Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2023 in de zaak tussen
Jachthaven “De Koeweide B.V.”, eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
6. (...) Deze toetsing houdt in dat algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn, door de rechter kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer.
Hiertoe is besloten omdat het college van mening is dat het niet terecht is om leden van watersportverenigingen, die niet als toerist in onze gemeente aanwezig zijn, hiervoor te belasten. Een watersportvereniging heeft water nodig, dit bevindt zich niet in iedere gemeente. Het is dus logisch dat er veel leden uit andere gemeenten bij de verenigingen in Maasgouw sporten. Maasgouw heeft hierin een bovengemeentelijke functie. Tenslotte worden leden van andere Maasgouwse sportverenigingen (b.v. tennis of voetbal) van buiten de gemeente, hiervoor ook niet aangeslagen. Daarnaast maken die leden ook nog eens gebruik van door de gemeente gefinancierde voorzieningen.”
Hoewel de rechtbank de gedachtegang dat watersportverenigingen daar zijn om hun leden bij de uitoefening van een watersport te faciliteren en jachthavens louter recreatief gebruik mogelijk maken kan volgen, acht de rechtbank door eiseres weerlegd dat in het daadwerkelijke gebruik een onderscheid kan worden aangenomen. Op beide type locaties zijn zowel zeilboten als gemotoriseerde vaartuigen aanwezig en niet blijkt dat daar, afhankelijk van of sprake is van een jachthaven of een watersportvereniging, een ander gebruik aan wordt gegeven. Ook is niet gebleken van door een watersportvereniging georganiseerde wedstrijden of competities, zodat ook daarin geen onderscheid kan worden gevonden. Dit betekent dat de raad in dit geval in redelijkheid niet van de ervaringsregel mocht uitgaan dat leden van watersportverenigingen een sport uitoefenen en gebruikers van jachthavens dat niet doen en een louter recreatief oogmerk hebben.
De motivering van de vrijstelling houdt echter niet alleen verband met de aard van het gebruik, ook de persoon van de gebruiker is voor het college een motief om de vrijstelling van leden van watersportverenigingen voor te stellen. De rechtbank acht op dat punt aannemelijk dat leden van watersportverenigingen, anders dan gebruikers van een jachthaven, over het algemeen uit de regio afkomstig zijn en zij niet vanwege toeristische redenen van de ligplaats gebruik maken. Het vorenstaande afwegend komt de rechtbank, gelet op de beperkte toets die zij kan en mag aanleggen, tot het oordeel dat watersportverenigingen en jachthavens niet gelijk aan elkaar zijn en daarom van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. De rechtbank ziet daarom geen grond om de Verordening vanwege strijd met een algemeen rechtsbeginsel onverbindend te verklaren.