Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2023
in de zaak tussen
[eiser] , eiser, uit [woonplaats] ,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
november 2020. Daarbij is op 30 april 2021 gesproken over een leenbijstand van ongeveer € 30.000,00, gebaseerd op de WOZ bepaling in 2020. Uit het dossier volgt verder, in tegenstelling van wat eisers beweren, duidelijk dat eisers hiermee niet akkoord wilden en zijn gegaan, omdat zij dit bedrag te hoog vonden. De rechtbank acht daarbij voldoende aannemelijk dat eisers daarbij hun melding of aanvraag, de rechtbank laat in het midden wat op dat moment de status was, nadrukkelijk hebben ingetrokken. Dit volgt uit:
U gaf echter aan, dat u van deze mogelijkheid geen gebruik wil maken, en u dat u de bijstandsaanvraag bij ISDBOL intrekt.”
“U heeft te kennen gegeven uw aanvraag van 09 februari 2021 met het verzoek om uitkering ingevolge de Participatiewet (Aanvraag Levensonderhoud) te willen intrekken. Wij verzoeken u dit schriftelijk te bevestigen.” [4]
november 2020heeft gehanteerd, terwijl eisers zich pas op 9 februari 2021 bij verweerder hebben gemeld. Verweerder heeft desverzocht ter zitting aangegeven dat hij de financiële situatie van eisers dermate schrijnend vond, dat hij voornemens was de bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken de verzochte ingangsdatum 1 november 2020. Op zich is die gedachte sympathiek, maar in dit geval pakt dit voor eisers wel bijzonder ongunstig uit. De WOZ waarde in 2020 was namelijk hoger dan de WOZ waarde in 2021. Dat brengt mee dat waar eisers in november 2020 ongeveer € 30.000,00 aan leenbijstand konden krijgen, dit in februari 2021 nog maar € 3.075,40 was. Volgens eisers was dit laatste bedrag voor hen wel acceptabel, hetgeen de rechtbank ook aannemelijk acht, gelet op het feit dat zij voor dit bedrag in december 2021 ook een hypotheek hebben laten vestigen ten behoeve van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet zorgvuldig gehandeld door, ondanks de bekendheid met de ernstige bezwaren van eisers én de bekendheid met hun kennelijk erg zorgwekkende financiële situatie, in april 2021 enkel de situatie per november 2020 te onderzoeken en niet ook op 9 februari 2021 – het wettelijk uitgangspunt. Daarbij acht de rechtbank relevant dat ten tijde dat het formulier vermogensvaststelling is opgesteld (op 12 februari 2021) de WOZ beschikking van 26 februari 2021 weliswaar nog niet bekend was, maar op 30 april 2021 – toen de voorwaarden voor de bijstandsuitkering van eisers met hun werden besproken – wel. Op basis van het beleid van verweerder had verweerder die voor eisers gunstigere WOZ-beschikking ter vaststelling van de vermogensvaststelling de dato 9 februari 2021 kunnen en ook moeten betrekken. Dat eisers op dat moment in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden en dat hun financiële situatie bovendien kennelijk schrijnend was, was immers niet in geschil.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2022;
- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van deze uitspraak binnen 8 weken na heden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag € 2.092,50;
- bepaalt dat verweerder het in beroep betaalde griffierecht van € 50,00 vergoedt.