Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3173

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
05.138232.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 244 Sr (oud)Art. 245 Sr (oud)Art. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens jarenlang seksueel misbruik van minderjarig zusje

De rechtbank Gelderland heeft een 22-jarige man veroordeeld voor het jarenlang seksueel misbruiken van zijn jongere zusje, beginnend toen zij ongeveer zes jaar oud was. De feiten beslaan een periode waarin verdachte deels minderjarig en deels meerderjarig was. De rechtbank heeft één vonnis gewezen, maar onderscheid gemaakt in strafoplegging vanwege het leeftijdsverschil en het toepasselijke sanctiestelsel.

De bewezenverklaring omvat meerdere seksuele handelingen, waaronder penetratie met penis, vingers en tong, en het misbruik van feitelijke en leeftijdsgebonden overwicht. De verklaringen van het slachtoffer zijn consistent en betrouwbaar bevonden, ondanks ontkenning van verdachte op enkele punten. De rechtbank achtte bewezen dat de handelingen onder dwang plaatsvonden, waarbij sprake was van (voorwaardelijk) opzet.

De strafoplegging bestaat uit een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 180 dagen voor de periode dat verdachte minderjarig was, en een gevangenisstraf van 180 dagen (waarvan 179 voorwaardelijk) plus een werkstraf van 200 uur voor de meerderjarige periode. Aan de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder reclasseringstoezicht en ambulante behandeling. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en het advies van deskundigen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 180 dagen voor de minderjarige periode en een gevangenisstraf van 180 dagen (waarvan 179 voorwaardelijk) plus een werkstraf van 200 uur voor de meerderjarige periode.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/138232-25
Datum uitspraak : 21 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. J.C. Stam, advocaat in Borne.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Aan verdachte (hierna ook: [verdachte] ) is één dagvaarding uitgebracht waarin drie feiten ten laste zijn gelegd. De ten laste gelegde feiten zien op een periode waarin [verdachte] deels minderjarig en deels meerderjarig was. De periode dat [verdachte] minderjarig was, loopt van [geboortedag] 2015 tot en met [geboortedag] 2021. In deze periode vallen de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3. De periode waarin [verdachte] meerderjarig was loopt van [geboortedag] 2021 tot en met 1 september 2022. In deze periode vallen de ten laste gelegde feiten onder 1 en 3.
De drie ten laste gelegde feiten zien op dezelfde verdenking, namelijk het plegen van seksuele handelingen door [verdachte] met zijn zusje [minderjarige] . Bij de behandeling tijdens de terechtzitting hebben de officier van justitie en de raadsman in het kader van het bewijs en de bewezenverklaring geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de ten laste gelegde feiten die zijn gepleegd tijdens de minderjarigheid en de ten laste gelegde feiten die zijn gepleegd tijdens de meerderjarigheid. Om die reden wijst de rechtbank één vonnis. Omdat [verdachte] in een deel van de ten laste gelegde periode ( [geboortedag] 2015 tot en met [geboortedag] 2019) nog geen 16 jaar was, zal de rechtbank bij de strafoplegging een onderscheid maken tussen de feiten begaan in de periode van zijn minderjarigheid en de feiten begaan in de periode van zijn meerderjarigheid.

