35 tot 50%. De waarschuwing preventieve stillegging kan grote gevolgen hebben voor [eiseres] en is om dezelfde redenen onevenredig.
7. De bij de beoordeling van het beroep van belang zijnde wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Moet de boete gematigd worden op grond van achteraf getroffen maatregelen?
8. Op grond van artikel 1, twaalfde lid, van de Beleidsregel kan de minister een boete met 12.5% matigen als er zo snel mogelijk na de overtreding adequate maatregelen zijn getroffen gericht op het voorkomen van soortgelijke overtredingen. De werkgever moet daarvoor laten zien dat dat er een risico-inventarisatie is gedaan en op basis daarvan een veilige werkwijze is ontwikkeld. Daarnaast moet zij laten zien dat de randvoorwaarden zijn gecreëerd om de veilige werkwijze ook toe te passen en dat er adequate instructies worden gegeven over de veilige werkwijze. Ook moet zij laten zien dat er toezicht is op de naleving van de werkwijze. [7]
9. [eiseres] stelt dat zij normaal geen werkzaamheden met asbest uitvoert. Sinds de overtreding vraagt [eiseres] altijd om een asbestinventarisatie en zij start pas met de werkzaamheden wanneer blijkt dat er geen sprake (meer) is van asbest. Verder heeft [eiseres] een aangepaste instructie over asbestherkenning en een folder opgesteld met een veilige werkwijze met betrekking tot asbest. Deze folder heeft [eiseres] in de kantine van het bedrijf neergelegd.
10. De minister stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hiermee aan de voorwaarden voor een matiging wegens achteraf getroffen maatregelen is voldaan. Zo ontbreekt een volledige inventarisatie en evaluatie van de risico’s van een blootstelling aan asbest. [eiseres] had volledig in kaart moeten brengen bij welke specifieke werkzaamheden welke risico’s kunnen ontstaan. [eiseres] heeft een goed begin gemaakt met de folder, maar had grootschaliger moeten evalueren in hoeverre haar werknemers extra training en instructie nodig hebben bij asbestherkenning. Ook is niet gebleken hoe het toezicht op het hanteren van de veilige werkwijze door [eiseres] is aangescherpt of verbeterd. Deze inspanningen hadden van [eiseres] mogen worden verwacht om overtredingen in de toekomst te voorkomen. Dat [eiseres] normaal niet met asbest werkt maakt dat niet anders, nu de inspanningen juist ook zijn gericht op de situatie waarin werknemers onverwacht met asbest in aanraking komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de boete gematigd worden op grond van maatregelen die zijn getroffen om ernstige gevolgen te voorkomen?
11. De Afdeling heeft onder meer in een uitspraak van 6 december 2017 overwogen dat een boete gematigd kan worden als een overtreder adequate en op beperking van ernstige gevolgen gerichte maatregelen treft na een overtreding. [8]
12. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij meteen gehandeld heeft om ernstige gevolgen te voorkomen. Zij heeft het werk stilgelegd, een bespreking met de werknemers georganiseerd en alsnog een asbestinventarisatie opgevraagd. De boete zou daarom gematigd moeten worden.
13. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij adequate en op beperking van ernstige gevolgen gerichte maatregelen heeft getroffen na de overtreding. Het stilleggen van het werk en het alsnog uitvoeren van een inventarisatie voordat verder gewerkt wordt zijn voornamelijk gericht op het stoppen van de overtredingen. Het nabespreken van het incident kan bijdragen aan het voorkomen van ernstige gevolgen maar vindt de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat [eiseres] adequate maatregelen heeft getroffen. Verdere maatregelen – zoals het grondig reinigen van de persoonlijke beschermingsmiddelen – heeft [eiseres] niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moeten de boetes gematigd worden vanwege hun onderlinge samenhang?
14. De minister moet bij de aanwending van zijn bevoegdheid om een boete op te leggen de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Dat staat in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De verplichting om deze afweging te maken bestaat ook als er beleid geldt over de hoogte van de boetes. De boete moet, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig worden vastgesteld dat deze evenredig is.
14.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een opeenstapeling van boetes niet zonder meer onevenredig is, enkel omdat overtredingen van vergelijkbare strekking worden beboet of omdat overtredingen worden beboet die betrekking hebben op dezelfde gedragingen of nalatigheden. Dit neemt niet weg dat de mate van samenhang van overtredingen in het kader van de evenredigheid een relevante factor kan zijn om de boete te matigen.
14.2.
De rechtbank toetst de evenredigheid zonder terughoudendheid.
15. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de boetes gematigd moeten worden vanwege hun onderlinge samenhang. [eiseres] werkt normaal gesproken niet met asbest en zou daarom het werk niet begonnen zijn als zij wist dat er asbest aanwezig was in de appartementen. Als [eiseres] wel eerst een asbestinventarisatie had opgevraagd dan zouden geen van de overtredingen hebben plaatsgevonden. Alle overtredingen zijn dus het gevolg van één fout.
16. De rechtbank ziet in de samenhang tussen de verschillende overtredingen geen reden de boetes te matigen op grond van het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de boetes vastgesteld op basis van de Beleidsregel. In de Beleidsregel wordt al met een aantal factoren rekening gehouden, zoals de ernst van de overtreding en hoeveel werknemers de overtreder heeft. De samenhang tussen de overtredingen wordt niet meegewogen in de Beleidsregel maar maakt in deze zaak niet dat de boetes onevenredig hoog zijn. Van belang is dat de Afdeling al eerder heeft overwogen dat de regels die in deze zaak zijn overtreden niet hetzelfde belang proberen te beschermen en niet zien op dezelfde gedraging of nalatigheid. [9] De regels die in deze zaak zijn overtreden zien op preventie (artikel 4.45 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit)), toezicht op naleving van de asbestregels (artikel 4.47c van het Arbobesluit), bescherming van werknemers (artikel 4:54a van het Arbobesluit) en de deskundigheidseisen van het bedrijf, de toezichthouder en de persoon die daadwerkelijk de asbest verwijdert (artikel 4:54d van het Arbobesluit). Zoals de minister terecht overweegt, is er pas sprake van een voldoende veilige situatie als een bedrijf zich aan alle asbest gerelateerde regels uit het Arbobesluit houdt. [10] Verder gaat het om ernstige overtredingen waarbij [eiseres] een verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] heeft namelijk geen asbestinventarisatie opgevraagd en haar medewerkers zijn zonder asbest-gerelateerde instructie of bescherming aan het werk gezet en zijn daarbij blootgesteld aan asbest. De omstandigheid dat [eiseres] normaal gesproken niet met asbest werkt doet daar niet aan af. Dit maakt de overtredingen niet minder ernstig. Dit verandert namelijk niet de mate van gevaar en risico dat ontstaat door de overtredingen onder meer voor [eiseres] werknemers. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de waarschuwing preventieve stillegging onevenredig?
17. De minister kan een waarschuwing preventieve stillegging zoals bedoeld in artikel 28a van de Arbeidsomstandighedenwet geven wanneer er sprake is van een ernstige overtreding. In artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten staan de omstandigheden waarmee rekening wordt gehouden bij de overweging om een waarschuwing preventieve stillegging achterwege te laten. De minister moet de omstandigheden en het type en de omvang van de overtreding meewegen. Verder moet de minister rekening houden met de gevolgen voor derden en een matiging van de opgelegde boetes.
18. De rechtbank is van oordeel dat het geven van de waarschuwing preventieve stillegging in dit geval niet onevenredig is. Overtredingen van artikel 4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, van het Arbobesluit, die [eiseres] heeft begaan, zijn ernstige overtredingen. [11] Het gevaar voor de gezondheid van werknemers en de omgeving door verkeerd werken met asbest is groot. Daarnaast doen de gestelde ernstige gevolgen van een stillegging zich nog niet voor omdat het om een waarschuwing gaat. Of de bedrijfsvoering van [eiseres] wordt stilgelegd heeft [eiseres] zelf in de hand en kan zij voorkomen door de overtredingen niet te herhalen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn
19. Bij boetes toets de rechtbank ambtshalve of er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). [12]
20. Bij zaken waarin een straf opgelegd wordt, geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn begint op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan de betrokkene de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zou opleggen. Dat is in de regel het moment dat het voornemen tot het opleggen van een boete wordt uitgebracht. Bij een overschrijding tot een jaar past de rechtbank in beginsel een matiging toe van 5% per half jaar of deel daarvan. [13] Bij een overschrijding van meer dan een jaar wordt de matiging naar bevind van zaken vastgesteld. [14]
21. Sinds de kennisgeving van de boetes op 1 september 2022 tot de datum van deze uitspraak, zijn afgerond 43 maanden verstreken. Dat is 19 maanden langer dan de termijn van twee jaar waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen. [15] De rechtbank vindt het in dit geval redelijk om ook bij een overschrijding van langer dan een jaar een matiging van 5% per half jaar of deel daarvan dat de termijn is overschreden toe te passen. De rechtbank vindt een matiging van 20% daarom redelijk. [16] De minister heeft echter al een matiging van 5% toegepast vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Dit betekent dat de rechtbank het oorspronkelijk totale boetebedrag van € 29.700,- met een verdere 15% zal matigen. Het totaalbedrag wordt daarmee € 23.760,-. [17]

Conclusie en gevolgen

22. Uit het voorgaande volgt dat de minister terecht de bestuurlijke boetes heeft opgelegd en deze terecht niet verder heeft gematigd. De rechtbank matigt de boete wel verder omdat op het moment dat zij uitspraak doet de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.
23. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en herroept in zoverre ook het primaire besluit. Op grond van artikel 8:72a van de Awb voorziet de rechtbank zelf in de zaak door de boete vast te stellen op € 23.760,-.
24. Omdat [eiseres] zelf geen beroep heeft gedaan op overschrijding van de redelijke termijn en de rechtbank dit ambtshalve heeft overwogen, en het beroep voor het overige niet slaagt, krijgt [eiseres] geen vergoeding van haar proceskosten. [eiseres] krijgt wel het betaalde griffierecht terug. Omdat het beroep gegrond is moet de minister [eiseres] het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
  • herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
  • stelt de totale boete vast op € 23.760,-.
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de minister [eiseres] het griffierecht van € 365,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026 .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46
De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:72
Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
De bestuursrechter kan bepalen dat:
a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven,
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
[…]
Arbeidsomstandighedenwet
Artikel 28a. Bevel stillegging van werk in verband met recidive
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld of op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar is gesteld, aan de werkgever of de zelfstandige een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. De artikelen 24, tweede lid, en 27, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing
[…]
Artikel 34. Hoogte bestuurlijke boete en recidive
Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is niet reeds aangewezen als toezichthouder.
De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 6, eerste lid, of voor het niet naleven van een voorschrift of verbod bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6, eerste lid, voor zover aangemerkt als overtreding, kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Onverminderd het derde en vierde lid verhoogt de op grond van het eerste lid aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het tiende lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het vijfde lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen.
7. Onverminderd het derde en vierde lid verhoogt de op grond van het eerste lid aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het tiende lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boeten wegens de eerdere overtredingen onherroepelijk zijn geworden.
8. Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt met een onherroepelijke bestuurlijke boete gelijkgesteld een onherroepelijke strafrechtelijke sanctie wegens een overtreding als bedoeld in artikel 6, derde lid.
9. In afwijking van het vijfde en zevende lid is het tijdvak van vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes, bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen.
10. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
11. In afwijking van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
Arbeidsomstandighedenbesluit
Artikel 4.47c Melding
1. Uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden wordt door de werkgever melding gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Deze melding bevat tenminste een beknopte beschrijving van:
de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;
de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten;
de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de concentraties asbestvezels in de lucht in een risicoklasse;
het aantal betrokken werknemers;
de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, alsmede de duur ervan;
de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken.
[…]

Artikel 4.54a Asbestinventarisatie

1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig geïnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende werkzaamheden:
het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast;
het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a; of
het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen.
[…]
Artikel 4.54d. Deskundigheid bij het werken met asbest
1. De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling:
de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid;
het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is uitgevoerd.
[…]
5. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
[…]
7. Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het vijfde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
Artikel 9.10a. Stillegging van werk in verband met recidive
Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die of een soortgelijke overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd die eveneens ernstig is, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
Als een ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt aangemerkt:
a. een overtreding waarbij de werkgever of de zelfstandige willens en wetens handelingen verricht of nalaat in strijd met de wet of de daarop berustende bepalingen waardoor een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden dat de dood tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad;
b. een handelen of nalaten in strijd met de volgende artikelen:
1°.van hoofdstuk 4: de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid, 4.105, 4.108 en 4.109;
2°.van hoofdstuk 6: de artikelen 6:27, 6.29 en 6.29a.
[…]
Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen
Artikel 1
Deze beleidsregel is van toepassing op de volgende overtredingen:
de artikelen 4.45, eerste lid en tweede lid, 4.46, 4.47a, eerste en derde lid, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde lid, 4.51a, eerste tot en met het vierde lid, 4.54, 4.54a, eerste lid en 4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Artikel 3
1. De Inspectie SZW maakt in geval van overtreding van de in artikel 1 genoemde Pro artikelen de volgende inspectiegegevens actief openbaar:
de naam en vestigingsplaats van de rechtspersoon dan wel van de natuurlijke persoon;
de geconstateerde overtreding;
de datum waarop de overtreding is geconstateerd;
e locatie waar het asbest aanwezig is of is geweest;
welk bestuurlijk besluit is genomen, dan wel welke bestuurlijke besluiten zijn genomen vanwege de overtreding op grond van de artikelen 28a, 33 of 34 van de Arbeidsomstandighedenwet;
of tegen de onder e bedoelde bestuurlijke besluiten een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe nog de mogelijkheid bestaat.
