ECLI:NL:RBLIM:2026:2086

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ROE 23/220, 23/248 en 23/396
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.33 WaboArt. 4 Verdrag betreffende de werking van de Europese UnieArt. 6 EVRMArt. 37 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot intrekking omgevingsvergunningen windmolens wegens strijd met Unierecht

De rechtbank Limburg behandelde op 4 maart 2026 de gecombineerde bestuursrechtelijke zaken over het verzoek tot intrekking van omgevingsvergunningen voor vier windmolens in windpark Ospeldijk. Eisers stelden dat de vergunningen in strijd zijn met het Unierecht, met name vanwege het ontbreken van een milieubeoordeling volgens de SMB-richtlijn, en vorderden intrekking.

De vergunningen waren verleend in 2018 en onherroepelijk geworden na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak in 2019. De rechtbank erkende dat de vergunningen onverenigbaar zijn met het Unierecht, maar oordeelde dat dit niet automatisch leidt tot intrekking. De voorwaarden uit het arrest Kühne & Heitz voor heroverweging van onherroepelijke besluiten zijn niet vervuld, omdat de eerdere uitspraak niet berust op een onjuiste uitleg van het Unierecht.

Daarnaast wees de rechtbank andere beroepsgronden af, zoals schending van het voorzorgsbeginsel, het Verdrag van Aarhus, en mededingingsregels. Ook werden klachten over gezondheidseffecten en procedurefouten niet-ontvankelijk verklaard of buiten beschouwing gelaten omdat deze in eerdere procedures aan de orde hadden moeten komen.

De rechtbank verklaarde het beroep van twee eisers niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, vernietigde het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verzoek tot intrekking van omgevingsvergunningen afgewezen, beroep deels gegrond wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen blijven in stand, vergoeding proceskosten en immateriële schade toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/220, 23/248 en 23/396

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1] , te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres in zaaknummer 23/220
(gemachtigde: mr. G.H. Blom),

Stichting Behoud Leefmilieu Limburg, te Heythuysen,

[eiser 1], te [woonplaats 1]
[eiseres 2], te [vestigingsplaats 2]
[eiseres 3], te [vestigingsplaats 3]
[eiser 2], te [woonplaats 2]
[eiser 3], te [woonplaats 3]
[eiseres 4], te [vestigingsplaats 4]
[eiser 4], te [woonplaats 4]
[eiseres 5], te [vestigingsplaats 5]
[eiser 5], te [woonplaats 5]
[eiser 6], te [woonplaats 6]
[eiser 7], te [woonplaats 7]
[eiser 8], te [woonplaats 8] ,
eisers in zaaknummer 23/248
(gemachtigde: mr. P.A. de Lange),

[eiser 9] , te [woonplaats 9]

[eiser 10], te [woonplaats 10]
[eiser 11], te [woonplaats 11]
[eiser 12], te [woonplaats 12]
eisers in zaaknummer 23/396
(gemachtigde: mr. P.R. Botman)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Euverman).
Als derde-partijen hebben aan de gedingen deelgenomen:
Burgerwindpark Ospeldijk B.V.(gemachtigde: [gemachtigde] )
en WML Wind B.V.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek tot intrekking van de aan Burgerwindpark Ospeldijk B.V. (vergunninghouder van de twee windmolens van windpark Ospeldijk Oost) en aan WML Wind B.V. (vergunninghouder van de twee windmolens van windpark Ospeldijk West) verleende omgevingsvergunningen afgewezen.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 13 november 2025.
In de zaak 23/220 is [belanghebbende] verschenen namens de [eiseres 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. In de zaak 23/248 zijn eisers [eiser 5] , [eiser 6] en [eiser 7] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, die ook de niet verschenen eisers heeft vertegenwoordigd. In de zaak 23/396 zijn eisers [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , en [eiser 12] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en getuige-deskundige [naam getuige-deskundige] .
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Voor vergunninghouder Burgerwindpark Ospeldijk B.V. is zijn gemachtigde verschenen. Voor vergunninghouder WML Wind B.V. is [naam] verschenen.

Overwegingen

Achtergrond en besluitvorming
1. Op 16 juli 2018 zijn aan vergunninghouders twee omgevingsvergunningen verleend voor de vier windmolens van windpark Ospeldijk (Oost en West). Dit betreft omgevingsvergunningen voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a (bouwen), c (gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan) en i (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze vergunningen zijn verleend mede op grond van een mer-beoordelingsbesluit (inhoudende dat een MER-beoordeling niet nodig is) en een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad van Nederweert. Er zijn zienswijzen ingediend tegen de ontwerpvergunningen door anderen dan de in deze zaken betrokken eisers, maar ook door de bewoners van [adres] ( [eiseres 5] ,
[eiser 6] en [eiser 7] ; eisers in 23/248). Op 27 februari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [1] uitspraak gedaan op een beroep tegen de verleende omgevingsvergunningen. Daarbij is het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de omgevingsvergunning voor windpark Ospeldijk Oost betreft – omdat de eisers (in die zaak) vanwege de afstand tussen die (oostelijke) windmolens en hun woning niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt – en ongegrond voor zover het betreft de omgevingsvergunning voor windpark Ospeldijk West. De op 16 juli 2018 verleende omgevingsvergunningen zijn hiermee onherroepelijk geworden.
