ECLI:NL:RBLIM:2026:1580

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
ROE 26/249
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 18 PwArt. 3 lid 3 PwArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandaanvraag na gezamenlijke huishouding; voorlopige voorziening voor woonlasten

Verzoekster had eerder bijstand ontvangen als alleenstaande, maar deze werd ingetrokken vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner. Na een nieuwe aanvraag bijstand naar alleenstaandennorm werd deze afgewezen door het college, omdat uit onderzoek bleek dat verzoekster en haar partner feitelijk een gezamenlijke huishouding voeren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar situatie zodanig is gewijzigd dat zij recht heeft op bijstand als alleenstaande. De woon- en leefsituatie vertoont nog steeds kenmerken van gezamenlijke huishouding, zoals gezamenlijk eten, wassen en zorg voor de kinderen.

Desondanks acht de voorzieningenrechter vanwege de zeer bijzondere omstandigheden, waaronder de ongeschiktheid van de woningen om samen te wonen en de financiële situatie van verzoekster, het noodzakelijk dat het college een voorlopige voorziening treft. Het college wordt opgedragen een voorschot te verstrekken ter hoogte van de netto woonlasten van verzoekster tot het moment dat het college beslist op haar nieuwe aanvraag.

De uitspraak benadrukt dat het besluit van het college juridisch juist is, maar dat de belangen van verzoekster en haar gezin tijdelijk moeten worden beschermd. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet een voorschot op de woonlasten verstrekken tot de beslissing op de nieuwe aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/249

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[naam], uit Heerlen, verzoekster

(gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, het college
(gemachtigde: mr. S. Garritsen en mr. M. Coolen).

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) na een eerdere intrekking van de bijstand vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat de afwijzing van de aanvraag naar verwachting standhoudt in bezwaar, treft zij toch een voorlopige voorziening gelet op de zeer bijzondere omstandigheden.

