ECLI:NL:RBGEL:2026:5306

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/1679 en ARN 26/2533
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking en afwijzing Participatiewet-uitkering wegens niet meewerken aan huisbezoek

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem. Het eerste besluit van 13 november 2025 betrof de intrekking van de Participatiewet-uitkering met ingang van 11 november 2025, vanwege het niet meewerken aan een huisbezoek. Het tweede besluit van 17 april 2026 wees een nieuwe aanvraag voor een uitkering af, eveneens wegens het niet voldoen aan de medewerkingsplicht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht een huisbezoek heeft afgelegd op grond van meldingen van buurtbewoners over mogelijke onderverhuur en het niet wonen op het uitkeringsadres. Verzoeker weigerde inzage te geven in papieren tijdens het huisbezoek, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. Ook bij de nieuwe aanvraag werkte verzoeker onvoldoende mee aan een onaangekondigd huisbezoek, ondanks dat hij via een deurbelcontact kon worden bereikt.

De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht zoals vereist in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet. Hierdoor was het college bevoegd de uitkering in te trekken en de nieuwe aanvraag af te wijzen. De verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen intrekking en afwijzing van de Participatiewet-uitkering wegens niet meewerken aan huisbezoeken worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1679 en 26/2533

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaken tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: F. de Gama en H.J. Knot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 13 november 2025, waarbij het college de Participatiewet (Pw) uitkering van verzoeker heeft beëindigd en ingetrokken met ingang van 11 november 2025, en over het besluit van
17 april 2026, waarbij de aanvraag voor een Pw uitkering is afgewezen. Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 13 november 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker beëindigd en ingetrokken met ingang van 11 november 2025. Handhavers zijn op 11 november 2025 op huisbezoek geweest. Volgens het college heeft verzoeker niet meegewerkt aan dit huisbezoek en heeft hij daarmee de medewerkingsplicht die aan de uitkering is verbonden, geschonden.
2.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
Verzoeker heeft op 30 januari 2026 een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Bij besluit van 26 maart 2026 is deze aanvraag afgewezen.
Het college heeft dit besluit vervolgens vanwege een onjuiste juridische grondslag ingetrokken. Het onderzoek naar het recht op bijstand is hervat.
2.3.
Op 16 april 2026 is een onaangekondigd huisbezoek afgelegd door de handhavers om de woon- en leefsituatie van verzoeker vast te stellen. Bij besluit van 17 april 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet heeft voldaan aan de medewerkingsplicht waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2.4.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Besluit 13 november 2025
3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw, is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
3.1.
Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bestuursorgaan rust. Indien de betrokkene niet of niet voldoende aan de medewerkingsverplichting, vermeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw, voldoet, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [1]
3.2.
Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en de bijstandverlenende instantie deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. [2]
3.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestond er een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Uit de inhoud van de overgelegde stukken, waaronder de rapportage handhaving, en de toelichting van het college op zitting blijkt dat er meldingen zijn gedaan door twee buurtbewoners dat verzoeker niet op het uitkeringsadres zou wonen en dat de woning zou worden onderverhuurd. Omdat verzoeker geen melding heeft gemaakt van wijzigingen in zijn woon- en leefsituatie is een onderzoek ingesteld naar het hoofdverblijf van verzoeker. Uit de rapportage handhaving blijkt dat er vervolgens in totaal 33 post- en volgacties zijn verricht om onder meer het feitelijke verblijfpatroon van verzoeker vast te stellen.
Er zijn sterke aanwijzingen dat verzoeker zijn hoofdverblijf in [plaats 2] heeft en niet op het uitkeringsadres.
Verzoeker is uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 20 oktober 2025 en op
11 november 2025. De afspraak van 11 november 2025 heeft verzoeker kort van tevoren afgezegd. Vervolgens is op 11 november 2025 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Tijdens dit huisbezoek is, om een beeld te krijgen van de woon- en leefsituatie van verzoeker, verzoeker gevraagd om inzage in zijn papieren (administratie/ poststukken) die op het dressoir lagen. Verzoeker heeft geweigerd inzage te geven in de papieren op het dressoir. Verzoeker heeft daarmee onvoldoende medewerking aan het huisbezoek verleend, wat geleid heeft tot het voortijdig beëindigen daarvan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee niet voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting, als gevolg waarvan het college de woon- en leefsituatie van verzoeker onvoldoende heeft kunnen beoordelen en het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. Het college was daarom gehouden de bijstand met ingang van datum huisbezoek in te trekken.
Besluit 17 april 2026
4. Verzoeker heeft op 30 januari 2026 een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Op 16 april 2026 is geprobeerd een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan het opgegeven adres om de woon- en leefsituatie van verzoeker vast te stellen. De aanvraag is afgewezen omdat verzoeker volgens het college niet heeft meegewerkt aan de medewerkingsplicht.
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het aan verzoeker is om bij een nieuwe aanvraag aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een Pw uitkering. Verzoeker dient inlichtingen te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie en mee te werken aan onderzoek. In het geval hij geen inlichtingen verstrekt en/of geen medewerking verleent, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wordt de aanvraag afgewezen.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende onderbouwd dat er een redelijke grond was voor het afleggen voor een onaangekondigd huisbezoek om de woon- en leefsituatie van verzoeker vast te stellen. De handhavers zijn op onaangekondigd huisbezoek gegaan, maar verzoeker bleek niet thuis te zijn. Via de Ring-Eufy deurbel hebben zij contact kunnen leggen met verzoeker. Verzoeker heeft de handhavers via de Ring/Eufy deurbel laten weten dat hij niet naar huis kon komen omdat hij in de sportschool was en wilde gaan sporten. Vervolgens heeft hij de handhavers medegedeeld dat ze de uitkering dan maar moesten afwijzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een onvoldoende geldende reden om niet mee te werken aan het onaangekondigde huisbezoek. Gesteld noch gebleken is dat hij niet in de gelegenheid was om terug te keren naar huis. Verzoeker heeft daarmee niet voldaan aan zijn medewerkingsplicht. Omdat het college het recht op uitkering niet heeft kunnen vaststellen, heeft het college de aanvraag terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3245, en 11 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2127.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2348.