Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaken tussen
19 2144 en 19/3186: [naam 1] , te [woonplaats 1] , eiser,
[naam derde-partij sub 1]en
[naam derde-partij sub 2], te Maastricht.
Procesverloop
Overwegingen
Het feit dat het hier gaat omandergebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, houdt in dat voor een omgevingsvergunning voor een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan voor gebruik dat wel is genoemd in een van die onderdelen, het desbetreffende onderdeel, en niet onderdeel 11, de grondslag voor vergunningverlening dient te zijn. Zo kan een omgevingsvergunning voor een met het bestemmingsplan strijdig bijbehorend bouwwerk ingevolge artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo worden verleend. Dat geldt ook indien het gaat om een vergunning voor de tijdelijke aanwezigheid van het betrokken bijbehorend bouwwerk, ook indien het een tijdsbeloop betreft van meer dan tien jaar. Indien het een planologisch strijdig gebruik betreft dat niet is genoemd in de onderdelen 1 tot en met 10, kan voor een tijdelijk gebruik met een duur van maximaal tien jaar, de vergunning ingevolge artikel 4, onderdeel 11,van bijlage II verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo.”
Bij het verlenen van de vergunning behoeft slechts in voldoende mate aannemelijk te zijn dat het gebruik van het gebouw, na afloop van de gestelde termijn, daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd.” en “
(…) dient bij het verlenen van de vergunning aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.”
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het in de zaken AWB 19/3186 en AWB 19/3190 betaalde griffierrecht van € 174,- aan eiser en € 174,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de zaken AWB 19/3186 en AWB 19/3190 in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,- en van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2020