2. Op 11 november 2019 zijn aan de vergunninghouders twee wijzigingsvergunningen verleend in verband met een grotere rotordiameter van de wieken van de windmolens. Deze wijzigingsvergunningen zien op de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, en vallen voor het overige (ruimtelijk en milieutechnisch) binnen het bereik van de op 16 juli 2018 verleende vergunningen. Tegen deze vergunningen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
3. Ten tijde van de vergunningverlening golden de zogenoemde windmolenbepalingen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Op 25 juni 2020 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) het Nevele-arrest gewezen in een Belgische zaak. In België hanteerde men ook landelijke algemene milieuregels voor windparken. In de zaak Nevele is door het Hof geoordeeld dat er ten onrechte geen milieubeoordeling (plan-m.e.r.) is gemaakt voor die algemene milieuregels. Voor de windmolenbepalingen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling is ook geen milieubeoordeling gemaakt
4. Op 17 december 2020 heeft de Stichting Behoud Leefmilieu Limburg Heythuysen (en “haar bestuurders in privé en sympathisanten”), verder ook de Stichting, aan verweerder gevraagd om de op 16 juli 2018 verleende vergunningen in te trekken, alsmede aan de gemeenteraad van de gemeente Nederweert gevraagd om de verleende vvgb in te trekken. Aan die verzoeken heeft de Stichting de volgende gronden ten grondslag gelegd:
  • de omgevingsvergunningen zijn verleend in strijd met dwingende regels van het Unierecht, met verwijzing naar het Nevele-arrest over de uitleg van de SMB-richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s in Vlaanderen; de Hofuitspraken en de Europese regels dienen onverkort te worden nageleefd en een lidstaat moet alle mogelijke noodzakelijke maatregelen treffen om het ontbreken van een MER te herstellen; in het kader van uniforme toepassing van het Unierecht dient nietigverklaring of vernietiging van de verleende vergunningen plaats te vinden;
  • schending van de beginselen en bepalingen van het Verdrag van Aarhus;
  • schending van de mededingingsregels in de zin van strijd met regels voor schaarse vergunningen;
  • bewoners zijn ten onrechte niet (allemaal) actief betrokken en hebben daardoor niet tijdig bezwaar kunnen maken;
  • er is geen juiste aanbestedingsprocedure gevolgd;
  • er is ten onrechte geen integrale milieubeoordeling met omliggende gemeenten/windparken gemaakt.
Vervolgens is er met een aanbiedingsbrief van 22 januari 2021 een rapport ‘Voorkom het windturbinesyndroom’ (verder DEI-rapport) overgelegd (met als beschreven doel: om te komen tot zorgvuldiger besluitvorming).
5. Blijkens het bestreden besluit is verweerder bij de beoordeling van het verzoek tot intrekking uitgegaan van de brief van 17 december 2020 en de aanbiedingsbrief van 22 januari 2021 met bijbehorend rapport ‘Voorkom het windturbinesyndroom’. Verweerder heeft het verzoek tot intrekking getoetst aan artikel 2.33, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wabo. Erkend is dat de totstandkoming van de bij de verleende omgevingsvergunningen kaderstellende windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit in strijd met de SMB-richtlijn en dus met het Unierecht zijn vastgesteld. Daaruit heeft verweerder afgeleid dat de omgevingsvergunningen niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen en de vergunningen niet op een deugdelijke motivering berusten. Bij de beantwoording van de vraag of dit tot intrekking van de vergunningen moet leiden, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de omgevingsvergunningen zelf (los van de wijze van totstandkoming) in strijd zijn met het Unierecht en dat er daarom geen reden is om de vergunningen op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wabo in te trekken.
Voor zover het verzoek tot intrekking is gebaseerd op de stelling dat er sprake was van schaarse vergunningen en strijd met de Dienstenrichtlijn, is verweerder van mening dat algemene planologische besluiten, zoals een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, geen besluiten zijn die schaarse rechten toedelen. Bovendien stelt verweerder dat de Stichting als indiener van het intrekkingsverzoek niet degene is die wilde meedingen naar het gestelde schaarse recht, zodat het de vraag is waarom de Stichting een beroep op schending van de relevante norm zou kunnen doen. Overigens is verweerder van mening dat deze grond al in een beroep tegen de oorspronkelijk verleende vergunningen aangevoerd had kunnen worden.
Voor zover bij het verzoek is gevraagd om integrale beoordeling van het vergunde windpark Ospeldijk met omliggende windparken, heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat er geen windturbines in de onmiddellijke nabijheid liggen.
