23.2.Het ‘adres in eigen land’ zegt bovendien niets over de vraag hoe lang deze personen in Nederland werken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit ook niet worden afgeleid uit de verklaringen van de ondervraagde personen. Dat zij tijdelijk in het pand verbleven, variërend van enkele dagen tot enkele maanden, in verband met de verrichting van verbouwwerkzaamheden zegt niets over de periode dat zij (elders) in Nederland verblijven en werken.
24. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een overtreding van de APV. Dat betekent ook dat onvoldoende aannemelijk is dat de burgemeester bevoegd was om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond van eisers slaagt derhalve en daarmee zijn de beroepen tegen de bestreden APV-besluiten gegrond. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eisers gericht tegen de APV-besluiten.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
25. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluiten van 16 augustus 2023 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
26. In artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
27. In artikel 28.1 van de regels van het bestemmingsplan staat:
“
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘Kernen’ zijn de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden bestemd voor:
a. bijzondere doeleinden.
(…)
c. zover het betreft het voormalige [naam klooster] voor woonzorgeenheden en woondoeleinden en bijbehorende voorzieningen zoals ontmoetingsruimten, fitness, gezondheidscentrum, logieseenheden en ondergrondse parkeervoorzieningen.
(…)”
28. In artikel 1.47 van de bestemmingsplanregels is bepaald dat onder ‘bijzondere doeleinden’ wordt verstaan: “
doeleinden ten behoeve van onderwijs, openbaar bestuur, religieuze functies, zorg, medisch-sociale-functies waaronder ook begrepen dagopvang met woonfunctie, tevens zorgeenheden voor zover het betreft het voormalige [naam klooster] , maatschappelijke en culturele functies”.
Is sprake van strijd met het bestemmingsplan?
29. Ook hier moet de rechtbank de vraag beantwoorden of sprake is van een overtreding. Eisers stellen dat het geconstateerde gebruik van het pand niet in strijd is met het bestemmingsplan en voeren daartoe onder meer aan dat geen sprake was van logiesgebruik, maar van woongebruik en dat dit op grond van het bestemmingsplan is toegestaan nu de gronden mede zijn bestemd voor woondoeleinden. Dit volgt volgens eisers uit de letterlijke tekst van de regeling en uit de plansystematiek, alsmede uit de toelichting bij het bestemmingsplan “Kernen 2010” waarin deze regeling reeds was opgenomen.
30. Het college stelt zich op het standpunt dat woondoeleinden uitsluitend zijn toegestaan als dit ‘maatschappelijk’ is overeenkomstig de bestemming waarbinnen woondoeleinden zijn toegestaan. Daarnaast stelt het college dat ‘woondoeleinden’ in de betreffende planregel niet op zichzelf staat, maar dat door tweemaal het koppelwoord ‘en’ te gebruiken de planwetgever voor ogen had dat al deze functies moeten worden gerealiseerd. Wonen is derhalve enkel mogelijk in combinatie met woonzorgeenheden en bijzondere voorzieningen, aldus het college.
