ECLI:NL:RBLIM:2025:12570

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/2777
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening bijstandsuitkering wegens schending medewerkingsverplichting en hoofdverblijf

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg op 17 december 2025, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster had een aanvraag voor bijstandsuitkering ingediend op basis van de Participatiewet (PW), maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek heeft deze aanvraag afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op de schending van de medewerkingsverplichting door verzoekster, die een gesprek met het college vroegtijdig had verlaten, en het feit dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. De voorzieningenrechter oordeelde dat de schending van de medewerkingsverplichting niet automatisch leidde tot de afwijzing van de aanvraag, maar dat verzoekster niet voldoende bewijs had geleverd voor haar hoofdverblijf op het opgegeven adres. De voorzieningenrechter benadrukte dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat verzoekster niet had aangetoond dat haar persoonlijke leven zich op het opgegeven adres afspeelde. De voorzieningenrechter concludeerde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2777

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2025 in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek, het college

(gemachtigde: mr. A.J.M. Roestenberg).

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster de medewerkingsverplichting heeft geschonden en omdat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met een besluit van 30 oktober 2025 heeft het college de aanvraag van verzoekster om bijstand niet in behandeling genomen.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Met een besluit van 8 december 2025 heeft het college de aanvraag van verzoekster om bijstand afgewezen.
1.3.
Verzoekster heeft een nadere reactie ingediend.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van de besluitvorming
2. Verzoekster heeft zich op 4 september 2025 gemeld om bijstand aan te vragen. Zij heeft op 25 september 2025 een aanvraag ingediend. Het college heeft diverse stukken opgevraagd, die verzoekster niet allemaal had verstrekt. Met het besluit van 30 oktober 2025 had het college de aanvraag buiten behandeling gesteld.
3. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verzoekster alsnog voldoende gegevens verstrekt om de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Op 8 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden om de aanvraag te bespreken. Bij dit gesprek waren aanwezig een sociaal rechercheur, de casemanager, verzoekster en de moeder van verzoekster.
4. Het college heeft met een besluit van 8 december 2025 de aanvraag afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster de medewerkingsverplichting heeft geschonden door het gesprek van 8 december 2025 vroegtijdig te verlaten. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het hoofdverblijf van verzoekster niet in de gemeente Beek is.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. [1]
6. Verzoekster heeft hierover aangevoerd dat zij in acute financiële nood verkeert. Ze kan haar vaste lasten niet langer betalen. Verzoekster leeft sinds september noodgedwongen van kleine bedragen contant geld van vrienden en familie. De voorzieningenrechter neemt de vereiste spoedeisendheid aan.
Afwijzing van de aanvraag
7. Omdat het college een gewijzigd besluit heeft genomen, beoordeelt de voorzieningenrechter alleen het besluit van 8 december 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
8. De te beoordelen periode loopt van 4 september 2025 (datum melding) tot en met
8 december 2025 (datum besluit).
9. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
10. De voorzieningenrechter is niet zeker of de schending van de medewerkingsverplichting een voldoende grondslag vormt om de afwijzing van de aanvraag te dragen. Daarbij is het volgende van belang.
10.1.
Schending van de medewerkingsverplichting [2] kan alleen leiden tot afwijzing van de aanvraag, als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Uit het gespreksverslag van 8 december 2025 blijkt welke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Uit het gespreksverslag blijkt dat verzoekster en haar moeder het gesprek hebben verlaten nadat de medewerkers van de gemeente hadden uitgelegd dat de feitelijke woonsituatie moet overeenkomen met de opgegeven situatie en nadat is aangegeven dat verzoekster misschien mogelijkheden heeft voor werk. Maar uit het gespreksverslag blijkt ook dat de inhoudelijke vragen die de medewerkers nog wilden stellen, daadwerkelijk zijn gesteld en ook zijn beantwoord. De vragen die onbeantwoord zijn gebleven zijn de afrondende vragen, zoals: “Heb je alle vragen begrepen?” en “Ben je goed behandeld tijdens dit gesprek?”. Het college heeft de antwoorden op deze vragen niet nodig om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Dat verzoekster het gesprek heeft verlaten, voordat het gesprek was beëindigd, is een schending van de medewerkingsverplichting. Maar het betekent in dit geval niet dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
