Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3293

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
AWB-25_480
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 sub a AOWArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens vermeende gezamenlijke huishouding afgewezen

Eiseres ontving sinds 2005 een AOW-pensioen voor een alleenstaande. De SVB herzag dit pensioen per december 2021 naar een gehuwdenpensioen en vorderde € 10.839,31 terug, omdat zij meende dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met de heer [persoon A]. De SVB baseerde dit op verklaringen tijdens huisbezoeken en andere gegevens, waaronder dagboekfragmenten en waterverbruik.

Eiseres betwistte dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, stelde dat [persoon A] zijn hoofdverblijf had op een ander adres en dat hij slechts incidenteel aanwezig was als mantelzorger. De rechtbank oordeelde dat de SVB onvoldoende onderzoek had verricht, onder meer door het ontbreken van een huisbezoek bij [persoon A] en onvoldoende doorvragen tijdens het huisbezoek bij eiseres.

De rechtbank concludeerde dat de SVB niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat het bestreden besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het recht op alleenstaandenpensioen per 1 december 2021 hersteld. De terugvordering vervalt en de SVB moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van het AOW-pensioen wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. P. van der Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het pensioen van eiseres, op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), met ingang van december 2021 naar een gehuwdenpensioen. Ook gaat deze uitspraak over de terugvordering van een deel van het aan eiseres verstrekte AOW-pensioen over de periode van december 2021 tot en met november 2023 tot een bedrag van € 10.839,31. Eiseres is het niet eens met deze herziening en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB een onjuiste beslissing genomen heeft
.Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 en 5 staan de standpunten van partijen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 11 juli 2024 heeft de SVB het AOW-pensioen van eiseres met ingang van december 2021 herzien naar een gehuwdenpensioen en het over de periode van december 2021 tot en met november 2023 teveel betaalde AOW-pensioen tot een bedrag van € 10.839,31 van eiseres teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar dochter (mevrouw Van Engelen), en de gemachtigde van de SVB.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1940. Zij staat als enige ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats 1] (het uitkeringsadres) sinds 15 april 2021. Eiseres ontvangt sinds 1 mei 2005 een AOW-pensioen voor een alleenstaande. Op 23 februari 2023 heeft de SVB een tipmelding over eiseres ontvangen. Volgens deze melding zou zij al meer dan vijftien jaar samenwonen met de heer [persoon A]. Hij zou op papier in [plaats 2] wonen, maar zijn woning onderverhuren aan zijn zoon en diens vriendin mevrouw [persoon B]. [persoon A] ontvangt sinds 23 april 2013 een alleenstaandenpensioen. Hij staat ingeschreven op het adres [adres 2] in [plaats 2]. Op dit adres staan ook zijn zoon en schoondochter ingeschreven. Naar aanleiding van de ontvangen melding heeft de SVB een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van het aan eiseres verstrekte AOW-pensioen, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in de handhavingsrapportage van 17 november 2023. Hieruit blijkt, hier van belang, het navolgende.
3.1.
Naar aanleiding van een tip dat eiseres al jaren samen zou wonen met een man uit [plaats 2] is eerder in 2010 onderzoek verricht. Toen heeft eiseres aangegeven dat zij een relatie heeft met [persoon A]. Hij heeft een huurwoning in [plaats 2] met zijn zoon.
3.1.1.
Op 24 juli 2023 heeft de SVB een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Daarbij werd de deur geopend door [persoon A]. Hij heeft daarbij verklaard dat hij en eiseres niet samenwonen. Hij is haar mantelzorger en woont in [plaats 2]. Hij slaapt daar doordeweeks en in het weekend thuis. Hij heeft verder verklaard dat mevrouw [persoon B] niet meer op zijn adres in [plaats 2] woont. Zijn zoon woont daar nog wel. Omdat eiseres en [persoon A] naar een ziekenhuisafspraak moesten, is afgesproken dat de handhavers op een later tijdstip aangekondigd terug zullen komen.
3.1.2.
