Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3679

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
ARN 23/8103
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet OB 1968Art. 35 Wet OB 1968Art. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaaf omzetbelasting wegens ontbreken bewijs levering en vervoer naar andere lidstaat

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2020. De inspecteur had de teruggaaf over het tweede kwartaal geheel geweigerd en over het derde kwartaal slechts gedeeltelijk toegekend. De kern van het geschil betreft het recht op aftrek van voorbelasting en de toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen.

De inspecteur stelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de goederen daadwerkelijk aan haar waren geleverd door [naam bedrijf 1] B.V., die als missing trader was aangemerkt en geen omzetbelasting had afgedragen. Uit een derdenonderzoek bleek dat de transacties vermoedelijk schijntransacties waren, waarbij contante betalingen en gebrek aan bewijs de levering niet konden bevestigen. Ook was niet aannemelijk dat het vervoer naar een andere lidstaat had plaatsgevonden, waardoor het nultarief niet van toepassing was.

Belanghebbende voerde aan dat zij zorgvuldig had gehandeld en dat het vervoer aannemelijk was gemaakt, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat het bewijsvermoeden van levering was ontzenuwd en dat belanghebbende niet had voldaan aan haar bewijslast. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Daarnaast werd een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De inspecteur en de Staat werden veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten aan belanghebbende.

De rechtbank wees verder verzoeken van belanghebbende af, waaronder een vergoeding van werkelijke proceskosten en stellingen over misbruik van bevoegdheid, omdat deze niet relevant waren voor de beoordeling van de teruggaafbeschikkingen.

Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van teruggaaf omzetbelasting worden ongegrond verklaard en de beschikking blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/8103 en 24/885

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 8 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur

en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag,
de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 22 september 2023 en 13 oktober 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 bij beschikking geen teruggaaf van omzetbelasting verleend. Over het tijdvak 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 heeft de inspecteur bij beschikking een teruggaaf verleend van € 10.541 en € 1.009 aan belastingrente vergoed.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de beschikking geen teruggaaf respectievelijk de teruggaafbeschikking in stand gelaten.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De inspecteur heeft voor delen van bij het verweerschrift gevoegde bijlagen een verzoek gedaan tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek is bij beslissing van de rechtbank van 29 augustus 2025 toegewezen.
De adviseur van belanghebbende heeft zich bij bericht van 2 juli 2025 onttrokken als gemachtigde van belanghebbende.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 op zitting behandeld.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 12 augustus 2025 aan [belanghebbende] B.V. op het adres [adres 1] te [plaats 1], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL via Track & Trace is gebleken dat de brief op 14 augustus 2025 is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende is opgericht op [datum 1] 2018 en is gevestigd in [plaats 1]. De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel uit de in- en verkoop van diverse restpartijgoederen. De enig aandeelhouder en bestuurder is [persoon D] ([persoon D]).
2. Belanghebbende stelt in onderhavige tijdvakken goederen te hebben ingekocht van [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) te [plaats 2], welke goederen zij stelt te hebben doorverkocht aan [naam bedrijf 2] in Frankrijk.
3. [naam bedrijf 1] heeft Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht aan belanghebbende, maar heeft die omzetbelasting niet op aangifte voldaan. De betreffende omzet is door [naam bedrijf 1] niet in aangiften omzetbelasting vermeld.
4. Belanghebbende heeft op 30 juli 2020 over het tijdvak 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 (2e kwartaal) in de ingediende aangifte verzocht om een teruggaaf van omzetbelasting van € 47.045.
5. Belanghebbende heeft op 15 oktober 2020 over het tijdvak 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 (3e kwartaal) in de ingediende aangifte verzocht om een teruggaaf van omzetbelasting van € 87.795.
6. De aangiften omzetbelasting over het 2e en het 3e kwartaal van 2020 luiden als volgt:
2e kwartaal
3e kwartaal
1a Belast met 21%
€ 25.000
€ 0
3b Prestaties naar/in EU (ICP) 0%
€ 331.000
€ 437.129
Totaal
€ 5.250
€ 0
Af: voorbelasting
€ 52.295
€ 87.795
Verzoek om teruggaaf
-/- € 47.045
-/- € 87.795
7. Van de voorbelasting in de aangifte voor het tweede kwartaal 2020 heeft een bedrag van € 51.536 betrekking op (gestelde) inkopen van [naam bedrijf 1]. Dit is als volgt te specificeren:
Factuurdatum
Boekstuk nummer
Inkoopprijs excl. omzetbelasting
Voorbelasting
01-06-2020
2020/147/2
€ 69.300,00
€ 14.553,00
08-06-2020
2020/155/10
€ 50.000,00
€ 10.500,00
17-06-2020
2020/163/11
€ 77.112,00
€ 16.193,52
23-06-2020
2020/171/12
€ 49.000,00
€ 10.290,00
Totaal:
€ 245.412,00
€ 51.536,52
8. Van de voorbelasting in de aangifte voor het derde kwartaal 2020 heeft een bedrag van € 77.254 betrekking op (gestelde) inkopen van [naam bedrijf 1]. Dit is als volgt te specificeren:
Factuurdatum
Boekstuk nummer
Inkoopprijs excl. omzetbelasting
Voorbelasting
06-07-2020
2020/178/20
€ 53.299,95
€ 11.192,99
16-07-2020
2020/189/21
€ 60.480,00
€ 12.700,80
23-07-2020
2020/195/22
€ 64.845,00
€ 13.617,45
31-07-2020
2020/199/23
€ 44.550,00
€ 9.355,50
09-08-2020
2020/243/24
€ 68.475,00
€ 14.379,75
11-08-2020
2020/251/25
€ 76.230,00
€ 16.008,30
Totaal:
€ 367.879,95
€ 77.254,79
9. Het bedrag in rubriek 3b ‘Prestaties naar/in EU (ICP)’ is als volgt opgebouwd:
Er werd in totaal voor een bedrag van € 768.129 vermeld op de ICP-listing op het Franse btw-nummer [btw-nummer] ten name van [naam bedrijf 2]. Dit bedrag is onderverdeeld in een reguliere levering van € 331.000 in het 2e kwartaal van 2020 en een aangegeven ABC-levering van € 437.129 in het 3e kwartaal van 2020.
10. De inspecteur heeft over het 2e kwartaal 2020 geen teruggaaf van omzetbelasting verleend en heeft over het 3e kwartaal 2020 een teruggaaf verleend van € 10.541 (zijnde € 87.795 minus € 77.254) en heeft daarbij aan belanghebbende € 1.009 aan belastingrente vergoed.
11. [naam bedrijf 2] werd op [datum 2] 2019 opgericht en haar omzetbelastingnummer werd op 31 december 2020 ingetrokken na een onderzoek door de Franse fiscale autoriteiten. Deze rechtspersoon diende geen aangiften omzetbelasting in en gaf geen intracommunautaire verwervingen aan. De rechtspersoon is strafrechtelijk vervolgd.
12. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende naar onder meer de omzetbelasting over onderhavige tijdvakken. Hiervan is met dagtekening 17 december 2024 een rapport opgemaakt. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“Op basis van de verkregen informatie hebben wij een derdenonderzoek bij [naam bedrijf 1] B.V. ingesteld. Uit dit onderzoek blijkt dat daadwerkelijke aandeelhouder van [naam bedrijf 1] B.V. niet [persoon E] of [persoon F] is. Uit verschillende bronnen blijkt dat de aandeelhouder woonachtig is in Frankrijk. Er is vervolgens contact geweest met de aandeelhouder waarin hij bevestigd de aandeelhouder te zijn van [naam bedrijf 1] B.V. Hij gaf aan dat er geen activiteiten waren in zijn onderneming. De bedoeling was dat hij als een aannemer in de bouw zou opereren.
Uit deze bronnen blijkt dat [naam bedrijf 1] B.V. niet in het bezit was van de € 613.291,95 aan inkoopwaarde goederen. Omdat er geen verband te leggen is met [persoon E] dan wel [persoon F], keuren wij de geclaimde voorbelasting af. (…)
Sinds oprichting van [naam bedrijf 1] B.V. zijn er geen ICV aangegeven dan wel ICL door buitenlandse leveranciers aangegeven. Dit bevestigd ons dat [naam bedrijf 1] B.V. niet de beschikkingsmacht tot de goederen had. Alles wijst op het op een listige wijze presenteren van schijntransacties om een btw-teruggaaf te kunnen realiseren door [belanghebbende] B.V. (...).