2.De inhoud van de tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedag] 2015 tot en met
1 september 2022 te [woonplaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [minderjarige] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten meermalen, althans eenmaal (telkens)
  • het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen en/of tussen de billen en/of in de mond van die [minderjarige] en/of
  • het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen van die [minderjarige] en/of
  • het kussen en/of (tong)zoenen van die [minderjarige] en/of
  • het over en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of billen en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of
  • het zich laten aftrekken en/of zijn, verdachtes, penis laten betasten door die [minderjarige] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of
met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
  • (op de achterbank van de auto) (onder dekens en/of andere verhullende bedekking) zijn, verdachtes, hand in de onderkleding en/of onder de bovenkleding van die [minderjarige] heeft gedaan en/of
  • (naakt) bij die [minderjarige] in bed kwam liggen en/of
  • de onderkleding en/of bovenkleding van die [minderjarige] heeft uitgetrokken en/of omhoog en/of omlaag heeft gedaan en/of
  • bovenop die [minderjarige] is gaan zitten en/of liggen en/of
  • die [minderjarige] bij haar polsen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of
  • tegen die [minderjarige] heeft gezegd dat zij vijftig cent en/of één euro, althans een geldbedrag zou krijgen (als zij seksuele handelingen bij hem zou verrichten en/of van hem zou ondergaan, althans dat zij mee zou werken) en/of
  • tegen die [minderjarige] heeft gezegd dat hij, verdachte, bij haar op de rug zou tekenen, althans een spel met die [minderjarige] heeft gedaan (dat (telkens) resulteerde in een of meer seksuele handelingen) en/of
  • misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, eruit bestaande dat die [minderjarige] het zusje van verdachte is en/of het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht en/of
  • voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [minderjarige] en/of (aldus) voor die [minderjarige] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedag] 2015 tot en met
13 juni 2019 te [woonplaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,
met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten
  • het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen en/of tussen de billen en/of in de mond van die [minderjarige] en/of
  • het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen van die [minderjarige] en/of
  • het kussen en/of (tong)zoenen van die [minderjarige] en/of
  • het over en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of billen en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of
  • het zich laten aftrekken en/of zijn, verdachtes, penis laten betasten door die [minderjarige] ;
3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedag] 2019 tot en met
1 september 2022 te [woonplaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,
met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar
nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten
  • het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen en/of tussen de billen en/of in de mond van die [minderjarige] en/of
  • het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen van die [minderjarige] en/of
  • het kussen en/of (tong)zoenen van die [minderjarige] en/of
  • het over en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of billen en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of
  • het zich laten aftrekken en/of zijn, verdachtes, penis laten betasten door die [minderjarige] .
3. Overwegingen over het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
[verdachte] en [minderjarige] zijn broer en zus. [minderjarige] is vier jaar jonger dan [verdachte] . Toen [verdachte] 10 of 11 jaar oud was, begon hij te experimenteren met seks. Hij experimenteerde ook met [minderjarige] . [minderjarige] was toen 6 of 7 jaar oud. Het begon met naakt naast elkaar liggen, knuffelen, (tong)zoenen en het bekijken van elkaars geslachtsdelen. Dat ging over op voelen aan de borsten en billen (op en onder de kleding), beffen en elkaars geslachtsdeel aanraken. [verdachte] ging ook met zijn piemel tussen de bilspleet van [minderjarige] en hij wreef met zijn geslachtsdeel tegen het geslachtsdeel van [minderjarige] . [verdachte] ging met zijn tong en vingers over de clitoris van [minderjarige] en over het gat van haar vagina. Ook was er sprake van penetratie met de tong en vingers in de vagina en heeft [minderjarige] [verdachte] afgetrokken en gepijpt.
De seksuele handelingen tussen [verdachte] en [minderjarige] vonden plaats in hun ouderlijk huis in [woonplaats] en op de achterbank van de auto. De laatste keer dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen [verdachte] en [minderjarige] was in de zomer van 2022. [verdachte] en [minderjarige] waren op dat moment in de auto op de terugweg van een vakantie in Tsjechië. Op 25 juli 2022 waren zij weer terug in Nederland.