In het bestreden besluit is ook de beslissing opgenomen dat de gemeenteraad de eerder ten behoeve van de vergunningverlening afgegeven vvgb niet intrekt.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een besluit te nemen, in dit geval een beslissing op het verzoek tot intrekking van omgevingsvergunningen, is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om de op grond van de Wabo verleende omgevingsvergunningen in te trekken is gedaan op 17 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo (met aanverwante wetgeving), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Ontvankelijkheid
7. De afwijzing van het verzoek om de verleende omgevingsvergunningen voor de betrokken windmolens in te trekken, is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Aan
belanghebbendenwordt in omgevingsrechtelijke zaken niet tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. [2] Voor
niet-belanghebbendengeldt dat ook zij beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, mits zij wel een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of in het geval hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten. [3]
8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser 4] en [eiser 8] (zaak 23/248) geen belanghebbenden zijn omdat hun woningen te ver van de locaties van de windmolens zijn gelegen.
9. De rechtbank stelt vast dat [eiser 4] en [eiser 8] geen zienswijze naar voren hebben gebracht naar aanleiding van het ontwerpbesluit tot afwijzing van het verzoek tot intrekking. Niet gebleken is dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Voor het antwoord op de vraag of het beroep van [eiser 4] en [eiser 8] ontvankelijk is, is dus beslissend of zij belanghebbenden zijn. De rechtbank stelt vast dat zij vanwege de grote afstand tussen hun woningen en de windmolens niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt op basis van hun woonlocatie. Op het, op 30 mei 2023 kenbaar gemaakte, standpunt van verweerder dat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt is niet gereageerd anders dan met de ter zitting gemaakte opmerkingen dat [eiser 4] belanghebbende zou zijn op grond van een jachtterrein dat bij of in de buurt van de windmolens zou zijn gelegen en [eiser 8] omdat zij een manage zou hebben of beheren bij of in de buurt van de windmolens. Van beide stellingen is geen enkel (begin van) bewijs of anderszins een onderbouwing aangedragen, terwijl daarvoor voldoende mogelijkheden hebben bestaan en ter zitting kon een en ander ook niet worden geverifieerd. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser 4] en [eiser 8] een concreet en rechtstreeks belang hebben bij het aangevochten besluit, verklaart de rechtbank het beroep onder zaaknummer 23/248 voor zover door hen ingediend, niet-ontvankelijk.
10. Voor zover de beroepen zijn ingesteld door de overige natuurlijke personen stelt de rechtbank vast dat zij belanghebbende zijn, waarbij de rechtbank in het midden laat of zij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de twee oostelijke, de twee westelijke of alle vier de windmolens.
Omvang geding
11. Ter zitting hebben eisers het standpunt van verweerder onderschreven dat de inhoud en reikwijdte van het intrekkingsverzoek zich beperkt tot strijd met meerdere aspecten van het Unierecht zoals beschreven in de brief van de Stichting van 17 december 2020. Ook argumenten die zijn aangevoerd met betrekking tot gezondheidseffecten van windmolens zijn volgens eisers bedoeld in het licht van het Unierecht, in het bijzonder in het licht van de considerans van de SMB-richtlijn, artikel 37 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 191 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
12. In geding is de in het bestreden besluit neergelegde weigering om op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wabo over te gaan tot intrekking van onherroepelijke omgevingsvergunningen. Daarmee kunnen argumenten die in beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunningen van 16 juli 2018 hadden kunnen (en moeten) worden aangevoerd niet meer aan de orde komen. Verder beperkt het initiële verzoek van 17 december 2020 zich tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen en bevat het niet ook een verzoek tot wijziging van voorschriften van de verleende vergunningen en/of handhaving. Deze onderwerpen en de beroepsgronden voor zover daarop gericht, komen daarom in dit geding evenmin aan de orde.
Unierechtelijk gebrek aan de omgevingsvergunningen
13. De omgevingsvergunningen van 16 juli 2018, zoals gewijzigd op 11 november 2019, zijn niet verenigbaar met het Unierecht. Het Unierechtelijk gebrek dat kleeft aan de windturbinebepalingen in het destijds geldende Activiteitenbesluit, werkt door in een omgevingsvergunning, als het bevoegd gezag bij de verlening ervan voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van één of meer van de milieueffecten waarop de windturbinebepalingen betrekking hadden (geluid, (externe) veiligheid, slagschaduw en lichtschittering), is uitgegaan van de windturbinebepalingen. Met verwijzing naar de Rietvelden-uitspraak [4] en de Blauw-uitspraak [5] wijst de rechtbank erop dat een dergelijke omgevingsvergunning, zoals ook in deze zaak aan orde, niet verenigbaar is met het Unierecht. Anders dan eisers betogen staat daarmee niet de onrechtmatigheid van de omgevingsvergunningen vast, maar (alleen) de onverenigbaarheid met het Unierecht.
14. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt is ingenomen dat de verleende omgevingsvergunningen zelf (los van de wijze van totstandkoming) niet in strijd zijn met het Unierecht en dat er (enkel) daarom geen reden is om de vergunningen in te trekken. In zoverre zijn de beroepen gegrond wegens een motiveringsgebrek van het bestreden besluit. Met inachtneming van de in de verweerschriften en ter zitting gegeven aanvullende motivering beoordeelt de rechtbank in het navolgende of de rechtsgevolgen van de weigering over te gaan tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen in stand kunnen blijven.
15. De meest verstrekkende beroepsgrond houdt in dat reeds op grond van het Unierecht een rechtstreekse verplichting bestaat om tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen over te gaan (waardoor dus niet aan de nationale intrekkingsgrond van de Wabo zou worden toegekomen). Daartoe hebben eisers gewezen op artikel 4, derde lid, van het VWEU en het voorzorgbeginsel, waaruit volgens hen volgt dat er een ambtshalve en zelfstandige verplichting geldt om alle noodzakelijke maatregelen, in dit geval intrekking of opschorting van de verleende omgevingsvergunningen, te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen.
15.1.
Deze gronden zijn uitgebreid gemotiveerd ook aan de Afdeling voorgelegd en in de uitspraak van 30 april 2025 [6] heeft de Afdeling na bespreking van alle onderdelen daarvan geconcludeerd dat er geen grond is voor het oordeel dat het door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader uit de Rietvelden-uitspraak en de Blauw-uitspraak niet kan worden gevolgd en dat de Afdeling in die zaak wat het beoordelingskader betreft anders moet oordelen.
15.2.
In voornoemde uitspraken Rietvelden en Blauw heeft de Afdeling een beoordelingskader voor de heroverweging en intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning in het licht van het Unierecht uiteengezet voor de beantwoording van de vragen of 1) aan de omgevingsvergunning een Unierechtelijk gebrek kleeft, omdat voor de windturbinebepalingen geen voorafgaande milieubeoordeling in de zin van de SMB-richtlijn is verricht en bij de omgevingsvergunningverlening van de werking van die windturbinebepalingen is uitgegaan, en 2) of het Unierecht meebrengt dat de inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning daarom moet worden heroverwogen of ingetrokken.
15.3.
In die twee zaken ging het om een omgevingsvergunning waarbij op het moment van verlening door het bevoegd gezag voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid of van de gevolgen voor het milieu is uitgegaan van de rechtstreekse werking van de toenmalige windturbinebepalingen. Of anders gezegd, het ging daarbij om een omgevingsvergunning waarvoor de windturbinebepalingen kaderstellend waren als is bedoeld in de Delfzijl-tussenuitspraak [7] . Over deze windturbinebepalingen is in die Delfzijl-tussenuitspraak geoordeeld dat daarvoor ten onrechte geen voorafgaande milieubeoordeling als bedoeld in de SMB-richtlijn is verricht. Het ging dus niet om een omgevingsvergunning die is gebaseerd op door het bevoegd gezag gekozen eigen normen in plaats van op de windturbinebepalingen en aan welke normen een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering ten grondslag is gelegd, zoals aan de orde was in de Afdelingsuitspraak van 12 april 2023 [8] (de Delfzijl-einduitspraak).
15.4.
Bij beantwoording van de vraag of de onverenigbaarheid met het Unierecht, in het bijzonder de SMB-richtlijn, moet leiden tot intrekking van de onherroepelijke omgevingsvergunningen heeft de Afdeling toepassing gegeven aan het arrest Kühne & Heitz, terwijl eisers zich op het standpunt stellen dat reeds voorafgaand aan die toets op grond van de uit artikel 4, derde lid, van het Verdrag voortvloeiende beginselen van doeltreffendheid en loyale samenwerking volgt dat er een ambtshalve en zelfstandige verplichting geldt om alle noodzakelijke maatregelen (intrekking of opschorting van de verleende vergunningen) te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen. Daarvoor is gesteld dat de tot nu toe gewezen jurisprudentie van het Hof en van de Afdeling alleen geldt als er correct is geïmplementeerd en dat is volgens eisers hier nu juist niet het geval. Daarom dienen volgens eisers met verwijzing naar de arresten Byankov en Nevele de verleende vergunningen te worden ingetrokken. In zoverre zijn eisers voorts van mening dat het niet gaat om een intrekking op grond van de Wabo, maar rechtstreeks op grond van het Unierecht. Voor zover de rechtbank hierin niet meegaat hebben eisers verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de (rechts)gevolgen van de strijdigheid van een al dan niet onherroepelijke omgevingsvergunning met het Unierecht.
15.5.
