ECLI:NL:RBGEL:2026:476

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/8772
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 WhtArt. 4.1 WhtArt. 2.7 WhtArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verzoek herbeoordeling compensatie betaalde schulden Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om compensatie van twaalf reeds betaalde schulden die eerder niet werden gecompenseerd door de Sociale Bank Nederland (SBN). De minister wees dit verzoek af omdat de toelichting van eiseres geen nieuwe schuld betrof. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing, maar deed dit één dag te laat. De rechtbank achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege haar medische omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat de minister het verzoek van eiseres had moeten opvatten als een verzoek tot herbeoordeling van de eerder afgewezen schulden. Omdat eiseres echter geen nieuwe bewijsstukken had overgelegd, was er geen aanleiding tot compensatie. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een gebrek, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.

Daarnaast werd vastgesteld dat eiseres griffierecht moest betalen, ondanks haar verzoek om vrijstelling wegens betalingsonmacht. De rechtbank bepaalde dat de minister dit griffierecht aan eiseres moet vergoeden omdat het beroep gegrond werd verklaard.

De uitspraak benadrukt het belang van een ruime uitleg van verzoeken in het kader van de toeslagenaffaire, maar ook de noodzaak van het overleggen van nieuwe feiten of bewijsstukken bij verzoeken tot herziening van besluiten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat geen nieuw bewijs is overgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om haar reeds betaalde geldschulden te compenseren op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek van eiseres had moeten opvatten als een verzoek tot herbeoordeling van de eerder afgewezen schulden. Omdat eiseres geen nieuwe bewijsstukken heeft overgelegd, leidt dit echter niet tot een compensatie van de eerder afgewezen schulden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft bij de Sociale Bank Nederland (SBN) eerder verzoeken ingediend om reeds betaalde schulden te compenseren. In verschillende besluiten is aan eiseres compensatie toegekend, maar er zijn door SBN ook twaalf schulden niet gecompenseerd. Eiseres heeft vervolgens een toelichting op deze twaalf betaalde schulden aan SBN toegezonden met het verzoek om in aanmerking te komen voor compensatie van deze schulden. De minister heeft het verzoek van eiseres met het besluit van 12 juni 2024 afgewezen, omdat de gegeven toelichting geen schuld betreft. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beoordeelt, voordat zij toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van deze zaak, eerst of het beroep ontvankelijk is. Het beroep is niet-ontvankelijk als het te laat is ingediend. Een beroepschrift moet binnen zes weken worden ingediend nadat het besluit (waar dat beroep tegen is gericht) bekend is gemaakt. [1] Het bestreden besluit is op
22 oktober 2024 bekend gemaakt. Dat betekent dat eiseres uiterlijk 3 december 2024 beroep kon instellen. Eiseres heeft pas op 4 december 2024 beroep ingesteld. Dit betekent dat eiseres één dag te laat beroep heeft ingesteld.
3.1.
De wet bepaalt dat een niet-ontvankelijkverklaring vanwege termijnoverschrijding achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [2] Het gaat dan om de vraag of de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is. In die beoordeling zijn twee aspecten van belang. De rechtbank moet beoordelen of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan eiseres kan worden toegerekend en, als dat niet het geval is, of eiseres het beroepschrift zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd, heeft ingediend. [3]
3.2.
Eiseres heeft toegelicht dat zij op het moment van het ontvangen van het bestreden besluit zwanger was en dat haar zwangerschap moeizaam verliep omdat zij leed aan hyperemesis gravidarum. Eiseres lijdt ook aan fibromyalgie en een chronisch vermoeidheidssyndroom. Door deze ziektes bij elkaar, was eiseres afhankelijk van haar bed en tot weinig in staat.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres slechts gering worden verweten dat de beroepstermijn is overschreden. De rechtbank acht hierbij van belang dat het hier gaat om een individuele burger, waarbij aannemelijk is dat haar ‘doenvermogen’ door haar lichamelijke en psychische klachten ten tijde van het moment dat zij beroep had moeten indienen zeer beperkt was. Ook is gebleken dat eiseres slechts een klein netwerk om zich heen heeft en is het aannemelijk dat het niet mogelijk was om tijdig enige hulp in te schakelen van dit kleine netwerk. Daarnaast merkt de rechtbank op dat eiseres slechts één dag na afloop van de beroepstermijn beroep heeft ingediend. De omvang van de termijnoverschrijding is daarom zeer beperkt gebleven. Daarin ligt ook besloten dat het beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. [4] Bovendien zijn in dit twee-partijengeschil geen belangen van derden betrokken. De rechtbank ziet daarom meer ruimte om verschoonbaarheid aan te nemen.