Op 17 november 2023 is er een aangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres met toestemming van eiseres. Daarbij hebben eiseres en [persoon A], hier van belang, het volgende verklaard. [persoon A] verblijft sinds 2019 alle dagen en nachten op het uitkeringsadres. Hij ziet zichzelf als haar mantelzorger. Hij draagt niet bij in de kosten van het huishouden van eiseres. Eiseres wast en strijkt. Zij brengen de avonden samen door, gaan samen op vakantie met de camper en versturen samen kerst- en wenskaarten. Eiseres heeft een auto en betaalt alle kosten daarvan. [persoon A] rijdt in deze auto, omdat eiseres niet meer zelf kan rijden. Eiseres geeft aan dat [persoon A] en zij partners zijn. De zoon van [persoon A] woont sinds kort weer in zijn huis. Twee keer per week gaat [persoon A] naar [plaats 2] om boodschappen aan zijn zoon te geven. Eiseres en [persoon A] kennen elkaar sinds 2005. Eiseres betaalt de huur van haar woning op het uitkeringsadres. Zij betaalt alle vaste lasten van deze woning. [persoon A] betaalt alle vaste lasten van zijn woning in [plaats 2]. Eiseres betaalt de grotere gebruiksgoederen, maar heeft wel wat geld van [persoon A] gekregen, omdat de wasmachine en stofzuiger kapot gingen. [persoon A] betaalt de hondenbelasting voor de hond, die ingeschreven staat in [plaats 2]. Hij verzorgt deze hond ook en betaalt alle kosten voor hem. [persoon A] verricht weleens pintransacties voor eiseres, hij weet haar pincode. Eiseres en [persoon A] betalen allebei hun eigen boodschappen en doen weleens wat boodschappen voor elkaar. [persoon A] doet de boodschappen en doet de huishoudelijke werkzaamheden. Soms doet de dochter van eiseres die ook. [persoon A] doet de klusjes in en rond huis. [persoon A] verzorgt eiseres volledig sinds 2019. Eiseres en [persoon A] presenteren zich naar de buitenwereld als vriend en vriendin. [persoon A] wil uiteindelijk weer in [plaats 2] gaan wonen. Deze situatie is zo ontstaan door de gezondheid van eiseres. Er was niemand anders die voor haar kon zorgen, anders moest zij naar een verzorgingstehuis. [persoon A] is een soort mantelzorger voor eiseres.
3.2.
Naar aanleiding van de bevindingen uit het handhavingsonderzoek heeft de SVB, met haar besluit van 13 december 2023, aan eiseres meegedeeld, dat zij vanaf december 2023 voorlopig minder AOW-pensioen krijgt in afwachting van het aanleveren van nadere informatie. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres een overzicht van passages uit haar dagboek over de jaren 2018 tot en met 2023, over wanneer [persoon A] bij haar was, overgelegd. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft de SVB het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 december 2023 ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit. Nadat eiseres middels diverse brieven aan de SVB, vanwege haar verslechterende financiële situatie, heeft aangedrongen op spoed, is de SVB overgegaan tot de onder 2 vermelde besluitvorming.
3.3.
Ook heeft de SVB aan eiseres, bij besluit van 25 februari 2025, een boete van € 2.798,04 opgelegd. Eiseres heeft ook bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de SVB aangegeven dat de behandeling van dit bezwaar is aangehouden in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit.
