ECLI:NL:RBGEL:2026:4975

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/3068 en ARN 25/3078
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a MswArt. 59 MswArt. 51 MswArt. 5:4 AwbArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boetes wegens niet-naleving overgenomen mestverwerkingsplicht in 2022 en 2023

Eiseres, exploitant van een vleesvarkensbedrijf, kreeg bestuurlijke boetes opgelegd door de minister van Landbouw wegens het niet voldoen aan de overgenomen mestverwerkingsplicht in 2022 en 2023. De boetes betroffen respectievelijk €61.083 en €21.175, gebaseerd op het niet zelf verwerken van fosfaatkilogrammen die zij had overgenomen van andere bedrijven.

De rechtbank oordeelt dat eiseres inderdaad niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 33a, vijfde lid, van de Meststoffenwet, omdat zij de verwerkingsplicht niet zelf heeft uitgevoerd maar heeft overgedragen via vervangende vervoersovereenkomsten (VVO’s). De rechtbank stelt dat het niet relevant is of de fosfaatkilogrammen daadwerkelijk door de andere bedrijven zijn verwerkt voor de vraag of sprake is van overtreding.

Eiseres voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de regelgeving, handelde met goede intenties en dat de mest feitelijk wel was verwerkt, waardoor slechts administratieve fouten zouden zijn gemaakt. De rechtbank verwierp deze argumenten en stelde dat het niet naleven van de verwerkingsplicht ernstige overtredingen zijn. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat registratie van VVO’s in het RVO-systeem geen toezegging inhoudt dat deze akkoord zijn bevonden.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht bestuurlijke boetes heeft opgelegd en dat er geen aanleiding is tot verdere matiging. De beroepen worden ongegrond verklaard en de boetes blijven in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en handhaaft de opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van de overgenomen mestverwerkingsplicht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/3068 en ARN 25/3078

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. H.J. Kram).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boetes die de minister aan eiseres heeft opgelegd voor overtreding van de Meststoffenwet (Msw) in de jaren 2022 en 2023. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boetes en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister terecht boetes aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank beoordeelt ook of de boetes (verder) moeten worden gematigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht bestuurlijke boetes aan eiseres heeft opgelegd en dat er geen aanleiding is om deze boetes (verder) te matigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In de besluiten van 16 oktober 2024 heeft de minister aan eiseres bestuurlijke boetes opgelegd van € 61.083 en € 21.175 voor overtreding van de Msw in 2022 en 2023. Met de bestreden besluiten van 3 juni 2025 op de bezwaren van eiseres is de minister bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. [1] De minister heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiseres exploiteert een vleesvarkensbedrijf. Twee toezichthouders van de NVWA [2] hebben gecontroleerd of eiseres zich in de jaren 2022 en 2023 heeft gehouden aan de meststoffenregelgeving. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in rapporten van bevindingen van 6 en 17 juni 2024.
3.1.
In de brieven van 10 september 2024 heeft de minister, naar aanleiding van de bevindingen in de rapporten van 6 en 17 juni 2024, eiseres de voornemens meegedeeld om haar bestuurlijke boetes op te leggen van € 61.083 en € 42.350 wegens overtreding van de Msw in 2022 en 2023. Eiseres heeft tegen deze voornemens zienswijzen ingediend.
3.2.
In de besluiten van 16 oktober 2024, gehandhaafd in de bestreden besluiten van
3 juni 2025, heeft de minister aan eiseres bestuurlijke boetes opgelegd van € 61.083 en
€ 21.175 wegens het niet voldoen aan de overgenomen mestverwerkingsplicht in 2022 en 2023. De minister legt hieraan het volgende ten grondslag.
 In 2022 heeft eiseres in totaal 5.734 kilogram fosfaat ter verwerking overgenomen van andere bedrijven. In 2023 heeft zij in totaal 3.850 kilogram fosfaat ter verwerking overgenomen van andere bedrijven.
 De overgenomen kilogrammen fosfaat moeten worden verwerkt met een VDM [3] /rVDM [4] met opmerkingscode 61 en/of een DPO [5] . [6] Het is niet toegestaan om de overgenomen verwerkingsplicht over te dragen met een VVO [7] . Als een mestverwerkingsovereenkomst niet overeenkomstig de voorwaarden is opgemaakt, telt deze niet mee voor de mestverwerkingsplicht voor dat kalenderjaar.