Ter beoordeling is aan de rechtbank voorgelegd de weigering van verweerder om op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo wegens strijd met Unierecht de verleende vergunningen in te trekken. De rechtbank verwijst naar het oordeel van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraken over de windparken de Rietvelden en Blauw, dat uit de arresten Nevele en Derrybrien van het Hof niet volgt dat een naar nationaal recht onherroepelijke omgevingsvergunning die niet verenigbaar is met het Unierecht, heroverwogen of ingetrokken moet worden. Uit het Nevele-arrest volgt naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks wat er met een verleende omgevingsvergunning die niet verenigbaar is met het Unierecht moet gebeuren. Het bepaalde in artikel 4, derde lid, van het Verdrag zegt dat de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. In dit geval leidt dat ertoe dat alle maatregelen getroffen moeten worden om de met het Unierecht strijdige bepalingen in het Activiteitenbesluit te herstellen, maar daaruit vloeit geen rechtstreekse verplichting voort om een naar nationaal recht onherroepelijke omgevingsvergunning die is gebaseerd op die bepalingen in het Activiteitenbesluit reeds op grond van de beginselen van doeltreffendheid en loyale samenwerking in te trekken. Doorslaggevend daarbij is dat de rechtbank van oordeel is, in navolging van de Afdeling, dat de verleende omgevingsvergunningen wel met het Unierecht onverenigbaar maar niet onrechtmatig zijn, en dat ook in het Unierecht is aanvaard dat het rechtszekerheidsbeginsel voorop staat bij de beantwoording van de vraag of een omgevingsvergunning moet worden ingetrokken. Bovendien is weliswaar sprake van een formeel gebrek in de totstandkoming van de omgevingsvergunningen voor het windpark Ospeldijk, maar daarmee staat nog niet vast dat er ook sprake is van een materieel gebrek.
15.6.
De rechtbank ziet in de aangevoerde gronden geen aanleiding om uit te gaan van een ander beoordelingskader dan de Afdeling in de Rietvelden-uitspraak en in de Blauw-uitspraak heeft gehanteerd. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, omdat de opgeworpen vraag aan de hand van de rechtspraak van de Afdeling en van het Hof kan worden beantwoord en er gelet op die rechtspraak redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de vraag moet worden beantwoord.
16. Uit het beginsel van de procedurele autonomie en vaste rechtspraak van het Hof volgt dat eerst gekeken moet worden of er een nationale regeling is die intrekking mogelijk maakt en die grondslag is te vinden in artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wabo. Nu van een verplichting om van een onherroepelijk besluit terug te komen op grond van het Unierecht geen sprake is, zijn de cumulatieve voorwaarden uit het arrest Kühne & Heitz van belang. Pas als daaraan is voldaan is een bestuursorgaan verplicht een onherroepelijk besluit te heroverwegen in het licht van het Unierecht. Die cumulatieve voorwaarden zijn:
het bestuursorgaan moet naar nationaal recht bevoegd zijn om van dat besluit terug te komen;
het in het geding zijnde besluit moet definitief zijn geworden als gevolg van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;
die uitspraak moet, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berusten op een onjuiste uitlegging van het Unierecht, gegeven zonder dat het Hof is verzocht om een prejudiciële beslissing;
betrokkene moet zich tot het bestuursorgaan hebben gewend onmiddellijk nadat hij van die rechtspraak kennis had genomen.
17. Aan de eerste voorwaarde – die in lijn is met het zojuist gegeven oordeel dat gekeken moet worden naar een nationale regeling voor intrekking – is in beginsel voldaan gelet op het bepaalde in artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wabo op grond waarvan strijd met het Unierecht de bevoegdheid geeft tot intrekking. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde. De uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, waarmee de verleende omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn geworden, berust namelijk niet op een (onjuiste) uitlegging van het Unierecht. De Afdeling heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten, en niet hoeven uitlaten, over de vraag of de windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit in strijd met de SMB-richtlijn zijn.
18. Voor verweerder bestond gelet op het voorgaande geen verplichting om de onherroepelijke omgevingsvergunningen te heroverwegen, laat staan in te trekken. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook niet.
Overige gronden voor het intrekkingsverzoek
19. Aan het verzoek tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen is verder ten grondslag gelegd schending van het Verdrag van Aarhus, schending van mededingingsregels voor schaarse vergunningen, het ten onrechte niet betrekken van alle omwonenden, het niet volgen van de juiste aanbestedingsprocedure en het ontbreken van een integrale milieubeoordeling.
19.1.
De rechtbank is van oordeel dat voor zover is bedoeld dat beweerdelijke schending van bepalingen uit het Verdrag van Aarhus en van de Dienstenrichtlijn zodanig doorwerken dat die schending bij toepassing van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet leiden tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen, daarvoor geldt
wat onder 25 is geoordeeld. Van strijd met bepalingen uit het Verdrag van Aarhus en uit de Dienstenrichtlijn is met betrekking tot het bestreden besluit niet gebleken.
19.2.
