ECLI:NL:RVS:2024:2242
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Matiging bestuurlijke boete wegens onttrekking woning aan woningvoorraad door vakantieverhuur
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een boete op van €20.500,- wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de woningvoorraad door deze voor vakantieverhuur aan toeristen aan te bieden. De woning was sinds februari 2019 in eigendom van appellant en werd in juli 2019 bezocht door toezichthouders die toeristen aantroffen die via woningruil verbleven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in. Hij voerde aan dat de woning eerst gerenoveerd moest worden en dat de vakantieverhuur slechts tijdelijk was totdat zijn dochter de woning kon betrekken. Tevens stelde hij dat hij geen financieel voordeel had behaald en dat het een eerste overtreding betrof, wat matiging rechtvaardigt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de boete gematigd moet worden vanwege de aard en ernst van de overtreding en de bijzondere omstandigheden, waaronder het ontbreken van financieel gewin en het tijdelijke karakter van de verhuur. Daarnaast werd de boete verder verlaagd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim negen maanden.
De boete werd uiteindelijk vastgesteld op €9.225,-. Het besluit van het college werd vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft, en de uitspraak van de rechtbank werd eveneens vernietigd. Het college moet het teveel betaalde bedrag terugbetalen met wettelijke rente. Vergoeding van proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: De boete wegens onttrekking van de woning aan de woningvoorraad wordt gematigd tot €9.225,- vanwege bijzondere omstandigheden en overschrijding van de redelijke termijn.