Eiser, een in Nederland wonende zelfstandige advocaat werkzaam in Duitsland, kreeg een AOW-uitkering toegekend met een korting vanwege niet-verzekerde jaren. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste deze korting met terugwerkende kracht aan op basis van nieuwe informatie van Duitse instanties, waardoor de korting toenam van 84% naar 86%. Eiser betwistte de wijziging en stelde dat het pensioenoverzicht bindend was en dat het Verletztengeld dat hij ontving niet als loonvervangende uitkering moest worden gezien.
De rechtbank oordeelde dat een pensioenoverzicht niet bindend is voor de toekomst en dat de Svb verplicht is de AOW-uitkering aan te passen bij gewijzigde verzekeringsgegevens. De rechtbank volgde de Svb in het standpunt dat zij moest uitgaan van de door de Duitse instanties aangeleverde informatie en dat het niet aan de Nederlandse rechter is om de rechtmatigheid van Duitse besluiten te toetsen.
De rechtbank concludeerde dat de Svb terecht de niet-verzekerde periodes had aangepast en dat eiser geen concrete beroepsgronden had tegen de terugvordering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.