Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,
de Staat.
Rechtbank Gelderland
Belanghebbende verkocht in 2016 haar woning en kocht in hetzelfde jaar een andere woning, die pas in het volgende jaar werd geleverd. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op waarbij de opbrengst van de eerste woning werd meegenomen in box 3, zonder een schuld toe te rekenen voor de aankoop van de tweede woning. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag en stelde dat de schuld van de nieuwe woning in box 3 moest worden meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat het geldbedrag op de bankrekening als bezitting moet worden aangemerkt, ongeacht de herkomst of het bestedingsdoel. De koopovereenkomst voor de nieuwe woning kon niet worden gezien als een schuld in box 3, omdat de verbintenis tot betaling gekoppeld is aan het recht op levering van de woning. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van ongelijke behandeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Verder wees de rechtbank het verzoek om een dwangsom af wegens onredelijk late ingebrekestelling door belanghebbende. Wel werd belanghebbende een vergoeding toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn van de belastingprocedure. De aanslag werd ambtshalve verminderd conform het Besluit rechtsherstel box 3, en proceskosten en griffierecht werden aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 365 conform het Besluit rechtsherstel box 3.