Daarnaast is zowel de inkoop als de verkoop met contant geld voldaan, het betreft meer dan een half miljoen euro waarbij zowel de leverancier als de afnemer niet aan hun verplichtingen voldoen en de betalingen niet zijn te controleren.
Op grond van deze punten en het gebrek aan identificatie met wie [belanghebbende] B.V. daadwerkelijk heeft gehandeld, wordt de geclaimde voorbelasting afgewezen.
(…)"
13. [naam bedrijf 1] heeft enkel nihilaangiften omzetbelasting ingediend. In haar aangiften omzetbelasting is ter zake van intracommunautaire transacties niets vermeld.
14. [naam bedrijf 1] is door de inspecteur aangemerkt als zogenoemde ‘missing trader’. Het omzetbelastingnummer van [naam bedrijf 1] is op 31 december 2020 ingetrokken.
15. In het dossier bevindt zich een factuur van [naam bedrijf 3] B.V. in [plaats 3], gericht aan belanghebbende, te weten een factuur van 6 november 2020 voor een totaalbedrag van € 4.950 exclusief 21% omzetbelasting.
16. De omschrijving van de factuur van 6 november 2020 luidt als volgt:
Description
Amount
Price
Value
Huur Pallet Opslag á 1 euro per dag
22-05-2020 tm 23-06-2020
33
€ 30,00
€ 990,00
Huur Pallet Opslag á 1 euro per dag
23-06-2020 tm 24-07-2020
33
€ 30,00
€ 990,00
Huur Pallet Opslag á 1 euro per dag
25-07-2020 tm 26-08-2020
33
€ 30,00
€ 990,00
Huur Pallet Opslag á 1 euro per dag
27-08-2020 tm 18-09-2020
33
€ 20,00
€ 660,00
Laden max 33 pallets á 2 euro per pallet
10
€ 66,00
€ 660,00
Lossen max 33 pallets á 2 euro per pallet
10
€ 66,00
€ 660,00
17. In het verslag van het derdenonderzoek van de inspecteur naar [naam bedrijf 3] B.V. is het volgende opgenomen (met anonimisering door de inspecteur):
“Het is onduidelijk op wiens naam het pand staat. Daarom maar eens gaan kijken ter plekke en van daaruit verder gaan onderzoeken.
(…)
Op het adres [adres 2] hebben wij gesproken met de chauffeur die ter plekke aan het lossen was. Hij wist te vertellen dat de loods werd gehuurd door [naam bedrijf 4], [adres 3] te [plaats 4]. Met deze ondernemer hebben we kort gesproken, nadat we ons gelegitimeerd hadden en het mondkapje hebben voorgedaan. Hij wist te vertellen dat hij de loods sinds een maand of drie huurde van ene [persoon G] van [naam bedrijf 5].
(…).
De verhuur gebeurde via [naam bedrijf 6], [adres 4] te [plaats 5]. We hebben de voice-mail ingesproken van [persoon G] en zijn op weg gegaan naar de makelaar om daar de gegevens van de huurder in de periode juni t/m september 2020 te achterhalen.
Net voordat we bij de makelaar waren werden we gebeld door [persoon G] .Hij wist te vertellen dat vanaf juni de loods op het adres [adres 2] te [plaats 4] werd gehuurd door [naam bedrijf 3], [adres 5] te [plaats 3]. De naam van degene waar hij contact mee had is [persoon H] (…).
Vervolgens zijn we naar het adres [adres 5] in [plaats 3] gereden. Aldaar zagen we geen bod met [naam bedrijf 3] B.V. of zo. Wij hebben vervolgens aangebeld bij [naam bedrijf 7]. Daar werden we, nadat we ons hadden gelegitimeerd en het mondkapje hadden voorgedaan, te woord gestaan door de directuer. Hij wist te vertellen dat het adres [adres 5] een postadres is van [naam bedrijf 3] B.V. Dit op verzoek van de heer [persoon H]. Zij verzorgen regelmatig logistieke oplossingen, zoals warhoudsing en transport voor [naam bedrijf 3]. Veelal ging het dan om mondkapjes. Op dit moment hebben ze stofzuigers staan die van [naam bedrijf 3] zijn.
Hij weet zich te herinneren dat er op het adres [adres 2] te [plaats 4] ook wel eens goederen zijn bezorgd, opgeslagen of afgehaald. Hij kan zich herinneren dat dit ook ging om kleding en schoenen. Hij weet ook te vertellen dat er in november 2020 twee collega's van de Belastingdienst [plaats 3] zijn geweest, die allerlei docuemneten hebben bekeken.”
18. De Franse belastingautoriteiten hebben onderzoek gedaan naar [naam bedrijf 2]. Daarin komt onder andere het volgende naar voren:
- Het bedrijf is opgericht op [datum 2] 2019;
- Het heeft geen aangifte OB ingediend sinds 2019;
- Het heeft geen intracommunautaire verwervingen dan wel leveringen aangegeven;
- Het btw-nummer is door de Franse autoriteiten ingetrokken;
- Het bedrijfsadres betreft een adres waar een dienstverlener slechts domicilie verleent (virtueel kantooradres). Dit adres is dus niet geschikt voor het lossen van vrachtauto’s en/of het uitoefenen van een handelsonderneming;
- De op de CMR’s genoemde kentekens komen niet voor in de Franse kentekenregistratie-bestanden. Daarnaast ontbreken de contactgegevens van de vervoerders en zijn deze niet te traceren;
- De bedrijfsvoerder van deze rechtspersoon is gekenmerkt als stroman;
- Er is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

19. De rechtbank beoordeelt of de teruggaafbeschikkingen te laag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Daarbij is met name in geschil:
- of recht bestaat op aftrek van voorbelasting en
- of belanghebbende terecht het nultarief heeft toegepast.
20. De inspecteur heeft de volgende standpunten ingenomen:
- Belanghebbende heeft niet voldaan aan de bewaarplicht;
- Het bestaan van de goederen is niet aannemelijk gemaakt;
- Dat belanghebbende de beschikkingsmacht over de goederen had is niet aannemelijk gemaakt;
- In samenhang met alle feiten bestaat er geen recht op aftrek van voorbelasting, omdat sprake is van schijnhandelingen;
- Het claimen van omzetbelasting ter zake van een niet op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur met de wetenschap dat de leverancier niet bestaat, is te kwalificeren als omzetbelastingfraude.
Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat niet is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de toepassing van het nultarief.
Meer subsidiair is de inspecteur van mening dat belanghebbende en haar bestuurder wisten of hadden moeten weten dat zij deelnemer waren in een keten van leveringen waarin partijen niet aan hun omzetbelastingverplichtingen voldeden.
21. Belanghebbende heeft, kort weergegeven, het volgende gesteld:
- Er is geen sprake van schijnhandelingen, de voorbelasting op de facturen van [naam bedrijf 1] is aftrekbaar.
- Het vervoer in het kader van een intracommunautaire levering is aannemelijk gemaakt.
- De CMR vrachtbrieven konden worden gebruikt en de gebreken zijn summier.
- Belanghebbende wist niet of had niet kunnen weten van de fraude in de keten en was zorgvuldig in haar handelen;
- het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid is geschonden;
- Belanghebbende heeft recht op integrale vergoeding van haar proceskosten.
Heeft belanghebbende recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de facturen van [naam bedrijf 1]?
22. Voor het recht op aftrek is van belang of aannemelijk is dat [naam bedrijf 1] goederen heeft geleverd en gefactureerd aan belanghebbende en of belanghebbende de afnemer is van die goederen. Volgens de Hoge Raad brengen de artikelen 35 en 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 mee dat het, behoudens tegenbewijs, ervoor moet worden gehouden dat degene aan wie door een ondernemer een factuur wordt uitgereikt waarin hij wordt genoemd als degene aan wie de in de factuur vermelde levering of dienst is verricht en waarin hij verplicht wordt te betalen, degene is aan wie de ondernemer zijn leveringen of diensten heeft verricht in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet OB. [1] Het gaat hier om een bewijsvermoeden.
23. Omdat belanghebbende in de onderhavige twee tijdvakken facturen heeft ontvangen waar op staat vermeld dat ze door [naam bedrijf 1] zijn gestuurd aan belanghebbende, wordt op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad vermoed dat belanghebbende de afnemer is van de op de factuur vermelde prestaties. De inspecteur kan dit bewijsvermoeden ontzenuwen.
24. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur daarin geslaagd door te wijzen op de omstandigheden van dit geval. De inspecteur heeft aangevoerd dat er geen link kan worden gelegd tussen de facturen en (gestelde) door [naam bedrijf 1] aan belanghebbende geleverde goederen.