 In 2022 heeft eiseres 181 kilogram fosfaat verwerkt met een DPO. De overige 5.553 (5.734 – 181) kilogram fosfaat van de overgenomen mestverwerkingsplicht heeft zij overgedragen met VVO’s. Dit betekent dat eiseres 5.553 kilogram fosfaat te weinig heeft verwerkt. Dit leidt tot een boete van (5.553 x € 11 =) € 61.083. [8]
 In 2023 heeft eiseres de overgenomen mestverwerkingsplicht van 3.850 kilogram fosfaat volledig overgedragen met VVO’s. Dit betekent dat eiseres 3.850 kilogram fosfaat te weinig heeft verwerkt. Dit leidt tot een boete van (3.850 x € 11 =)
€ 42.350. De minister matigt dit bedrag op grond van het door hem gehanteerde boetebeleid [9] met 50% tot € 21.175. Omdat de controle zag op twee opeenvolgende jaren, had eiseres voor het tweede jaar namelijk niet de mogelijkheid om hierop te anticiperen.
 Eiseres heeft niet aangetoond dat de kilogrammen fosfaat die zij ter verwerking heeft overgenomen daadwerkelijk door andere bedrijven zijn verwerkt.
 De minister ziet geen aanleiding om de boetes (verder) te matigen wegens bijzondere omstandigheden.
De omvang van het geding
4. De minister heeft de boetes opgelegd vanwege het niet voldoen aan de overgenomen mestverwerkingsplicht. Eiseres heeft wel aan haar eigen mestverwerkingsplicht voldaan volgens de minister. De rechtbank zal daarom over de eigen mestverwerkingsplicht van eiseres geen oordeel geven. De beroepsgronden van eiseres die zien op de (berekening van de) eigen mestverwerkingsplicht zullen dus niet beoordeeld worden. In deze procedures gaat het alleen over de boetes die de minister aan eiseres heeft opgelegd wegens het niet voldoen aan de overgenomen mestverwerkingsplicht.
Het beoordelingskader en de bewijslastverdeling
5. De voor de beoordeling van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Sinds 1 januari 2014 is in de Msw een stelsel voor verantwoorde mestafzet opgenomen met als doel het verlagen van de druk op de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen. Dit stelsel brengt mee dat een veehouder alleen dierlijke meststoffen mag produceren voor zover hij zich vooraf heeft verzekerd van voldoende afzetcapaciteit, in de vorm van mestafzet op (eigen) grond en mestverwerking. Bedrijven die meer dierlijke meststoffen produceren dan ze volgens de gebruiksnormen kunnen aanwenden binnen het eigen bedrijf moeten een percentage van het overschot verplicht laten verwerken. Dit stelsel van mestverwerking is opgenomen in de artikelen 33a tot en met 33d van de Msw.
6.1.
Op grond van artikel 33a, derde lid, van de Msw kan worden voldaan aan de mestverwerkingsplicht door:
a. het overdragen of laten overdragen van op zijn bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen aan een verwerkende onderneming, overeenkomstig een op het desbetreffende kalenderjaar betrekking hebbende mestverwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, onder 1° (VDM/rVDM met opmerkingscode 61);
b. het overdragen of laten overdragen van op zijn bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen aan een andere onderneming dan een verwerkende onderneming, op basis van een uiterlijk in het desbetreffende kalenderjaar gesloten mestverwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, onder 2° (DPO), of
c. het sluiten van een overeenkomst met een andere landbouwer waarin is bepaald dat die andere landbouwer in zijn plaats uitvoering zal geven aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, door middel van het laten verwerken, bedoeld in de onderdelen a of b (VVO).
6.2.
Uit artikel 33a, vijfde lid, van de Msw vloeit vervolgens voort dat de landbouwer die de verwerkingsplicht overneemt door middel van een VVO gehouden is de overgenomen verwerkingsplicht daadwerkelijk uit te voeren. Op deze manier wordt voorkomen dat met het toestaan van deze overdracht de verwerkingsplicht wordt uitgehold. [10]
6.3.
