Appellante ontving bijstand en woonde met haar twee minderjarige kinderen op een adres. Het college vermoedde dat haar ex-partner X zijn hoofdverblijf op dat adres had, wat gevolgen had voor de bijstand. Na onderzoek en waarnemingen legde het college een onaangekondigd huisbezoek op 29 augustus 2019 op, waarbij appellante niet meewerkte. Het college trok daarop de bijstand met ingang van die datum in en vorderde terugbetaling over de periode daarvoor.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college terecht de bijstand introk vanwege het niet-meewerken aan het huisbezoek, omdat dit een schending van de medewerkingsverplichting inhoudt. Appellante kon het huisbezoek niet weigeren met het argument dat zij met haar kinderen bezig was, aangezien de kinderen nog niet leerplichtig waren.
Echter, de Raad stelt vast dat het college onvoldoende feitelijke grondslag heeft om te stellen dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had in de periode van 26 maart 2019 tot 28 augustus 2019. De verklaringen van buurtbewoners en waarnemingen zijn onvoldoende om dit te bewijzen. Daarom vernietigt de Raad het besluit tot terugvordering en herroept het. Appellante hoeft niets terug te betalen en krijgt een proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierechten.