Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair) dan wel heeft geprobeerd om aan hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
subsidiair) door hem met een mes in het lichaam te steken;
3.De beoordeling van het bewijs
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) en [naam 3] hield. Ze zag dat de jongen met het mes in de richting van de borst van [slachtoffer 1] stak. Eenmaal buiten zag [getuige 2] dat [slachtoffer 1] zijn T-shirt open trok en dat hij een wond op zijn borst had. Ze zag dat er allemaal bloed op zijn borst zat. Zijn T-shirt was rood van het bloed. [9]
vol’ opzet.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het onder 1. primair en het onder 2. tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat onder 1. primair of onder 2. meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 4 zijn omschreven;
- verklaart de verdachte daardoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis werd doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijstde vordering van [slachtoffer 1]
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van
€ 2.605,70, bestaande uit € 855,70 wegens materiële schade en € 1.750,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, die van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, aan de zijde van [slachtoffer 1] tot heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.605,70, bestaande uit € 855,70 wegens materiële schade en € 1.750,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op 36 dagen;
- verstaat dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- wijstde vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van
€ 586,18, bestaande uit € 36,18 wegens materiële schade en € 550,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, die van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, aan de zijde van [slachtoffer 2] tot heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 586,18, bestaande uit € 36,18 wegens materiële schade en € 550,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op 11 dagen;
- verstaat dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.