25. Zoals uit het derdenonderzoek bij [naam bedrijf 1] naar voren is gekomen, zijn de door belanghebbende gestelde inkopen niet te verifiëren bij [naam bedrijf 1]. Dit houdt verband met het feit dat door de gestelde contante betaling van de goederen, door het niet gebruiken van kwitanties en door het niet storten van de gelden op een bankrekening, niet te verifiëren is of er ter zake van de gestelde leveringen is betaald. Met wie belanghebbende ter zake van de gestelde transacties contact heeft gehad bij [naam bedrijf 1] is ook niet duidelijk geworden. De onderhandelingen over de prijs zouden via Facebook en Whatsapp hebben plaatsgevonden. Die berichten zijn echter niet bewaard gebleven. De aandeelhouder van [naam bedrijf 1] woont in Frankrijk en heeft ontkend de goederen aan belanghebbende te hebben geleverd. Belanghebbende heeft deze stellingen van de inspecteur niet voldoende gemotiveerd weersproken, waardoor de gestelde omstandigheden vaststaan. De foto’s waar belanghebbende naar heeft verwezen zijn hiervoor onvoldoende, omdat ze niet duidelijk maken dat het gaat om de goederen die op de facturen van [naam bedrijf 1] zijn vermeld. Ook de overgelegde e-mails [2] zijn onvoldoende, omdat het grotendeels e-mails betreft tussen belanghebbende en [naam bedrijf 2] en omdat er geen objectief verifieerbare gegevens zijn die onderbouwen dat [naam bedrijf 1] daadwerkelijk goederen aan belanghebbende heeft geleverd. Uit de e-mail van belanghebbende aan [naam bedrijf 1] van 19 mei 2020 [3] lijkt bovendien te volgen dat er geen sprake is van inkoop door belanghebbende bij [naam bedrijf 1], maar van bemiddeling tussen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]. Gelet op de vaststaande omstandigheden hebben de facturen niet de bewijskracht die zij normaal gesproken hebben en is het bewijsvermoeden ontzenuwd.
26. Daardoor komt de bewijslast weer te rusten op belanghebbende, die claimt recht te hebben op aftrek van voorbelasting op basis van door haar getoonde facturen. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat door [naam bedrijf 1] goederen aan haar geleverd zijn. Zij heeft nagelaten enig bewijs aan te dragen voor haar stelling dat de facturen juist zijn en daadwerkelijke transacties betreffen. Uit de vaststaande feiten is af te leiden dat [naam bedrijf 1] niets te maken heeft gehad met de op de facturen vermelde leveranties. Of er daadwerkelijk goederen aan belanghebbende geleverd zijn is ook niet duidelijk.
27. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zij zowel met [naam bedrijf 1] als met [naam bedrijf 2] heeft afgesproken dat de goederen zouden worden gestald bij een opslagplaats van [naam bedrijf 3] BV. Uit de overgelegde facturen van [naam bedrijf 3] B.V. volgt dat belanghebbende een vergoeding heeft voldaan aan [naam bedrijf 3] B.V. voor opslag van bepaalde goederen. Daaruit is evenwel niet op te maken dat het gaat om door [naam bedrijf 1] aan belanghebbende geleverde goederen zoals deze zijn gefactureerd. Bovendien is uit het derdenonderzoek bij deze door belanghebbende opgegeven opslaglocatie gebleken dat de loods in de periode tussen juni 2020 tot en met september 2020 niet gehuurd is door belanghebbende of door [naam bedrijf 1]. [4] Ook uit de facturen van [naam bedrijf 3] B.V. aan belanghebbende volgt niet dat de opslag waarvoor is betaald de goederen betreft die op de facturen staan die de (gestelde) leveringen door [naam bedrijf 1] vermelden. Verder staan op de factuur steeds 33 pallets vermeld, terwijl het er bij de gestelde leveringen door [naam bedrijf 1] 10 zouden zijn en er volgens belanghebbende alleen goederen van [naam bedrijf 1] door haar waren opgeslagen in de loods. Ook de verklaring van de bestuurder en van een werknemer van [naam bedrijf 3] en de foto’s zijn niet overtuigend, omdat daarmee niet duidelijk wordt of de opslag de goederen betrof die op de facturen van [naam bedrijf 1] aan belanghebbende zijn gefactureerd en ook niet wie de goederen naar de opslag heeft gebracht, terwijl de verklaringen bovendien vooral gaan over het ophalen van de goederen door [naam bedrijf 2]. [5]
28. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende niet het van haar te verlangen bewijs heeft geleverd en dus geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die op de facturen van [naam bedrijf 1] is vermeld.