10.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het college naar voren gebracht dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat het de bedoeling was om aansluitend aan het gesprek een huisbezoek te verrichten op het opgegeven adres. Dit was niet meer mogelijk en daardoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.
10.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat dit als zodanig niet is benoemd in het besluit van 8 december 2025. Wel kan het college deze grondslag nog aanvullen in de nog te nemen beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter is niet zeker of deze grondslag de afwijzing van de aanvraag kan dragen. Dat verzoekster het gesprek heeft verlaten, betekent op zichzelf nog niet dat zij ook haar medewerking aan een huisbezoek weigerde. Dat het plan was om een huisbezoek af te leggen, volgt op zich wel uit het gespreksverslag, maar dit was nog niet geconcretiseerd. Ook is niet gebleken of op een later moment alsnog is geprobeerd om een huisbezoek af te leggen op het opgegeven adres. Het college zal zich over deze grondslag nog nader moeten uitlaten in de te nemen beslissing op bezwaar.
11. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het besluit van 8 december 2025 zo moet worden begrepen, dat de subsidiaire grondslag van de afwijzing is, dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze grondslag naar verwachting zal standhouden. Daarbij is het volgende van belang.
12.1
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast rust dus in beginsel op de aanvrager.
12.2.
Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Als betrokkene geen hoofdverblijf heeft, is de woonplaats de plaats waar hij daadwerkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [3]
12.3.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Zij staat in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het opgegeven adres. Haar spullen staan op het adres, ze wil er wonen en mag dit ook van de eigenaar (zonder huur te betalen), maar ze kan daar niet verblijven door omstandigheden buiten haar schuld. In de woning is veel schimmel, er is een defecte ketel, door een groot lek is er geen water in de woning, zodat ze geen gebruik kan maken van het toilet. Het is een onleefbare situatie en daarom verblijft zij bij vrienden in Maastricht en bij haar familie in Brabant. Dat er geen pinbetalingen zijn in de gemeente, komt omdat verzoekster geen geld meer heeft dat gepind kan worden.
12.4.
Om de feitelijke woonsituatie te beoordelen moet worden gekeken naar de concrete feiten en omstandigheden en of verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat het hoofdverblijf op het opgegeven adres is. Dat verzoekster in de BRP staat ingeschreven op het opgegeven adres, is niet doorslaggevend. Doorslaggevend is de plek waar verzoekster het zwaartepunt van haar persoonlijk leven heeft. Uit de gedingstukken blijkt niet dat deze plek op het opgegeven adres is. Verzoekster heeft zelf verklaard dat de woning onbewoonbaar is, omdat er geen water is. Ze heeft ook verklaard dat zij er sowieso niet graag is, omdat zij niemand kent in de buurt. De afgelopen tijd is zij één week tot hooguit tien dagen per maand in de woning op het opgegeven adres geweest. Haar sociale leven speelt zich af in Maastricht. Deze verklaring vindt steun in de overgelegde bankafschriften. Van de pinbetalingen die op de bankafschriften zijn te zien (bijvoorbeeld op 14, 15, 16, 22, 24, 26, 27 en 30 oktober), vindt er geen enkele plaats in de gemeente Beek. Dat de spullen van verzoekster zijn opgeslagen in de woning, is niet onderbouwd met stukken (bijvoorbeeld foto’s), maar ook als dit zou vast komen te staan, is de opslag van spullen onvoldoende om aan te nemen dat op het opgegeven adres het zwaartepunt van het persoonlijke leven van verzoekster ligt.
12.5.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in de te beoordelen periode had op het opgegeven adres. Mogelijk kan zij dit in bezwaar alsnog aannemelijk maken, maar op dit moment beschikt de voorzieningenrechter niet over aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

Conclusie en gevolgen

13. De conclusie is dat het college de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Van verzoekster is geen griffierecht geheven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 december 2025.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 17, tweede lid, van de PW.
3.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038 en van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3110.