[…]
Beleidsboeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving
Artikel 1. Boeteoplegging
1. In deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen overtredingen, te weten:
a. een zware overtreding (ZO), oftewel een overtreding die in de bijlage als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt gegeven;
b. een overtreding met directe boete (ODB), oftewel een overtreding die in de bijlage als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt gegeven; en
c. een overige overtreding (OO), oftewel een overtreding die in de bijlage als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving wordt gegeven, of een eis tot naleving wordt gesteld, en pas nadat dezelfde of een soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot boeteoplegging.
2. Hiernaast geldt in deze beleidsregel als overtreding met directe boete de overtreding die de directe aanleiding is geweest voor een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.
3a. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet worden zeven categorieën normbedragen onderscheiden, te weten:
1°. het 1e normbedrag € 340;
2°. het 2e normbedrag € 750;
3°. het 3e normbedrag € 1500;
4°. het 4e normbedrag € 3000;
5°. het 5e normbedrag € 4500;
6°. het 6e normbedrag € 9000;
7°. het 7e normbedrag € 13500;
[…]
5. De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meer dan één overtreding, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.
[…]
7. In de bijlage bij deze beleidsregel is per artikel, artikellid of onderdeel daarvan, dat is aangemerkt als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, aangegeven welk categorie normbedrag zal worden opgelegd en om welk type overtreding het gaat.
Tevens is in de bijlage aangegeven voor welke overtredingen een boete aan een werknemer kan worden opgelegd.
8. De in het derde lid genoemde normbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende:
a. bedrijven of instellingen met minder dan 5 werknemers betalen 10 procent;
b. bedrijven of instellingen met 5 tot en met 9 werknemers betalen 20 procent;
c. bedrijven of instellingen met 10 tot en met 39 werknemers betalen 30 procent;
d. bedrijven of instellingen met 40 tot en met 99 werknemers betalen 50 procent;
e. bedrijven of instellingen met 100 tot en met 249 werknemers betalen 60 procent;
f. bedrijven of instellingen met 250 tot en met 499 werknemers betalen 80 procent.
Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening.
[…]
10. Bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde boetenormbedrag:
[…]
e. in het geval van een zware overtreding (ZO), wordt het boetenormbedrag vermenigvuldigd met twee;
[…]
11. Indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, kan dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:
a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;
b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;
c. als er adequate instructies zijn gegeven;
d. als er adequaat toezicht is gehouden.
12. Indien de werkgever aantoont dat hij na de overtreding adequate maatregelen heeft genomen, kan dit leiden tot een boetematiging van 12,5%. Maatregelen zijn adequaat als zij:
a. zijn gericht op het voorkomen van dezelfde of soortgelijke overtredingen; en
b. zo snel mogelijk na de overtreding zijn genomen.
[…]
17. In aanvulling op of in afwijking van de leden drie tot en met vijf en zeven tot en met twaalf, kan het bedrag van de boete worden verhoogd of verlaagd totdat deze evenredig is en daarmee passend en geboden.
Beleidsregel preventie stillegging arbeidswetten
Artikel 4. Het achterwege laten van een waarschuwing of van een bevel tot preventieve stillegging
Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden wordt onder meer rekening gehouden met het type overtreding en de omvang van de overtreding.
Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de gevolgen van de overtreding wordt onder meer rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen en met de economische gevolgen voor derden.
Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten kan rekening worden gehouden met het feit dat de toezichthouder de opgelegde boete heeft gematigd.
[…]
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
Artikel 6. Recht op een eerlijk proces
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
[…]

Voetnoten

1.Artikel 4.54a, eerste lid, van het Arbobesluit.
2.Artikel 4.47c, eerste lid, van Arbobesluit.
3.Artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbobesluit.
4.Artikel 4.54d, zevende lid, van het Arbobesluit.
5.Artikel 4.54d, vijfde lid, van het Arbobesluit.
6.Artikel 5:51 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Zie artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel.
8.De Afdeling 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3362, r.o. 5.2; zie ook de Afdeling 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187, r.o. 6.3.
9.De Afdeling 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606, r.o. 6.2; 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:967, r.o. 3.2; 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187, r.o. 5.2.
10.De Afdeling 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606, r.o. 6.2.
11.Dat staat in artikel 9.10a, derde lid, aanhef en onder b, van het Arbobesluit.
12.De Afdeling 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761, r.o. 14.
13.De Afdeling 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2242, r.o. 5.2.
14.De Afdeling 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5771, r.o. 8.1.
15.De Afdeling 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606, r.o. 8.1.
16.Zo ook de Afdeling 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761, r.o. 16.2.
17.Vergelijk College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:664, r.o. 7.4.