De standpunten van partijen
4. De SVB heeft aan het bestreden besluit – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft vanaf december 2021 recht op een gehuwdenpensioen. Vanaf 13 november 2021 voert zij namelijk een gezamenlijke huishouding, omdat eiseres voldoet aan het huisvestingscriterium (eiseres heeft verklaard dat [persoon A] iedere dag en nacht op haar adres verblijft. Dit betekent dat zij beiden het hoofdverblijf hebben op het adres van eiseres). Ook wordt voldaan aan het zorgcriterium, waarbij eiseres en [persoon A] zorgdragen voor elkaar door bij te dragen in de kosten van de huishouding, dan wel op een andere manier. Eiseres draagt de financiële lasten van de woning waar zij beiden verblijven. Eiseres en [persoon A] doen beiden klusjes in het huishouden zoals koken, wassen en strijken. [persoon A] verzorgt eiseres bij ziekte. Eiseres heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat [persoon A] vanaf 2019 iedere dag en nacht op haar adres verblijft. De SVB kan niet vaststellen op welk moment in 2019 dit precies is begonnen. Uit de dagboekfragmenten die eiseres naar de SVB heeft gestuurd, blijkt dat zij vanaf november 2021 opnieuw gezondheidsproblemen ervaart. Vanaf dat moment stelt SVB vast dat [persoon A] de meeste tijd doorbrengt op het uitkeringsadres en is er sprake van een gezamenlijke huishouding. In de periode vanaf december 2021 tot en met november 2023 heeft eiseres alleenstaandenpensioen ontvangen, terwijl zij recht had op gehuwdenpensioen. Zij heeft hierdoor te veel AOW-pensioen ontvangen. Eiseres moet een bedrag van € 10.839,31 terugbetalen. De SVB kan (gedeeltelijk) afzien van een vordering als eiseres alles heeft gedaan wat zij moest doen en zij echt niet kon weten dat zij geen recht had op alleenstaandenpensioen. Hiervan is volgens de SVB geen sprake. De SVB heeft haar naar aanleiding van het onderzoek in 2010 geïnformeerd dat zij wijzigingen in haar situatie aan de SVB door moet geven. Zij had dus kunnen weten dat zij dit moest doorgeven, Dit heeft eiseres niet gedaan. Het bezwaar is niet ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het voornemen tot het opleggen van een boete.
5. Eiseres voert – samengevat – het volgende aan. Het is feitelijk onjuist dat [persoon A] zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Hij heeft zijn hoofdverblijf op zijn eigen adres in [plaats 2], waar ook zijn zoon woont. Hij is incidenteel aanwezig op het uitkeringsadres, beperkt tot drie dagen en/of nachten per week en uitsluitend gericht op het bieden van mantelzorg. Er is sprake van een schending van de zorgvuldigheidsplicht uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en van strijd met het huisvestingscriterium. De SVB heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het verblijf van [persoon A] op het uitkeringsadres als hoofdverblijf moet worden aangemerkt, hetgeen strijdig is met artikel 3:46 van Pro de Awb.
[persoon A] en eiseres dragen niet gezamenlijk bij aan de kosten van de huishouding. Er is geen sprake van gedeelde woonlasten, zoals de betaling van huur of hypotheek, energiekosten, gemeentelijke belastingen, of verzekeringen. [persoon A] betaalt geen kosten die normaliter tot het huishouden van eiseres zouden behoren. Haar woning wordt volledig door eiseres zelf onderhouden en de kosten voor energie, water, verzekering en gemeentelijke belastingen worden door haar alleen gedragen. [persoon A] heeft ook geen gezamenlijke rekening of een andere bijdrage aan de betaling van deze kosten. Er is geen sprake van gezamenlijke uitgaven voor voeding, boodschappen of andere huishouden-gerelateerde kosten. [persoon A] doet incidenteel boodschappen voor eiseres, maar deze aankopen zijn gericht op de levering van zorg en zijn voor haar eigen rekening. Dit gebruik is specifiek voor de ondersteuning in de zorgbehoefte van eiseres en kan niet worden gezien als een structurele bijdrage aan de huishouding. [persoon A] maakt incidenteel gebruik van de pinpas en auto van eiseres, uitsluitend ter ondersteuning van haar zorgbehoeften. Dit betreft het doen van haar boodschappen die noodzakelijk zijn voor haar levensonderhoud en het vervoer naar de medische afspraken van eiseres. Het gebruik van haar pinpas en auto is strikt beperkt tot deze specifieke zorgbehoeften en draagt niet bij aan een gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid of andere verplichtingen met betrekking tot de huishouding. Verder verricht [persoon A] geen structurele huishoudelijke taken zoals schoonmaken, koken of wassen, die typisch worden geassocieerd met de verzorging van een gezamenlijke huishouding. [persoon A] is aanwezig voor specifieke zorgbehoeften, zoals het assisteren bij bepaalde taken, indien eiseres slecht ter been is, maar het zwaartepunt van de huishoudelijke verantwoordelijkheid ligt volledig bij eiseres. Het gezamenlijk op vakantie gaan met [persoon A], gedurende drie dagen/nachten, was een incidentele activiteit die geen structureel kenmerk is van hun relatie. Zoals blijkt uit de rechtspraak, is het ondernemen van gezamenlijke activiteiten zoals vakantie niet per definitie gekoppeld aan wederzijdse zorg of economische verstrengeling. [1] Er is geen sprake van structurele persoonlijke zorg die verdergaat dan de rol van mantelzorger. De zorgverlening wordt grotendeels verzorgd door de dochter en schoondochter van eiseres, die het grootste deel van de tijd, ten minste vier dagen/nachten per week, bij haar aanwezig zijn. Zij zorgen voor de persoonlijke verzorging van eiseres, waaronder het bereiden van maaltijden, het doen van boodschappen, het vervoeren naar medische afspraken en het bieden van de benodigde ondersteuning in het dagelijks leven van eiseres. Er is geen sprake van wederkerige zorg of economische verstrengeling.