Moet eiseres griffierecht betalen?4. Eiseres heeft in een e-mail van 27 december 2024 aan de rechtbank medegedeeld dat zij vanwege betalingsonmacht niet in staat is tot betaling van het griffierecht. In de brief van 8 mei 2025 heeft de griffier aan eiseres meegedeeld dat zij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet, omdat haar netto-inkomen niet lager is dan 95% van een maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande. De rechtbank ziet nu geen reden om anders te oordelen dan is gedaan in de brief van de griffier van 8 mei 2025. Eiseres moet dus griffierecht betalen en dat heeft zij ook gedaan.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eiseres heeft op 6 december 2022 bij SBN een verzoek ingediend tot terugbetaling van de volgende al betaalde privaatrechtelijke schulden:
1. Eendracht Gerechtsdeurwaarders (€ 1.075)
2. Gemeente Cuijk/Grave (€ 512,64)
3. Belastingdienst (€ 2.139)
4. GGN (inzake bol.com) (€ 250)
5. GGN (inzake Vivare Woningbouw) (€ 1.070,46)
6. GGN (inzake Vivare huurschuld) (€ 666,80)
7. Jongerius Gerechtsdeurwaarders (€ 100)
8. Van Arkel Gerechtsdeurwaarders (€ 345)
9. Infoscore (€ 83,76)
10. EDR Incasso (€ 56,65)
11. ENGIE (€ 400)
12. Infomedics (€ 334,54)
5.1.
In de besluiten van 5 april 2023, 13 april 2023 en 10 mei 2024 heeft SBN het verzoek van eiseres afgewezen. Een deel van de reeds betaalde schulden wordt niet gecompenseerd wegens onvoldoende bewijs. Tegen deze besluiten heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.
5.2.
Op 2 januari 2024 heeft eiseres via het loket al betaalde schulden een brief ‘Toelichting betaalde schulden’ toegezonden. Als bijlage bij deze brief heeft eiseres een brief overgelegd waarin zij haar zienswijze geeft op de gang van zaken over de eerder aangemelde schulden en de daarover genomen besluiten.
5.3.
De minister heeft het verzoek van eiseres met het besluit van 12 juni 2024 afgewezen, omdat de gegeven toelichting geen schuld betreft. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is minister bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Heeft de minister het verzoek van eiseres terecht afgewezen?
6. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend bij het loket afbetaalde schulden. In artikel 4.3, eerste lid, van de Wht is bepaald dat alleen private schulden die voor overneming in aanmerking zouden zijn gekomen als deze niet waren voldaan, voor terugbetaling in aanmerking komen. Dat betekent dat een al betaalde schuld moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht: (i) de schuld is ontstaan na
31 december 2005 en (ii) de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar. Bovendien moet de schuld zijn voldaan op een tijdstip ná ontvangst van een bedrag als compensatie op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. [5]
6.1.
Eiseres stelt dat de minister de reeds betaalde schulden ten onrechte niet compenseert, omdat deze schulden wel degelijk voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Het is gek dat SBN de schulden bij de afdeling ‘private schulden’ wel wil overnemen, maar diezelfde schulden niet wil compenseren bij de afdeling ‘al betaalde schulden’. Eiseres heeft veel bewijsstukken overgelegd die niet zijn bekeken. Eiseres stelt dat SBN enorme fouten heeft gemaakt bij haar verzoeken waarover niks wordt gezegd in het bestreden besluit. Het zijn slechts automatische brieven die zij heeft ontvangen. Verder voelt eiseres zich ook niet gehoord door SBN. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eerdere besluiten, omdat zij meerdere malen heeft terugverwezen naar de eerder ingediende bewijsstukken en daarbij heeft gevraagd waarom deze bewijsstukken niet voldoende waren. Daarop heeft eiseres nooit antwoord gekregen. Er is ook nooit gesproken over de mogelijkheid om bezwaar te maken.
