De rechtbank Limburg behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin werd bepaald dat eiser zijn inburgeringslening van €9.720,35 moet terugbetalen. Het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 11 juli 2019 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Eiser voerde aan het besluit niet te hebben ontvangen en dat het terug te betalen bedrag onevenredig hoog is.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van 11 juli 2019 rechtsgeldig is verzonden en dat eiser onvoldoende feiten had gesteld die ontvangst betwijfelen. De termijnoverschrijding was niet verschoonbaar, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister bij het besluit van 19 maart 2021 niet had getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en eiser niet had gehoord, wat wel had moeten gebeuren.
De rechtbank overwoog dat de wet ruimte biedt voor maatwerk bij terugvordering van de lening en dat een volledige terugvordering niet automatisch verplicht is. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom geen gedeeltelijke kwijtschelding mogelijk was, terwijl eiser een ontheffing had gekregen voor een onderdeel van de inburgering en andere onderdelen tijdig had afgerond.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard, en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.