31. De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 28.1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan bepalend is voor het antwoord op de vraag of het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten is toegestaan in het pand. Op grond van vaste rechtspraak moet een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd, tenzij de planregel onvoldoende duidelijk is. Dan kan op grond van de plansystematiek of toelichting bij het bestemmingsplan tot een andere uitleg worden gekomen.De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de planregel voldoende duidelijk is. Welke functies zijn toegestaan op gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ volgt uit de bestemmingsomschrijving. Uit de tekst daarvan blijkt dat de voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden (mede) bestemd zijn voor woondoeleinden, voor zover dit het voormalige [naam klooster] betreft. In de tekst staat niet dat het gebruik van het pand voor woondoeleinden alleen zou zijn toegestaan in combinatie met de functies woonzorgeenheden en bijbehorende voorzieningen, zoals het college stelt. Als bedoeld zou zijn dat uitsluitend een combinatie van deze functies is toegestaan, waarbij het een niet zonder het ander is toegestaan, dan zou dit taalkundig als zodanig moeten zijn weergegeven, door bijvoorbeeld zinsconstructies als “uitsluitend in combinatie/samenhang met” of “en bijbehorende woondoeleinden”. Uit het gebruik van het woord ‘en’ kan niet meer worden afgeleid dan dat sprake is van een opsomming van functies die zijn toegestaan. De uitleg die het college voorstaat is bovendien niet logisch omdat woonzorgeenheden (ook zonder toevoeging ‘en woondoeleinden’) wonen in combinatie met zorg al mogelijk maken, waardoor de toevoeging ‘en woondoeleinden’ in die uitleg overbodig zou zijn. Voor zover het college bedoelt dat de realisatie van bij wijze van spreken één of enkele woonzorgeenheden zou maken dat daarnaast wel zelfstandige woondoeleinden in het klooster mogelijk zou zijn, kan de rechtbank die uitleg evenmin volgen nu een dergelijke voorwaardelijke verplichting – woondoeleinden zijn uitsluitend toegestaan indien ook woonzorgeenheden worden gerealiseerd – niet uit de regels volgt.
32. Verder overweegt de rechtbank dat ‘woondoeleinden’ niet is gedefinieerd in de planregels. Bij de uitleg daarvan moet daarom op grond van vaste rechtspraakaansluiting worden gezocht bij het normale spraakgebruik, waarin ‘woondoeleinden’ betekent "bedoeld voor wonen". In dat normale spraakgebruik worden onder ‘wonen’ diverse uiteenlopende vormen van huisvesting begrepen. Daaronder valt ook kamerbewoning door arbeidsmigranten. ‘Wonen’ vereist wel een zekere duurzaamheid, maar een verblijf korter dan zes maanden kan op zichzelf ook voldoende duurzaam zijn.De stelling van het college dat de korte verblijfsduur in dit geval maakt dat geen sprake is van wonen kan gelet daarop niet worden gevolgd. Niet gebleken is dat in dit geval sprake is van een zodanig korte verblijfsduur dat niet van wonen zou kunnen worden gesproken.
33. Terzijde merkt de rechtbank op dat ook uit de systematiek van het bestemmingsplan geen andere uitleg volgt. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn diverse functies mogelijk gemaakt, zoals vakantieappartementen (binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie’: artikel 28.1 onder h), wonen (artikel 28.1 onder m) en verblijfsrecreatie (binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – verblijfsrecreatie’, artikel 28.1 onder o), zodat de uitleg dat enkel ‘zuiver maatschappelijke functies’ zijn toegestaan binnen deze bestemming niet opgaat. Artikel 28.1 onder c (de maatbestemming voor het klooster) moet bovendien iets toevoegen aan hetgeen al onder a (bijzondere doeleinden) is geregeld, en dat zijn met name de woondoeleinden en daarnaast de (bij woonzorgeenheden en woondoeleinden) bijbehorende voorzieningen. De rechtbank kan verder moeilijk volgen dat, zonder dat dit uit de begripsbepalingen of bestemmingsomschrijving volgt, onder ‘woondoeleinden’ in de ene bestemming iets anders moet worden begrepen dan in de andere bestemming (zoals de bestemming ‘Gemengd’, waar ook woondoeleinden zijn toegelaten).
In de toelichting bij het bestemmingsplan is niets opgenomen over de bestemming van het klooster, zodat zelfs als zou worden toegekomen aan een uitleg conform de bedoeling van de bestemmingsplanwetgever, er geen aanknopingspunten zijn voor een andere bedoeling dan rechtstreeks uit de planregels volgt.
34. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten in het pand niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat dus geen sprake was van een overtreding. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Deze beroepsgrond van eisers slaagt derhalve en daarmee zijn de beroepen tegen de bestreden Wabo-besluiten gegrond. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eisers gericht tegen de Wabo-besluiten.