29. De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe. Zelfs in het geval aannemelijk zou zijn dat de gestelde leveringen daadwerkelijk zouden hebben plaatsgevonden, dan nog zouden de beschikking geen teruggaaf respectievelijk de teruggaafbeschikking evenmin op hogere bedragen moeten worden vastgesteld. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het nultarief niet mag worden toegepast en dat dit via interne compensatie alsnog gecorrigeerd kan worden. De reden hiervoor is dat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van vervoer naar een andere lidstaat in het kader van de levering van belanghebbende aan [naam bedrijf 2]. De rechtbank verwijst daartoe naar al hetgeen de inspecteur in zijn verweerschrift daarover heeft uiteengezet, waartegen belanghebbende onvoldoende heeft ingebracht. Verder wijst de rechtbank op de eigen stelling van belanghebbende dat [naam bedrijf 2] de goederen zelf afhaalde bij de opslaglocatie van Veds. [6] Daardoor vond de levering aan [naam bedrijf 2] al plaats in Nederland en vond het vervoer dus niet plaats in het kader van de levering. De afhaalverklaringen voldoen niet aan de daarvoor geldende vereisten, zodat ook om die reden het nultarief niet toch kan worden toegepast.
30. Gelet op dit oordeel komt de rechtbank aan beoordeling van de overige stellingen van de inspecteur niet toe.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
31. Belanghebbende heeft gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid is geschonden.
32. Belanghebbende heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat rondom het plannen van de start van het boekenonderzoek de inspecteur te weinig rekening hield met de gezondheidstoestand van [persoon D], dat een en ander niet in een vriendelijke sfeer is verlopen en dat het onderzoek erg lang heeft geduurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee niet het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De beschreven gang van zaken ziet immers niet op de inhoud van de teruggaafbeschikkingen. De inspecteur heeft juist uitgebreid onderzoek gedaan ter voorkoming van onzorgvuldige besluitvorming. Dat het onderzoek misschien onaangenaam is verlopen, maakt niet dat de beschikkingen onjuist zijn.
33. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het verbod van misbruik van bevoegdheid doordat hij de omzet op nihil heeft gesteld, kennelijk om te voorkomen dat TVL-subsidie (Tegemoetkoming Vaste Lasten) zou worden verleend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO). Deze stelling raakt niet de juistheid van de beschikkingen die in deze zaken aan de orde zijn, zodat ze niet relevant zijn voor de beoordeling. De stellingen maken ook niet duidelijk wat het gevolg zou moeten zijn van het gestelde misbruik van bevoegdheid. Voor zover hiermee een onrechtmatige daad van de inspecteur wordt gesteld, is alleen de civiele rechter bevoegd om hierover te oordelen.
Overschrijding van de redelijke termijn
34. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [7]
35. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. [8] Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.
36. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 5 oktober 2022. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 1 jaar en 8 maanden (20 maanden) langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven vier keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 2.000 (€ 500 per half jaar). De laatste uitspraak op bezwaar is van 13 oktober 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 7/20 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 13/20 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 700 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.300 aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

37. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de beschikking geen teruggaaf respectievelijk de teruggaafbeschikking in stand blijven.
38. Omdat de beroepen ongegrond zijn, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Wel krijgt belanghebbende een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten, uitsluitend omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen. De proceskosten stelt de rechtbank vast op € 233,50. [9] De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft van die vergoeding betalen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [10] ziet de rechtbank geen reden de Staat te gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 700;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.300;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 8 mei 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6535 en Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:680.
2.Zie bijlage 17 tot en met 21 bij het aanvullende beroepschrift.
3.Bijlage 17 bij aanvullend beroepschrift.
4.Zie bijlage ‘[bijlage]’.
5.Zie bijlage 34 en 35 bij het aanvullend beroepschrift.
6.Zie punt 6.1.5. van het aanvullende beroepschrift van 29 januari 2024.
7.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
9.1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. Zie Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
10.ECLI:NL:HR:2024:567. Omdat de redelijke termijn op 31 mei 2024 nog niet was overschreden, is het overgangsrecht niet van toepassing en is de nieuwe regel uit dit arrest van toepassing op deze zaak.