Een VDM met opmerkingscode 61 – wat inhoudt dat op het VDM wordt aangegeven dat het transport plaatsvindt in het kader van de mestverwerkingsplicht – is vereist om een onderscheid te maken tussen het vervoer van dierlijke meststoffen tussen een veehouder en een verwerker in het kader van de mestverwerkingsplicht en in het kader van afvoer van het overige deel van het bedrijfsoverschot. Alleen als dit is aangegeven telt het desbetreffende transport mee voor het voldoen aan de mestverwerkingsplicht door de veehouder. Als op het VDM is aangegeven dat het transport plaatsvindt in het kader van de mestverwerkingsplicht, is de verwerker verplicht de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ook daadwerkelijk te verwerken. Een DPO is een overeenkomst tussen een veehouder, een bewerker/intermediair en een verwerker. Om te voorkomen dat een bewerker/intermediair de meststoffen afzet op de Nederlandse markt in plaats van bij de verwerker, moet de bewerker/intermediair de verplichting hebben om de mest naar een verwerker te brengen en de verwerker de verplichting hebben om de mest te verwerken. Met een VDM met opmerkingscode 61 of een DPO wordt dus gewaarborgd dat wordt vastgelegd welke partij zich ertoe verplicht de dierlijke meststoffen te leveren of te transporteren en welke partij zich ertoe verplicht daadwerkelijk te verwerken. [11]
7. De bewijsmaatstaf bij een boete voor overschrijding van de gebruiksnormen is van overeenkomstige toepassing op een boete voor het niet naleven van het stelsel van de mestverwerking. [12] Dit betekent dat de materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de mestverwerkingsplicht primair op de veehouder rust. Het is aan de veehouder om feiten te stellen en bewijzen aan te dragen die aannemelijk maken dat hij heeft voldaan aan de mestverwerkingsplicht. Dit neemt niet weg dat de minister, als hij een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden moet aantonen dat de overtreding is begaan.
Is er sprake van overtreding van artikel 33a, vijfde lid, van de Msw in 2022 en 2023?
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in 2022 een mestverwerkingsplicht van 5.734 kilogram fosfaat en in 2023 een mestverwerkingsplicht van 3.850 kilogram fosfaat met VVO’s van andere bedrijven heeft overgenomen. Ook is niet in geschil dat eiseres in 2022 een overgenomen verwerkingsplicht van 5.553 kilogram fosfaat en in 2023 een overgenomen verwerkingsplicht van 3.850 kilogram fosfaat niet zelf heeft uitgevoerd, maar met VVO’s heeft overgedragen aan andere bedrijven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit al dat eiseres in 2022 en 2023 niet heeft voldaan aan de in artikel 33a, vijfde lid, van de Msw opgenomen verwerkingsvoorwaarden. Dit betekent dat eiseres dit artikellid in beide jaren heeft overtreden. Bij de beoordeling of sprake is van een overtreding is, anders dan eiseres stelt, niet van belang of de kilogrammen fosfaat al dan niet daadwerkelijk zijn verwerkt door de bedrijven aan wie eiseres de verwerking heeft overgedragen. Dit kan wel een rol spelen bij de beoordeling of de boetes (verder) moeten worden gematigd. In dit geval is dus de conclusie dat de minister bevoegd is om eiseres boetes op te leggen
Is er aanleiding om de opgelegde boetes te matigen wegens bijzondere omstandigheden?
9. Eiseres betoogt dat de minister de boetes had moeten matigen, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres was namelijk niet op de hoogte van de regelgeving en verkeerde in de veronderstelling dat zij juist handelde door nieuwe VVO’s aan te gaan voor de overgenomen mestverwerkingsplicht. Zij deed dit met de intentie om andere veehouders te helpen en heeft zelf geen economisch voordeel hiervan genoten. Verder heeft eiseres met documenten aangetoond dat de door haar met VVO’s overgedragen 5.553 en de 3.850 kilogrammen fosfaat daadwerkelijk zijn verwerkt en dus niet in het milieu terecht zijn gekomen. Er is dus feitelijk voldaan aan de mestverwerkingsplicht en het is ook in lijn met de bedoeling van de meststoffenwetregelgeving, namelijk bescherming van het milieu. Dit heeft volgens eiseres tot gevolg dat er slechts sprake is van administratieve fouten en niet van ernstige overtredingen.