Procesverloop

Met een besluit van 18 november 2025 heeft het college de aanvraag van verzoekster om bijstand afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepsprocedure 25/1986. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de heer [naam] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De feiten
1. Verzoekster ontving sinds 26 mei 2021 bijstand naar de norm van een alleenstaande. Met een besluit van 13 maart 2025 heeft het college de bijstand van verzoekster ingetrokken vanaf 1 januari 2023. Na bezwaar heeft het college met het besluit van 11 juli 2025 de bijstand ingetrokken met ingang van 16 januari 2025. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert [naam]. De te beoordelen periode in die zaak loopt van 16 januari 2025 tot en met 13 maart 2025. Tegen het besluit van 11 juli 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld. Dit is de zaak met procedurenummer 25/1986.
2. Verzoekster heeft zich op 22 september 2025 gemeld om bijstand aan te vragen en op 15 oktober 2025 de aanvraag ingediend. Zij heeft bijstand aangevraagd naar de norm van een alleenstaande. Verzoekster en haar vier minderjarige kinderen staan in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven op de [adres]. Verzoekster staat onder bewind. Zij heeft een relatie met [naam], die met zijn minderjarige zoon in de Brp staat ingeschreven op de [adres].
3. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college opnieuw onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van verzoekster. De sociale recherche heeft waarnemingen verricht en gesproken met verzoekster.
3.1.
De sociale recherche heeft onder meer waargenomen dat niet alleen de zoon van [naam], maar ook de kinderen van verzoekster vanuit zijn woning naar school gaan en daar terugkeren. Bij aankomst en vertrek gaat verzoekster niet haar eigen woning, maar telkens de woning van [naam] binnen. Verder heeft de sociale recherche waargenomen dat verzoekster boodschappen heeft en deze boodschappen naar de woning van [naam] brengt. Zij loopt met een volle wasmand van haar woning naar zijn woning. [naam] maakt van zowel zijn als haar vuilnisbakken gebruik en zet deze, als ze vol zijn, van zijn woning bij haar woning neer.
3.2.
Tijdens een gesprek op 12 november 2025 verklaarde verzoekster onder meer dat zij en [naam] de hele dag samen zijn. Zij slapen ieder in hun eigen woning, behalve in het weekend. Verzoekster en haar oudste dochter delen een slaapkamer in haar woning en deze dochter slaapt wel eens alleen in de woning. De zoon van verzoekster en de jongste dochter slapen in het weekend ook bij [naam]. Verzoekster, [naam] en de kinderen eten samen in zijn woning. Verzoekster gaat ’s avonds, wanneer de kinderen slapen, naar [naam] om te roken. Zij en haar kinderen hebben de laatste twee weken bij [naam] gegeten om financiële redenen. Daarvoor, toen zij leefgeld ontving, heeft zij met de kinderen thuis gegeten. Verzoekster kookt liever in de woning van [naam] omdat daar het gasfornuis hoger staat. Zij haalt, ook voor [naam], de boodschappen en hij betaalt zijn gedeelte aan boodschappen contant aan haar terug. Zij zoekt in zijn woning de boodschappen uit en neemt haar boodschappen mee naar haar woning. Verzoekster maakt haar eigen woning schoon en samen met [naam] zijn woning, omdat zij daar genoeg vuil maakt. Verzoekster wast bij [naam] omdat zij geen wasmachine heeft. Zij droogt de was in haar eigen woning. Zij wast de was van [naam] mee als er plek in de machine is. De kleding van verzoekster ligt in haar woning en er liggen kleding en verzorgingsproducten van haar bij [naam]. Na etenstijd doucht zij haar zoontje bij [naam]. Bij [naam] ligt een sleutel van verzoekster. Zij en haar oudste dochter hebben een sleutel van zijn woning.
4. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 18 november 2025 afgewezen. Hieraan heeft het college artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag gelegd. Uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat er geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden zijn die leiden tot een andere beoordeling.
Verzoeksters standpunt
5. Verzoekster voert aan dat zij, na de eerdere intrekking van de bijstand per 16 januari 2025, een stapje terug heeft gedaan in de relatie met [naam] en haar aanwezigheid in zijn woning. Zij zijn nog steeds een hecht stel en hopen in de toekomst te gaan samenwonen. Omdat ze praktisch buren zijn, is het logisch dat er een grote verwevenheid is tussen beide gezinnen. Maar zij heeft hoofdverblijf in haar eigen woning, zoals [naam] dat in zijn woning heeft. Verzoekster staat onder bewind en ontvangt leefgeld, zij moet rondkomen van de bijstand. Het zou onzinnig zijn om apart te eten, losse wasjes te draaien, de kinderen apart weg te brengen en apart van elkaar boodschappen te doen. Verzoekster en [naam] willen dolgraag samenwonen, maar hun woningen zijn daarvoor niet geschikt vanwege de grootte van hun gezinnen. Dit mag daarom ook niet van de woningbouwvereniging.
Toetsingskader voorzieningenrechter
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
7. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat het geval.
Gezamenlijke huishouding en gewijzigde omstandigheden
8. De te beoordelen periode loopt van 22 september 2025 (datum melding) tot en met 18 november 2025 (datum besluit).
9. Indien periodieke bijstand is ingetrokken, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Degene die een aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande indient nadat de bijstand eerder is ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en die – al dan niet onder aanwending van rechtsmiddelen tegen die intrekking – volhoudt dat geen sprake is of is geweest van een gezamenlijke huishouding, kan in beginsel volstaan met de onderbouwde stelling dat de (vermeende) partner op een ander adres woont. Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om nader onderzoek te verrichten indien het aan de juistheid van deze stelling twijfelt. [1]
10. Over de te beoordelen periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Daarom is artikel 4:6 van Pro de Awb in dit geval niet van toepassing. Het toetsingskader luidt, zoals hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 9. Ondanks dat verzoekster haar stelling, dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, bij de melding en de aanvraag niet heeft onderbouwd, heeft het college aanleiding gezien om nader onderzoek te verrichten. Het college heeft waarnemingen verricht en verzoekster gehoord over haar woon- en leefsituatie. De vraag die moet worden beantwoord is of verzoekster heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden, zodanig dat wel wordt voldaan aan de voorwaarden voor bijstand.
11. Verzoekster is daarin naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd. Daarbij is het volgende van belang.
11.1.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van en bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. [2]
11.2.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het maakt daarbij niet uit als betrokkenen staan ingeschreven op verschillende adressen. Het tweede criterium is de wederzijdse verzorging.