Tijdens het gesprek op 17 november 2023 werd de gespreksnotitie niet vooraf door eiseres en [persoon A] gecontroleerd. Zij hebben deze in goede trouw ondertekend. Dat heeft geleid tot een onjuiste weergave van de feiten en heeft grote gevolgen gehad. De juridische implicaties van de ondertekening van de gespreksnotities werden onvoldoende uitgelegd, wat heeft bijgedragen aan een onjuist en incompleet beeld van de feitelijke situatie. Nadat eiseres en [persoon A] zich de onjuiste vastlegging realiseerden, hebben zij geprobeerd deze te corrigeren onder andere door het verstrekken van zorgdagboeken, medische gegevens en een schriftelijke correctie op het oorspronkelijke rapport van 17 november 2023. Eiseres en [persoon A] erkennen de verantwoordelijkheid voor het foutief ondertekenen van het document zonder voorafgaande controle, maar zij hebben hun best gedaan om de situatie zo snel mogelijk te rectificeren. Eiseres heeft op meerdere momenten duidelijk aangegeven dat [persoon A] niet permanent op haar adres verblijft. Eiseres en [persoon A] voelen zich niet gehoord. In het bestreden besluit wordt gesteld dat eiseres en [persoon A] zich naar aanleiding van het onderzoek van 2010 bewust hadden moeten zijn van de verplichting om wijzigingen in hun woonsituatie tijdig aan de SVB door te geven. Echter van een wijziging die binnen vier weken aan de SVB gemeld moet worden is geen sprake.
Wat vindt de rechtbank?
De omvang van het geding
6. Gelet op het bestreden besluit dat alleen gaat over de herziening en de terugvordering van het AOW-pensioen van eiseres, kan de rechtbank in deze uitspraak niet oordelen over de vraag of aan eiseres terecht een boete is opgelegd. Eiseres had aanvankelijk ook gronden aangevoerd tegen het opleggen van de boete. Tijdens de zitting heeft zij deze gronden echter ingetrokken, omdat de boete buiten de omvang van het geding valt.
Heeft de SVB het AOW-pensioen van eiseres terecht herzien?
7. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
7.1.
Ingevolge het vierde lid is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
7.2.
Op grond van het vijfde lid, aanhef en onder c, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.
8. Het besluit tot herziening van het AOW-pensioen is een voor eiseres belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de SVB. Dit betekent dat de SVB de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen maken respectievelijk aantonen. Waar het hier dus om gaat is of de SVB zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres vanaf 13 november 2021 een gezamenlijke huishouding met [persoon A] voert.
9. Eiseres en [persoon A] stonden op 13 november 2021 op verschillende adressen in de BRP ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. [2]
10. Aangezien de bewijslast bij de SVB ligt, dient zij een zorgvuldig onderzoek te verrichten. De SVB heeft haar besluit tot herziening en terugvordering van het AOW-pensioen van eiseres met name gebaseerd op de verklaringen die eiseres en [persoon A] tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres op 17 november 2023 hebben afgelegd. Ook heeft de SVB gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres over 2021 en 2022 en het adres van [persoon A] over de jaren 2013 tot en met 2022, gegevens van de Facebookprofielen van eiseres en [persoon A], en fragmenten uit het dagboek van eiseres betrokken bij haar besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat de SVB met de, uit de stukken gegenereerde informatie, niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor herziening van het AOW-pensioen van eiseres is voldaan. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij dat vindt.
