Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
verdachteverklaarde ter zitting van 13 juni 2023 – zakelijk weergegeven – als volgt:
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
Ik ga hem nog tegenkomen. Hij gaat ballas eten”. Het is, naar het oordeel van de rechtbank, een feit van algemene bekendheid dat
ballasin straattaal
kogelsbetekent. Een onmiskenbare bedreiging aldus richting de verdachte, geuit door het slachtoffer. Op het moment dat het slachtoffer op enig moment naar zijn schoudertasje greep, mocht de verdachte – gelet op de eerdere, expliciete bedreiging met kogels – denken dat het slachtoffer een vuurwapen uit zijn tasje zou trekken. Er was derhalve sprake van een verschoonbare dwaling aan de zijde van de verdachte.
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[Slachtoffer 1]heeft verzocht om een schadevergoeding van € 12.892,16 ter zake van feit 1. Deze vordering bestaat voor € 2.892,16 aan materiële schade en voor € 10.000,00 aam immateriële schade. De gestelde materiële schade bestaat uit medische kosten, reis- en parkeerkosten, kledingschade en ziekenhuisvergoeding.
[Slachtoffer 2]heeft verzocht om een schadevergoeding van € 1.470,00, bestaande uit materiële schade, ter zake van feit 2.
[Slachtoffer 3]heeft verzocht om een schadevergoeding van € 598,95, bestaande uit materiële schade, ter zake van feit 2.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het primair tenlastegelegde feit 1 en de feiten 2 tot en met 4 tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijstde vordering van de
benadeelde partij [Slachtoffer 1]ter zake van feit 1 primair
gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 12.449,66, bestaande uit € 2.449,66 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van [Datum 1] 2022 tot aan de dag van algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij voor het
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [Slachtoffer 1] , een bedrag van € 12.449,66, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van [Datum 1] 2022 tot aan de dag van algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 97 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- wijstde vordering van de
benadeelde partij [Slachtoffer 2], ter zake van feit 2
toeen veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 1.470,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van [Datum 1] 2022 tot aan de dag van algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] , een bedrag van € 1.470,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van [Datum 1] 2022 tot aan de dag van algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- wijstde vordering van de
benadeelde partij [Slachtoffer 3], ter zake van feit 2
toeen veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 598,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van [Datum 1] 2022 tot aan de dag van algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] , een bedrag van € 598,95, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van [Datum 1] 2022 tot aan de dag van algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.