ECLI:NL:RVS:2025:4941
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- C.H. Bangma
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen besluit CBR over onderzoek rijgeschiktheid na alcoholincidenten
Aan de wederpartij is in 2020 een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd vanwege weigering mee te werken aan een alcoholcontrole. Na een tweede alcoholincident in 2022 besloot het CBR dat hij een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid moest ondergaan, omdat hij niet in aanmerking kwam voor een nieuwe EMA. Wederpartij verzocht meerdere malen om herziening van dit besluit, onder meer met het argument dat hij strafrechtelijk was vrijgesproken van het eerste feit.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van het CBR en oordeelde dat er twijfel bestond over het gegronde vermoeden van rijongeschiktheid, mede vanwege de vrijspraak in de strafzaak. Het CBR stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat een vrijspraak in de strafrechtelijke procedure niet automatisch het bestuursrechtelijke besluit onderuit haalt, tenzij het strafvonnis de feiten waarop het bestuursrechtelijke besluit is gebaseerd weerlegt.
De stukken die wederpartij aanvoerde, waaronder een brief van de rechtbank en e-mails van zijn advocaat, boden volgens de Afdeling onvoldoende nieuw feitenmateriaal of veranderde omstandigheden om het besluit van het CBR te herzien. Het belang van de verkeersveiligheid werd zwaarwegend geacht. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van het CBR gegrond en het beroep van wederpartij tegen het besluit van 16 januari 2024 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van het CBR wordt gegrond verklaard en het beroep van wederpartij ongegrond; het besluit dat onderzoek naar rijgeschiktheid moet plaatsvinden blijft in stand.