ECLI:NL:RBGEL:2026:5889

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/8187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.F. Kossen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet IB 2001Art. 8.8 Wet IB 2001Art. 8.9 Wet IB 2001Art. 2.11a Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Navordering gecombineerde heffingskorting en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de eerder uitbetaalde gecombineerde heffingskorting van € 2.888 werd teruggevorderd. De inspecteur had deze navordering opgelegd omdat de partner van belanghebbende een verlies uit aanmerkelijk belang had omgezet in een belastingkorting, waardoor de partner geen inkomensheffing verschuldigd was. Hierdoor was er geen ruimte voor de gecombineerde heffingskorting aan belanghebbende.

De rechtbank oordeelt dat de navordering terecht is, omdat de belastingkorting de inkomensheffing van de partner tot nihil reduceert, waardoor de gecombineerde heffingskorting niet kan worden verhoogd of uitbetaald. Het standpunt van belanghebbende dat de belastingkorting niet als heffingskorting mag worden verrekend, wordt verworpen, mede gelet op de bevestiging van deze systematiek door de Hoge Raad.

Belanghebbende verzocht tevens om een betalingsregeling, maar de rechtbank verklaart zich onbevoegd hierover te oordelen, aangezien dit onder de bevoegdheid van de ontvanger van de Belastingdienst valt. Verder is het beroep tegen de belastingrente van € 21 ongegrond.

Ten slotte heeft belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure gevraagd. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met dertien maanden is overschreden en kent een vergoeding toe van € 1.500, waarvan de inspecteur € 1.038 en de Staat € 462 moet betalen. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: De navordering van de gecombineerde heffingskorting is terecht en het beroep wordt ongegrond verklaard; een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: ARN 24/8187

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , te [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,

en
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 oktober 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij deze navorderingsaanslag is de eerder uitbetaalde heffingskorting van € 2.888 teruggevorderd. Tevens is bij beschikking € 21 aan belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar partner, de heer [partner] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1961. Zij is op [trouwdatum] 1981 gehuwd met de heer [partner] (de partner).
Belanghebbende heeft in 2022 geen belastbaar inkomen. Haar gecombineerde inkomensheffing bedraagt nihil.
Bij de partner is voor het belastingjaar 2020 een verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld van € 15.424. De partner heeft op 7 maart 2023 een verzoek ingediend om dit verlies voor 2022 om te zetten in een belastingkorting.
De inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking van 19 april 2023 het verzoek van de partner toegewezen en de belastingkorting vastgesteld op € 4.150.
Aan de partner is op 12 mei 2023 de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.385. Bij deze aanslag is geen rekening gehouden met de verleende belastingkorting.
Aan belanghebbende is op 27 mei 2023 de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil. Bij deze aanslag is de gecombineerde heffingskorting voor de minstverdienende partner, berekend op € 2.888. Dit bedrag is hierbij ook uitbetaald aan belanghebbende.
De inspecteur heeft bij verminderingsbeschikking van 16 juni 2023 de belastingkorting verrekend en de aanslag IB/PVV 2022 van de partner vastgesteld op nihil.
8. De inspecteur heeft met dagtekening 15 juli 2023 een navorderingsaanslag IB/PVV 2022 aan belanghebbende opgelegd. Hierbij moet belanghebbende de eerder toegekende gecombineerde heffingskorting van € 2.888 terugbetalen.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Partijen verschillen van mening of de inspecteur de uitbetaalde gecombineerde heffingskorting terecht heeft teruggevorderd.
10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is de verhoging van de gecombineerde heffingskorting terecht op nihil gesteld?
11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingskorting ten onrechte is teruggevorderd. De inspecteur heeft ten onrechte rekening gehouden met de belastingkorting van haar partner. De belastingkorting is namelijk geen heffingskorting en mag dan ook niet als heffingskorting in mindering worden gebracht op de door haar partner verschuldigde inkomensheffing.
11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de gecombineerde heffingskorting terecht is teruggevorderd. De belastingkorting maakt deel uit van de berekening van de gecombineerde inkomensheffing, wat ertoe leidt dat de partner over 2022 geen gecombineerde inkomensheffing is verschuldigd. Belanghebbende heeft daardoor geen recht op uitbetaling van de gecombineerde heffingskorting. De inspecteur wijst erop dat deze uitleg meerdere malen door de rechtspraak is bevestigd en dat het standpunt van belanghebbende niet wordt ondersteund door het recht. [1]
13. Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 verstaat onder ‘gecombineerde inkomensheffing’ het totale bedrag aan belasting en premies volksverzekeringen dat moet worden betaald over het in een jaar genoten inkomen. Daarnaast verstaat artikel 8.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 onder ‘gecombineerde heffingskorting’ het totale bedrag aan kortingen dat op deze inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen in mindering mag worden gebracht.
13. Artikel 8.8 van de Wet IB 2001 bepaalt dat de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag bedraagt van de gecombineerde inkomensheffing. Dit betekent dat de korting op de te betalen inkomstenbelasting nooit hoger kan zijn dan het bedrag aan te betalen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
13. Op grond van artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001 kan de minstverdienende partner [2] onder voorwaarden de door artikel 8.8 beperkte gecombineerde heffingskorting verhogen, indien de meestverdienende partner voldoende inkomensheffing betaalt. Dit houdt in dat de minstverdienende partner in bepaalde gevallen meer heffingskorting kan ontvangen dan het bedrag genoemd in artikel 8.8 van de Wet IB 2001.
16. Volgens het tweede lid van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 is deze verhoging beperkt tot maximaal het verschil tussen de gecombineerde inkomensheffing die de partner verschuldigd is en diens eigen gecombineerde heffingskorting. Concreet betekent dit dat wanneer de meestverdienende partner geen inkomensheffing verschuldigd is, de minstverdienende partner geen aanspraak kan maken op een verhoging van de gecombineerde heffingskorting.
16. Artikel 2.11a van de Wet IB 2001 bepaalt dat de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning onder meer wordt verminderd met de belastingkorting. [3]
18. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bij de navorderingsaanslag terecht de uitbetaalde heffingskorting heeft teruggevorderd. De belastingkorting moet worden verrekend met de verschuldigde inkomensheffing over het belastbaar inkomen uit werk en woning. Door deze verrekening bedraagt bij de partner de gecombineerde inkomensheffing nihil en daardoor bestaat geen ruimte voor een verhoging van de gecombineerde heffingskorting. Belanghebbende kan dus geen aanspraak maken op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting en uitbetaling daarvan.
19. Het betoog van belanghebbende dat de belastingkorting als heffingskorting in aanmerking zou zijn genomen, heeft geen feitelijke en juridische basis en kan dus niet tot een ander oordeel leiden. De belastingkorting is immers in aanmerking genomen bij de berekening van de gecombineerde inkomensheffing. De heffingskortingen worden pas daarna in aanmerking genomen bij de bepaling van de gecombineerde heffingskorting. De juistheid van deze systematiek is ook bevestigd door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 18 augustus 2023. [4]
Kan belanghebbende aanspraak maken op een betalingsregeling?
20. Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om een betalingsregeling voor het geval de rechtbank haarongelijk geeft. De rechtbank kan in deze procedure geen uitspraak over een betalingsregeling doen. De ontvanger van de Belastingdienst is namelijk verantwoordelijk voor het innen van belastingschulden. De belastingrechter is niet bevoegd te oordelen over invorderingsmaatregelen, kwijtschelding van aanslagen of een betalingsregeling. Een verzoek tot een betalingsregeling moet dus bij de ontvanger worden ingediend.