11.3.
De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak in de beroepsprocedure van verzoekster. In die uitspraak oordeelt de rechtbank dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekster en [naam] in de periode van 16 januari 2025 tot en met 13 maart 2025 een gezamenlijke huishouding voerden.
11.4.
Uit de opnieuw verrichte waarnemingen en het verhoor van verzoekster komt naar voren dat haar woon- en leefsituatie ten opzichte van de vorige beoordelingsperiode niet onderbouwd en controleerbaar is gewijzigd. Uit de waarnemingen en het verhoor van verzoekster blijkt dat zij de dag samen doorbrengen in de woning van [naam], gezamenlijk de maaltijden nuttigen en ook ’s avonds samen zijn. In de weekenden slapen verzoekster, [naam] en de twee jongste kinderen van verzoekster in de woning van [naam]. Overdag zijn ook de kinderen in de woning van [naam]. Uit de verklaring van verzoekster en de waarnemingen blijkt eveneens dat (nog steeds) sprake is van wederzijdse verzorging. Zo komt onder meer naar voren dat verzoekster de boodschappen haalt en de woning van [naam] schoonmaakt. [naam] brengt de kinderen naar school. De woning van [naam] is de plek waar voor beide gezinnen het zwaartepunt van het persoonlijk leven ligt.
11.5.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij op dit moment nóg veel meer thuis is dan eerst. Dit speelt echter pas na de te beoordelen periode, die in deze zaak loopt tot en met 18 november 2025.
12. Uit voorgaande overwegingen volgt, dat het college de aanvraag van verzoekster om bijstand naar de norm van een alleenstaande terecht heeft afgewezen.
Bijzondere situatie
13. Verzoekster heeft aangevoerd dat het college een ongerechtvaardigde inbreuk op haar recht op privé- en familieleven als neergelegd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden maakt. Daarnaast heeft verzoekster betoogd dat college handelt in strijd met artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind. Verzoekster en [naam] willen graag samenwonen, maar op dit moment is dat niet mogelijk. Beide woningen zijn daarvoor ongeschikt. Door de aanvraag om bijstand af te wijzen, mengt het college zich op ongeoorloofde wijze in het privé- en familieleven van verzoekster. En heeft het college zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen.
14. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is voor verzoekster en [naam] niet mogelijk om gezamenlijk bijstand aan te vragen. [naam] ontvangt namelijk een IVA-uitkering van het Uwv. Deze uitkering ligt op bijstandsniveau voor een alleenstaande. Het Uwv kan deze uitkering met toeslagen aanvullen tot de norm voor gehuwden, maar dat is alleen mogelijk als verzoekster en [naam] op hetzelfde adres in de Brp staan geregistreerd. Verzoekster mag zich echter niet Brp inschrijven op het adres van [naam], omdat zijn woning niet geschikt is voor verzoekster en haar vier minderjarige kinderen. De meest voor de hand liggende oplossing is dat verzoekster en [naam] verhuizen naar een geschikte woning. Vorig jaar heeft de woningbouwvereniging een woning aangeboden, maar die hebben verzoekster en [naam] geweigerd. Op dit moment zijn de gesprekken met de woningbouwvereniging weer opgepakt, om een geschikte woning aan te bieden in combinatie met een stukje begeleiding via Housing First. Ter zitting hebben verzoekster en [naam] verklaard hieraan hun medewerking te verlenen.
15. Op dit moment wordt dus gewerkt aan een oplossing voor de toekomst, zodat beide gezinnen als één gezin kunnen samenleven in één woning. Maar dat is nu nog niet de realiteit. De actuele situatie is volgens verzoekster dat zij haar gedrag noodgedwongen zodanig heeft aangepast, dat zij minder bij [naam] is dan eerst en ook maaltijden nuttigt in haar eigen woning. Zij heeft zich in januari 2026 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Het college moet hierop nog beslissen.
16. Ten tijde van de zitting was nog niet duidelijk wanneer zal worden beslist op de melding van januari 2026, ook omdat nog stukken moesten worden opgevraagd en beoordeeld. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de vraag opgeworpen of, gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval, er ruimte bestaat om af te stemmen. Op grond van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Pw is het college hiertoe bevoegd als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.
17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze zeer bijzondere omstandigheden zich op dit moment voordoen. De voorzieningenrechter zal daarom de voorziening treffen dat het college vanaf de datum van de uitspraak bij wijze van voorschot bijstand verstrekt, ter hoogte van de netto woonlasten verzoekster. De bewijslast om aannemelijk te maken dat zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen, rust op verzoekster. Maar uit praktische overwegingen schat de voorzieningenrechter de hoogte van deze netto woonlasten op een maandelijks bedrag van € 600,-. Dit is in lijn met het bedrag dat ter sprake kwam tijdens de zitting. In het kader van de nieuwe melding/aanvraag zullen verzoekster en haar bewindvoerder sowieso dergelijke informatie moeten verstrekken. De einddatum van deze voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter bepalen op de datum waarop het college op de melding van verzoekster van januari 2026 heeft beslist. Door de voorziening te limiteren in tijd en te koppelen aan de beoordeling van de nieuwe melding, brengt de voorzieningenrechter tot uitdrukking dat het college met het besluit van 18 november 2025 een juridisch juist besluit heeft genomen.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, op de wijze zoals in rechtsoverweging 17 is uiteengezet.
19. Hoewel de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bestaat voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat onvoldoende aanleiding. Uit rechtsoverwegingen 8 tot en met 12 volgt dat het besluit van 18 november 2025 naar verwachting standhoudt in bezwaar. In het kader van de belangenafweging, gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van het geval, wijst de voorzieningenrechter de voorziening toe, ondanks dat verzoekster deze informatie niet heeft ingebracht. Een veroordeling van het college in de proceskosten is dan niet passend.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • treft de voorziening dat het college bij wijze van voorschot een maandelijks bedrag van € 600,- aan verzoekster betaalt vanaf de uitspraakdatum tot en met de dag waarop het college het besluit waarbij is beslist op de melding/aanvraag van januari 2026 heeft bekendgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Schrammen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
De griffier is buiten staat
de uitspraak mede te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 februari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2972) en van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:830.
2.Dit staat in artikel 3, derde lid, van de PW.