Voor zover eisers die strijdigheid zien in de oorspronkelijk verleende vergunningen, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. Gronden over beweerdelijke procedurefouten en het ontbreken van een integrale milieubeoordeling hadden in de procedure tegen de in 2018 verleende omgevingsvergunningen kunnen en moeten worden aangevoerd. Deze argumenten kunnen daarom in de procedure tegen het bestreden besluit niet aan de orde komen. Van strijd met procedureregels is met betrekking tot het bestreden besluit niet gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat, indien en voor zover is bedoeld te stellen dat beweerdelijke gebreken in de procedure en het ontbreken van een integrale milieubeoordeling moeten leiden tot intrekking van de verleende vergunningen op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, daarvoor geen motivering is gegeven. De rechtbank ziet daarvoor geen grond.
20. Eisers in de zaak met zaaknummer 23/248 hebben nog aangevoerd dat zij sinds de windturbines in werking zijn erg veel overlast van met name hoog- en laagfrequent geluid ondervinden met gevolgen voor hun gezondheid. Daaraan is kort voor zitting nog toegevoegd dat eisers ook nadelige gevolgen ondervinden door de verspreiding van giftige stoffen zoals Bisfenol A en Sf6-gas. Eisers pleiten voor proactieve bescherming van de implicaties van de inwerking zijnde windturbines, ook al is er in wetenschappelijke zin nog geen doorslaggevend wetenschappelijk bewijs voorhanden. Eisers wijzen in zoverre op een grote hoeveelheid (ook wetenschappelijke) informatie waaruit wel volgt dat windturbines kunnen leiden tot gezondheidsschade bij mensen die gedurende een bepaalde periode in de directe nabijheid van windturbines verblijven. Gelet op het voorzorgsbeginsel is er volgens eisers aanleiding om de verleende omgevingsvergunningen in te trekken dan wel de werking op te schorten tot (meer) duidelijkheid over de gezondheidsrisico’s is verkregen. Eiseres in de zaak met zaaknummer 23/220 heeft daaraan toegevoegd dat onvoldoende rekening is gehouden met de implicaties van de in bedrijf zijnde windmolens ten aanzien van haar agrarische bedrijf.
20.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek van de Stichting tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen niet zonder meer volgt dat daaraan ook schending van het voorzorgsbeginsel in samenhang met gezondheidsaspecten ten grondslag is gelegd, ook al scharen eisers dit aspect later alsnog onder hun (intrekkings- en beroeps)grond ‘strijd met het Unierecht’. Eisers hebben echter wel in hun zienswijzen gewezen op door hen ervaren gezondheidsklachten als gevolg van de windmolens op grond waarvan in hun visie de verleende omgevingsvergunningen ingetrokken dienen te worden.
In het bestreden besluit is verweerder op dit aspect niet ingegaan. In het eerste verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat dit tegen de oorspronkelijke vergunningverlening aangevoerd had kunnen worden en dat in de jurisprudentie is geoordeeld dat op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs voor directe effecten van windturbines op de gezondheid is gevonden. In het tweede verweerschrift heeft verweerder geconcludeerd dat het Unierechtelijk voorzorgbeginsel geen grondslag kan bieden voor het intrekken van de verleende omgevingsvergunningen.
Ter zitting hebben eisers over deze beroepsgrond toegelicht dat dit – nu mede het DEI-rapport aan het verzoek is toegevoegd en door verweerder als grondslag voor het verzoek is meegenomen en omdat gezondheidsaspecten deel behoren uit te maken van de nog benodigde plan-MER – gezien moet worden als een beroep op schending van het voorzorgsbeginsel als algemeen beginsel waarmee volgens de Europese Commissie vooral bij de bescherming van het milieu en de gezondheid van mensen, dieren en planten rekening moet worden gehouden. Eisers verwijzen naar de considerans van de SMB-richtlijn, naar artikel 37 van Pro het Handvest en artikel 191 van Pro het VWEU.
20.2.
Voor zover met deze beroepsgrond is bedoeld te stellen dat schending van het voorzorgbeginsel ook begrepen moet worden onder de in het initiële verzoek van 17 december 2020 beschreven dwingende regels van het Unierecht, is de rechtbank van oordeel dat de verleende omgevingsvergunningen zelf niet in strijd zijn met (de considerans van) de SMB-richtlijn. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025: [9] de SMB-richtlijn schrijft geen te behalen milieunormen voor en ook niet dat voor bepaalde milieuaspecten voor een windpark eerst een plan of programma moet worden vastgesteld, waarvoor vervolgens een milieubeoordeling moet worden verricht, voordat een vergunning mag worden verleend. Overigens betekent de in de SMB-richtlijn geformuleerde doelstelling om bij te dragen aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens niet dat een ontwikkeling die leidt tot een bepaald percentage (ernstig) gehinderden alleen al daarom in strijd is met de SMB-richtlijn. Met andere woorden: het gaat er (ten aanzien van de oorspronkelijke verlening) niet om dat aannemelijk moet worden gemaakt dat met de vergunningverlening geen gezondheidsklachten gepaard zullen gaan.
20.3.