Moet de beschikking belastingrente worden verminderd?

21. Het beroep wordt geacht ook betrekking te hebben op de opgelegde beschikking belastingrente van € 21. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebracht belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de beschikking belastingrente.
Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?
22. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [5] In de kern komen die regels op het volgende neer. De redelijke termijn bedraagt in beginsel twee jaar, waarvan zes maanden voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. Bij overschrijding van deze termijn wordt een vergoeding toegekend van € 500 per half jaar overschrijding.
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 10 juli 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) dertien maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen. De redelijke termijn is dus met dertien maanden overschreden. Afgerond is dat drie keer een half jaar. Dit betekent dat een schadevergoeding wordt toegekend van € 1.500 (drie keer een half jaar x € 500). De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 1 oktober 2024. Dit is (afgerond) negen maanden langer dan de termijn van zes maanden die voor de inspecteur geldt. De inspecteur dient daarom 9/13e deel van de vergoeding te betalen, te weten € 1.038. De Staat moet de rest betalen, dus € 462. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

24. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om een betalingsregeling vast te stellen. Het (inhoudelijke) beroep is ongegrond. Wel wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van de immateriële schade toe. Belanghebbende heeft niet verzocht om proceskosten, waardoor zij in ieder geval daarom al geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. Belanghebbende krijgt het griffierecht ook niet terug, omdat het verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn pas ter zitting, en dus na 31 mei 2024, is gedaan. [6]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd ter zake van het verzoek om een betalingsregeling;
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van de immateriële schade aan belanghebbende van € 1.038;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van de immateriële schade aan belanghebbende van € 462.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 17 juli 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Rechtbank Arnhem 26 september 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BF9690.
2.Dit geldt voor belastingplichtigen die geboren zijn vóór 1 januari 1963. Belanghebbende is geboren op 18 oktober 1961. Dit artikel is dan ook van toepassing op belanghebbende.
3.Zie ook Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023::1092, r.o. 4.2-4.3.
4.Zie artikel 2.11a van de Wet IB 2001; zie ook HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1092, r.o. 4.2-4.3
6.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.