9.1.
De aan eiseres opgelegde boetes zijn aan te merken als punitieve (bestraffende) sancties, die vallen onder het bereik van artikel 6 van Pro het EVRM. Dat brengt mee dat de rechtbank moet toetsen of de hoogte van de opgelegde boetes in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtredingen.
9.2.
De hoogte van de bestuurlijke boete voor het niet voldoen aan de overgenomen mestverwerkingsplicht is vastgelegd in artikel 59, derde lid, van de Msw. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het kader waarin de op artikel 6 van Pro het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. [13]
9.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in de door eiseres gestelde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de boetes onevenredig hoog zijn en (verder) moeten worden gematigd. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
9.3.1.
Zoals volgt uit wat staat vermeld onder 8, heeft eiseres niet voldaan aan haar overgenomen mestverwerkingsplicht. Van eiseres mag worden verlangd dat zij zich verdiept in de toepasselijke regelgeving dan wel dat zij hiervoor een deskundige inschakelt. Dat eiseres dit niet heeft gedaan en als gevolg daarvan niet op de hoogte was van de in artikel 33a, vijfde lid, van de Msw opgenomen voorwaarden voor het voldoen aan de overgenomen mestverwerkingsplicht, komt, ongeacht de goede intenties van eiseres, voor haar rekening en risico. Dat eiseres geen economisch voordeel zou hebben genoten is hierbij ook niet van belang.
9.3.2.
Verder is de rechtbank, anders dan eiseres, van oordeel dat niet slechts sprake is van administratieve fouten, maar van ernstige overtredingen. Door de gekozen constructie van eiseres bestond er namelijk geen garantie op daadwerkelijke verwerking van de mest, en heeft zij daarmee het stelsel voor verantwoorde mestafzet doorkruist. Eiseres heeft ook niet aangetoond dat de bedrijven aan wie zij de kilogrammen fosfaat met VVO’s heeft overgedragen, deze mest daadwerkelijk hebben verwerkt. Uit de door eiseres verstrekte gegevens kan namelijk niet worden afgeleid of de door deze bedrijven verwerkte kilogrammen fosfaat zijn verwerkt in het kader van de eigen mestverwerkingsplicht of in het kader van de van eiseres overgenomen mestverwerkingsplicht. Zoals de minister ook heeft toegelicht, ook nog op zitting, had eiseres daarvoor meer gegevens (over de fosfaatproductie en de mestplaatsingsruimte) van de betreffende bedrijven moeten verstrekken. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de minister met twee maten meet omdat de minister de eigen bedrijfsgegevens van eiseres niet relevant acht, maar wel van haar verwacht dat zij meer bedrijfsgegevens verstrekt van de bedrijven aan wie zij de kilogrammen fosfaat met VVO’s heeft overgedragen. Zoals de minister ook heeft toegelicht, zijn dit verschillende situaties. In het geval van eiseres is namelijk niet in geschil dat zij heeft voldaan aan haar eigen mestverwerkingsplicht, maar werpt de minister haar alleen tegen dat zij niet heeft voldaan aan de overgenomen mestverwerkingsplicht. In het geval van de bedrijven aan wie eiseres de kilogrammen fosfaat met VVO’s heeft overgedragen, is dit anders. Deze bedrijven hebben namelijk ook een eigen mestverwerkingsplicht. Om te kunnen beoordelen of de door deze bedrijven verwerkte kilogrammen fosfaat zijn verwerkt in het kader van de van de van eiseres overgenomen mestverwerkingsplicht of in het kader van de eigen mestverwerkingsplicht, zijn, zoals hiervoor ook al staat vermeld, meer gegevens (over de fosfaatproductie en de mestplaatsingsruimte) van de betreffende bedrijven nodig. Eiseres heeft dit niet aangetoond. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij daarvoor ook niet alle benodigde gegevens heeft, zodat er op hem ook niet de verplichting rust om dit ambtshalve te onderzoeken.
Slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel?
10. Eiseres betoogt dat de minister heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres kon de VVO met het bedrijf [bedrijf] B.V. namelijk registreren in het systeem van RVO. Zij mocht er daarom op vertrouwen dat [bedrijf] B.V. een landbouwbedrijf was en dat de VVO akkoord was bevonden.
10.1.
Het betoog slaagt niet. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen, en zo ja, hoe. De enkele omstandigheid dat eiseres een VVO kon registreren in het systeem van RVO kan niet als een dergelijke toezegging of gedraging worden beschouwd. Eiseres kon en mocht hieruit niet afleiden dat de VVO akkoord was bevonden. Zoals de minister heeft toegelicht, worden in het systeem van RVO alleen meldingen geregistreerd. Pas achteraf wordt, steekproefsgewijs, gecontroleerd of deze meldingen al dan niet juist zijn.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en
mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het
bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk
maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Meststoffenwet
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
ee. mestverwerkingsovereenkomst:
1°. bij de overdracht van dierlijke meststoffen van een landbouwer die op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert aan een verwerker behorend volledig ingevuld krachtens artikel 34, onderdeel b, vastgesteld bewijsmiddel, voor zover de daarop vermelde gegevens overeenkomstig de daartoe krachtens artikel 34, onderdeel b, geldende voorschriften tijdig bij Onze Minister zijn ingediend, of
2°. overeenkomst tussen een landbouwer die op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert, een andere ondernemer dan een verwerker, en een verwerker.
Artikel 33a
1. Het is een landbouwer verboden in enig kalenderjaar op zijn bedrijf dierlijke meststoffen te produceren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een landbouwer die in het desbetreffende kalenderjaar:
a. op zijn bedrijf geen bedrijfsoverschot produceert;
b. een hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, minimaal gelijk aan een door Onze Minister voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld percentage van het op zijn bedrijf geproduceerde bedrijfsoverschot:
1° laat verwerken.
3. Onder het laten verwerken van dierlijke meststoffen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, wordt verstaan:
a. het overdragen of laten overdragen van op zijn bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen aan een verwerkende onderneming, overeenkomstig een op het desbetreffende kalenderjaar betrekking hebbende mestverwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, onder 1°;
b. het overdragen of laten overdragen van op zijn bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen aan een andere onderneming dan een verwerkende onderneming, op basis van een uiterlijk in het desbetreffende kalenderjaar gesloten mestverwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, onder 2°, of
c. het sluiten van een overeenkomst met een andere landbouwer waarin is bepaald dat die andere landbouwer in zijn plaats uitvoering zal geven aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, door middel van het laten verwerken, bedoeld in de onderdelen a
of b.
5. Onverminderd het tweede lid, onderdeel b, laat de andere landbouwer, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, in een kalenderjaar een op zijn bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, waartoe hij zich met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar bij een overeenkomst als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, heeft verplicht, verwerken als bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b.
Artikel 51
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7, 9, tweede en derde lid, 11, tweede en derde lid, 13, vierde lid, 14, eerste lid, 15, 21, eerste lid, 33a, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 33b, vijfde lid, 33d, eerste lid, 34, 35, 36, 37, 38, derde lid, of 40.
Artikel 59
3. In geval van overtreding van artikel 33a, vijfde lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat waarmee dat lid wordt overtreden.

Voetnoten

1.Het beroep met zaaknummer ARN 25/3078 ziet op de boete voor het jaar 2022 en het beroep met zaaknummer ARN 25/3068 ziet op de boete voor het jaar 2023.
2.Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
3.Vervoersbewijs dierlijke mest.
4.Realtime Vervoersbewijs dierlijke mest. Vanaf 1 januari 2023 wordt hiervan gebruik gemaakt.
5.Driepartijenovereenkomst.
6.Dit volgt uit artikel 33a, vijfde lid, van de Msw.
7.Vervangende vervoersovereenkomst.
8.Dit volgt uit artikel 59, derde lid, van de Msw.
9.Boetebeleid Meststoffenwet RVO.
10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 322, nr. 15, p. 6.
11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2013, 33 322, nr. 14, p. 9 en 10.
12.Zie onder meer CBb 3 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:862), CBb 10 juni 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:331) en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 322, nr. 3, p. 40-41.
13.Zie onder meer CBb 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:2) en CBb 20 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:11).