6.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiseres terecht is afgewezen. De melding van 2 januari 2024 van eiseres heeft geen betrekking op een geldschuld in de zin van de Wht, maar bevat enkel een toelichting op de gang van zaken rondom eerder aangemelde schulden en de daarover genomen besluiten. Een dergelijke toelichting kan niet worden aangemerkt als een schuld. Voor zover eiseres betoogt dat zij met de melding de eerder aangemelde schulden opnieuw heeft willen indienen, merkt de minister op dat geen bezwaar is gemaakt tegen de eerder genomen besluiten waardoor deze onherroepelijk zijn geworden. Voor de schulden die zijn afgewezen wegens onvoldoende bewijs, geldt dat eiseres deze opnieuw had kunnen indienen met toereikend bewijs. Van het overleggen van nieuwe of aanvullende bewijsstukken is echter geen sprake. Hierdoor kan de melding van 2 januari 2024 ook niet worden aangemerkt als een nieuwe aanmelding van eerder aangemelde schulden. Het is aan eiseres om voldoende bewijs aan te leveren om de schuld en de opeisbaarheid daarvan aannemelijk te maken.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek van eiseres ten onrechte heeft afgewezen met de motivering dat de gegeven toelichting geen schuld betreft. De minister had het verzoek van eiseres moeten opvatten als een verzoek tot herbeoordeling van de eerder afgewezen schulden. Uit het verzoek van eiseres blijkt namelijk duidelijk dat zij het niet eens is met de eerdere afwijzing. De rechtbank neemt hierbij mee dat juist in het kader van de toeslagenaffaire verzoeken ruim moeten worden opgevat. Anders dan de minister op de zitting heeft gesteld, had eiseres dan ook niet expliciet moeten vermelden dat zij een verzoek tot herbeoordeling deed.
6.4.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank moet zoveel mogelijk definitief beslissen over een geschil. De rechtbank zal daarom beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daarbij ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de minister de eerdere besluiten had moeten herzien naar aanleiding van het verzoek van eiseres.
Heeft de minister ten onrechte de eerdere besluiten niet herzien?
7. Op verzoek van een belanghebbende kan het bestuursorgaan een besluit herzien. Daarbij moet degene die om herziening verzoekt nieuwe feiten en omstandigheden naar voren brengen. Als er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, kan het bestuursorgaan het verzoek om herziening afwijzen. [6]
7.1.
Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [7]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die maken dat teruggekomen zou moeten worden op de eerdere besluiten. Eiseres heeft met haar verzoek een toelichting overgelegd over de schulden die eerder niet zijn gecompenseerd. De rechtbank volgt het in het verweerschrift ingenomen standpunt van de minister dat deze toelichting geen aanvullend bewijs bevat van de eerder afgewezen schulden op grond waarvan de minister nu wél zou moeten overgaan tot compensatie. Eiseres heeft geen nieuwe bewijsstukken over de schulden overgelegd. Dit betekent dat de minister terecht niet is overgaan tot compensatie van de eerder afgewezen schulden. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit kunnen dus in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat de minister het verzoek van eiseres had moeten opvatten als een verzoek tot herbeoordeling van de eerder afgewezen schulden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat eiseres geen nieuwe bewijsstukken heeft overgelegd, hoeft de minister de eerder afgewezen schulden niet alsnog te compenseren. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:11 van Pro de Awb
3.Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.
4.Vergelijk CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
5.Dat staat in artikel 4.3, derde lid, van de Wht.
6.Dit volgt uit artikel 4:6 van Pro de Awb.
7.ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4941.