10.1.
Uit de gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres over de jaren 2021 en 2022 blijkt dat het jaarverbruik over 2021 33 m3 en over 2022 40 m3 bedraagt. Dat is lager dan de norm die het Nibud hanteert voor een gemiddeld waterverbruik voor een eenpersoonshuishouden van 68 m3. Dat betekent dat op basis van het waterverbruik op het uitkeringsadres over deze jaren niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een tweepersoonshouden. [3] Het waterverbruik op het uitkeringsadres over deze jaren duidt namelijk op een eenpersoonshuishouden.
10.2.
Tijdens het huisbezoek is volstaan met het afnemen van een verklaring bij eiseres en [persoon A] aan de hand van een checklist gezamenlijke huishouding. De medewerkers van de SVB die deze verklaring hebben afgenomen hebben verzuimd door te vragen op de door eiseres en [persoon A] op de gestelde vragen gegeven antwoorden. Ook is door deze medewerkers verzuimd om verder onderzoek te verrichten in de woning van eiseres. Daardoor had vastgesteld kunnen worden of, en zo ja welke, spullen, zoals kleding, verzorgingsproducten en administratie, van [persoon A] in de woning van eiseres aanwezig waren. Ook blijkt niet uit het verslag van het huisbezoek of de hond van [persoon A] en de verzorgingsspullen van deze hond in de woning van eiseres aanwezig waren. Hierdoor is tijdens het huisbezoek, naar het oordeel van de rechtbank, geen volledig beeld gekregen van de situatie in de woning van eiseres. Dat was mede te meer aangewezen, nu door de SVB op 1 juni 2023 is vastgesteld dat het appartement op het uitkeringsadres ongeschikt is voor het verrichten van waarnemingen.
10.3.
De SVB heeft bij het adres van [persoon A] slechts een tweetal waarnemingen verricht op 8 en 14 juni 2023. Dat is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om een goed beeld te krijgen van de aanwezigheid van [persoon A] op dit adres. Bovendien heeft de SVB op dit adres geen huisbezoek afgelegd. Door het afleggen van een huisbezoek in de woning van [persoon A] had de SVB kunnen nagaan of zich daar nog voor het hebben van een hoofdverblijf belangrijke spullen van [persoon A], zoals administratie, aan [persoon A] geadresseerde post en dagelijkse verzorgingsspullen bevonden. Ook had de SVB een buurtonderzoek bij dit adres kunnen verrichten.
10.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de SVB met de onderzoeksresultaten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon A] sinds 13 november 2021 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft. Daarmee is onvoldoende aannemelijk gemaakt door de SVB dat er sinds 13 november 2021 sprake is van een gezamenlijke huishouding van eiseres en [persoon A]. Dat betekent dat de SVB ten onrechte is overgegaan tot herziening en terugvordering van het AOW-pensioen van eiseres. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat dit besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd.
11.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de SVB in de gelegenheid te stellen om, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dit gelet op het feit dat het niet meer mogelijk is om met terugwerkende kracht per 13 november 2021 of per 1 december 2021 een nader onderzoek te verrichten naar de woonsituatie van eiseres en [persoon A].
11.2.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 11 juli 2024 gegrond te verklaren en dit besluit te herroepen. Dat betekent dat eiseres per 1 december 2021 doorlopend recht heeft op een AOW-pensioen voor een alleenstaande en dat de terugvordering komt te vervallen.
11.3.
Het is de rechtbank niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient de SVB het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van
€ 53 aan haar te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2024;
- herroept het besluit van 11 juli 2024;
- bepaalt dat eiseres per 1 december 2021 onverminderd recht heeft op AOW-pensioen voor een alleenstaande en dat de terugvordering vervalt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat de SVB aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiseres verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1924.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2474.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2056.