ECLI:NL:RBGEL:2026:5231
Rechtbank Gelderland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking Participatiewet-uitkering wegens zorgbehoefte en gezamenlijke huishouding
Eiser ontvangt sinds 2010 een Participatiewet-uitkering en is mantelzorger voor zijn ex-vriendin, bij wie hij ook zijn hoofdverblijf heeft. De gemeente Zutphen trok de uitkering in per 2 oktober 2025 wegens vermeende niet-naleving van medewerkingsverplichtingen en betwistte de zorgbehoefte van de ex-vriendin.
Na bezwaar en een herzien primair besluit bleef het college bij haar standpunt dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat de zorgbehoefte onvoldoende was aangetoond. Eiser stelde dat hij mantelzorg verleent aan een zorgbehoeftige, waardoor hij niet als gehuwd of als echtgenoot moet worden aangemerkt volgens artikel 3, tweede lid, onder a, van de Participatiewet.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij zijn ex-vriendin, onderbouwd met medische stukken. Het college moet bij betwisting nader onderzoek verrichten. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en geschorst tot zes weken na hernieuwde beslissing op bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van zorgbehoefte bij gezamenlijke huishouding in het kader van de Participatiewet.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking van de uitkering vernietigd en geschorst, en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.