Voor zover eisers artikel 37 van Pro het Handvest aan hun beroep ten grondslag hebben gelegd, stelt de rechtbank vast dat dit artikel een hoog niveau van milieubescherming bepaalt en dat de verbetering van de milieukwaliteit moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie. Artikel 37 van Pro het EU-Handvest is echter gericht tot de uniewetgever en kan alleen via specifieke milieurichtlijnen doorwerken in de nationale rechtsorde. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is.
20.4.
Voor zover eisers zich hebben beroepen op artikel 191 van Pro het VWEU is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling geen rechtstreekse grondslag kan bieden voor intrekking of herziening van de verleende omgevingsvergunningen. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025. [10] Eisers hebben ook niet onderbouwd waarom dat wel zou kunnen of moeten.
21. De rechtbank merkt tot slot over de gezondheid van omwonenden wel het volgende op. De rechtbank erkent dat dit voor omwonenden een belangrijk onderwerp is en heeft gezien dat dit een punt van (grote) zorg is. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de gevolgen van de werking van de vergunde windmolens voor de gezondheid in deze procedure juridisch echter niet worden beoordeeld.
Overige beroepsgronden
22. Voor zover in beroep is gesteld dat ten aanzien van de verlening van de omgevingsvergunningen sprake is geweest van onzorgvuldige voorbereiding en van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is de rechtbank van oordeel dat dit in een beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen niet aan de orde kan komen, omdat dit tegen de oorspronkelijke vergunningverlening aangevoerd had kunnen en moeten worden.
23. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat hun klachten niet serieus worden genomen en/of dat er geen rekening is gehouden met een specifieke bedrijfssituatie, is de rechtbank van oordeel dat ook dit in deze procedure niet aan de orde kan komen omdat het initiële verzoek tot intrekking daar niet op zag en het in deze procedure niet gaat om de verlening van de omgevingsvergunningen.
Weigering intrekking verklaring van geen bedenkingen
24. Voor zover voor de intrekking van een omgevingsvergunning ook een intrekking van de destijds ten behoeve van de omgevingsvergunningverlening verleende vvgb nodig is en voor zover de beslissing op het verzoek om intrekking daarvan een besluit is in de zin van de Awb (appellabel via de weigering van intrekking van de omgevingsvergunning), slaagt naar het oordeel van de rechtbank de daartegen aangevoerde grond niet. Door eisers in 23/396 is hierover aangevoerd dat er bij het nemen van het raadsbesluit ten aanzien van de intrekking van de vvgb sprake is geweest van vooringenomenheid bij één van de raadsleden en dat op die grond sprake is van strijd met artikel 2.4 van de Awb. Zij hebben betoogd dat het Groenlinks-raadslid sinds 2022 in de raad zit en sinds maart 2020 ook bestuurslid is van de coöperatie Zuidenwind, terwijl het raadslid ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan de oproep zich van stemming te onthouden. Zij leggen daarbij een besluitenlijst van 28 maart 2020 van Zuidenwind over waarop de besluiten staan dat de betreffende persoon is benoemd tot bestuurslid van de coöperatie en dat wordt ingestemd met de financiering van windpark Ospeldijk.
25. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de in beroep genoemde persoon ten tijde van de besluitvorming over het ontwerp nog geen raadslid was (wel ten tijde van het nemen van het besluit), dat de raad met elf stemmen heeft ingestemd (waaronder de stem van het genoemde Groenlinks-raadslid) en dat alleen de CDA-fractie heeft verzocht om aanhouding. Er zijn geen amendementen ingediend. Ten tijde van het nemen van het besluit was de genoemde persoon geen bestuurslid meer van Zuidenwind en het raadslid heeft geen aandelen in het windpark.
26. Naar het oordeel van de rechtbank is door eisers in 23/396 onvoldoende onderbouwd dat er een concreet verband is tussen de in het verleden door het betreffende raadslid uitgeoefende activiteiten en de inhoud van de weigering tot intrekking van de vvgb. Het innemen en uitdragen van een politiek standpunt is niet zonder meer aanleiding om belangenverstrengeling aan te nemen op grond waarvan strijd met artikel 2.4 van de Awb moet worden aangenomen. Dat in 2020 is ingestemd met financiering van windpark Ospeldijk door Zuidenwind is een belang dat vergunninghouders en de coöperatie Zuidenwind aangaat. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dat belang ten tijde van de besluitvorming ook zonder meer (persoonlijk) moet worden toegerekend aan het destijds van de coöperatie deel uitmakende bestuurslid dat later raadslid is geworden. Bovendien is niet is gebleken van (aanhoudende of doorwerkende) belangen van financiële of andere aard tussen het genoemde raadslid en Zuidenwind en\of de vergunninghouders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Immateriële schadevergoeding (artikel 6 EVRM Pro)
27. Eisers in de zaak 23/396 hebben een beroep gedaan op hun rechten die zijn opgenomen in artikel 6 van Pro het EVRM. Uit dat artikel volgt onder meer dat zij recht hebben op een uitspraak op hun beroep binnen een redelijke termijn. Omdat de redelijke termijn is overschreden, verzoeken eisers in 23/396 om vergoeding van immateriële schade vanwege het (te) lang moeten wachten op duidelijkheid in de vorm van een uitspraak.
28. Als uitgangspunt geldt dat in beroepszaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale procedurelengte van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep bij de rechtbank twee jaar en de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling ook twee jaar duren. De redelijke termijn vangt dan aan bij ontvangst van het ingediende beroepschrift. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen.
29. Het (pro forma) beroepschrift van eisers in 23/396 is ingediend op 16 januari 2023 en bij de rechtbank ontvangen op 19 januari 2023. Nu sinds de ontvangst van het beroepschrift op 19 januari 2023 ten tijde van deze uitspraak drie jaar en (naar boven afgerond) twee maanden zijn verstreken, is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan in het licht van de hier bedoelde criteria deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dit betekent dat de procedure circa 14 maanden te lang heeft geduurd. Nu de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van de schadevergoeding worden veroordeeld. Gelet op het beleid ter zake behoeft de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in dit geval niet in de procedure te worden betrokken.
30. Uitgaande van een uit de jurisprudentie af te leiden vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het in principe aan elk van eisers in 23/396 toe te kennen bedrag aan schadevergoeding in beginsel € 1.500,00.
De gemachtigde van eisers acht het getuigen van een onjuiste rechtsopvatting om de financieel beperkte immateriële schadevergoeding naar rato te verdelen over de verschillende eisers, omdat de impact van de windturbines op het woon- en leefklimaat en hun gezondheid niet dient te worden onderschat (gedeelde smart is volgens hem in dit geval geen halve smart). De rechtbank begrijpt het verzoek aldus dat daarmee is bedoeld te bereiken dat de rechtbank geen toepassing geeft aan de jurisprudentie, zoals daarvan onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, [11] inhoudende dat het gezamenlijk instellen van een beroep aanleiding is om het bedrag aan schadevergoeding te matigen in die zin dat het berekende bedrag wordt verdeeld over alle betrokken eisers.
31. Naar het oordeel van de rechtbank dient wat de gemachtigde van eisers in 23/396 heeft aangevoerd niet ertoe te leiden dat niet de standaard jurisprudentie wordt toegepast, omdat het bij de daarin beschreven matiging niet gaat om de (materiële) gevolgen van het bestreden besluit (de weigering van intrekking van de omgevingsvergunningen voor het Windpark Ospeldijk), laat staan van het onderliggende besluit (de omgevingsvergunningen) maar om de gevolgen (stress, ongemak en onzekerheid) door de te lange duur van deze procedure die met het besluit van 22 november 2022 aan de rechtbank is voorgelegd en de matigende invloed die het samen deelnemen als partij daarop gehad. Dat betekent dat de omstandigheid dat eisers gezamenlijk als partijen aan de procedure 23/396 hebben deelgenomen, aanleiding is het berekende bedrag aan de hand van die jurisprudentie te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt verdeeld over hen.
32. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) wordt gelet op het voorgaande tot betaling van een bedrag van in totaal € 1.500,00 aan eisers in 23/396 gezamenlijk veroordeeld, als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, met dien verstande dat de betaling van het volledige bedrag aan schadevergoeding aan een van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Conclusie

33. De beroepen zijn gegrond gelet op wat onder 16 in deze uitspraak is geoordeeld. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gelet op wat onder 17 en verder is geoordeeld.
34. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht per zaak vergoedt.
35. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht per zaak voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
36. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Daarom komen eisers in zaak 23/396 tevens in aanmerking voor een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van het daarop gerichte verzoek. Hiervoor kent de rechtbank eisers 1 punt voor verleende rechtsbijstand toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934,00 en een wegingsfactor 0,5. De vergoeding bedraagt dus € 467,00, te betalen door de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers in 23/396 betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep in de zaak 23/248, voor zover dit is ingediend door [eiser 4] en [eiser 8] , niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen voor het overige gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan eisers in 23/396 een vergoeding te betalen voor immateriële schade van (totaal) € 1.500,00, met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,00 per zaak (voor 23/220 en voor 23/248) en € 184,00 (voor zaak 23/396) aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,00 per zaak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van eisers in 23/396 in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, tot een bedrag van € 467,00, met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders (voorzitter), en mr. K.M.J.A. Smitsmans en mr. C. Drent, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 4 maart 2026
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 4 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021 ECLI:NL:RVS:2021:953.
4.Uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3745, onder 16.2 en 16.3
5.Uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3744, onder 17.2 en 17.3
7.Uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, onder 39 t/m 45, 49 en 60.
9.ECLI:NL:RVS:2025:1862, onder 13.1 en 13.6.
10.ECLI:NL:RVS:2025:1953, onder 24.