Het initiatief voor de seksuele handelingen kwam van [verdachte] . Hij vroeg [minderjarige] of zij bepaalde handelingen bij hem wilde verrichten. Af en toe liet [minderjarige] wel merken dat zij dit niet wilde. Dan drong [verdachte] aan en deed [minderjarige] toch wat [verdachte] zei. Vaak begonnen de seksuele handelingen met een spelletje waarbij [verdachte] op de rug van [minderjarige] tekende. Dan ging hij steeds lager, waarbij de broek en kleding van [minderjarige] uit werden gedaan. Dit resulteerde vervolgens in het verrichten van seksuele handelingen. Verder heeft [verdachte] [minderjarige] wel eens geld geboden, zodat zij de seksuele handelingen zou dulden. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de pleegperiode heeft de officier van justitie opgemerkt dat zij zich kan vinden in de opmerkingen die door de raadsman zijn gemaakt over het einde van de pleegperiode, te weten dat deze zou moeten eindigen op 24 juli 2022.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank gevraagd [verdachte] vrij te spreken van de onder feit 1 ten laste gelegde verkrachting, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs kent voor dwang door (bedreiging met) geweld en andere feitelijkheden. Bovendien ontbreekt volgens de raadsman het vereiste (voorwaardelijke) opzet op de ten laste gelegde dwang.
Over alle drie de ten laste gelegde feiten heeft [verdachte] verklaard dat geen sprake is geweest van binnendringen met de penis in de vagina. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om [verdachte] partieel vrij te spreken van penetratie met de penis in de vagina voor de periode dat [minderjarige] nog geen 12 jaar oud was. Ook heeft de raadsman gesteld dat de pleegperiode bij de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten moet worden beperkt tot uiterlijk 24 juli 2022.
De beoordeling door de rechtbank
De seksuele handelingen
De rechtbank constateert dat [verdachte] alle ten laste gelegde seksuele handelingen heeft bekend, met uitzondering van de penetratie met de penis in de vagina. [minderjarige] heeft hierover verklaard dat het altijd begon met aanrakingen en dat [verdachte] dan op een gegeven moment boven op haar ging zitten, waarna ze seks gingen hebben. Op de vraag wat [verdachte] dan precies deed en waar, heeft [minderjarige] verklaard: “Dan ging hij zijn piemel gewoon in mij doen. In mijn vagina.” Verder heeft [minderjarige] hierover verklaard dat [verdachte] dan heen en weer ging bewegen. Dit gebeurde niet in de auto met de ouders erbij, maar voor de rest eigenlijk altijd. [minderjarige] heeft ook verklaard dat de seks altijd hetzelfde verliep. [verdachte] ging op haar zitten en deed zijn piemel dan in haar vagina. Soms hield hij de polsen van [minderjarige] vast en soms niet. Dan ging hij een paar minuten bewegingen maken. Het stopte als [verdachte] zijn piemel uit [minderjarige] haalde, zich gewoon weer ging aankleden en dan wegliep. [3]
De rechtbank vindt de verklaring van [minderjarige] over het binnendringen met de penis betrouwbaar. Haar verklaring hierover is consistent en gedetailleerd. [minderjarige] is er in haar verklaring ook open over dat zij zich - kort gezegd - niet alles meer in detail kan herinneren en plaatsen in tijd en plaats. De rechtbank vindt dit ook voorstelbaar vanwege het lange tijdsverloop en haar jonge leeftijd toen het een en ander begon. [minderjarige] is wel héél duidelijk wanneer zij spreekt over de piemel van verdachte in haar vagina. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om aan haar herinneringen en dus de betrouwbaarheid van haar verklaring op dit punt te twijfelen. Haar verklaring is ook ingebed in de door verdachte erkende context van jarenlang incestueus misbruik. Ondanks de ontkenning van [verdachte] op dit punt, komt de rechtbank daarom tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde brengen en/of bewegen van de penis in de vagina.
Dwang
Voor bewezenverklaring van verkrachting zoals ten laste gelegd onder feit 1 (artikel 242 Sr Pro (oud)) is nodig dat de seksuele handelingen onder dwang plaatsvonden. Een dwangmiddel bestaat uit geweld, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van het door een ‘andere feitelijkheid’ dwingen alleen sprake kan zijn als de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. Of dwang zich heeft voorgedaan laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Niet vereist is dat van verzet van het slachtoffer is gebleken. [4]
Uit de verklaringen van [verdachte] en [minderjarige] volgt dat tussen hen sprake is geweest van een optelsom van feitelijkheden waardoor [minderjarige] de seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Allereerst is van belang dat sprake is van vier jaar leeftijdsverschil en [verdachte] de seksuele handelingen is begonnen toen [minderjarige] nog heel jong was. Van begin af aan was sprake van mentaal en fysiek overwicht van [verdachte] op zijn zusje. Uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van [verdachte] en [minderjarige] blijkt dat [verdachte] bij gelegenheid naakt bij [minderjarige] in bed kwam liggen, dat hij op [minderjarige] ging zitten, dat hij [minderjarige] bij haar polsen vastpakte en dat hij [minderjarige] probeerde over te halen door haar bijvoorbeeld geld te beloven als ze mee zou werken. Ook speelde [verdachte] een spelletje met [minderjarige] , waarbij hij op haar rug tekende en dan steeds verder (naar beneden) ging tot het spelletje resulteerde in seks.
Naast de hiervoor beschreven feitelijkheden, weegt de rechtbank zwaar mee dat [verdachte] 4 jaar ouder was dan [minderjarige] , waardoor hij fysiek en mentaal overwicht op haar had. [minderjarige] heeft verklaard dat zij [verdachte] vaak bij zijn borst weg probeerde te duwen als teken dat zij het niet wilde. Dat was een beetje aan het begin als [verdachte] naar [minderjarige] toe kwam. Als [verdachte] eenmaal bezig was, bevroor [minderjarige] . [minderjarige] heeft ook wel eens nee gezegd tegen [verdachte] toen zij wat ouder was. Dan zei ze: “nee” of “nee, dat wil ik niet”. [minderjarige] vond het moeilijk om haar mening te geven ten opzichte van [verdachte] . Ze kan zich niet herinneren dat hij boos werd als ze niet wilde, maar wel dat hij geïrriteerd was. Hij drong aan tot [minderjarige] toegaf en het maar liet gaan. [5]
Gelet op de hiervoor genoemde verklaringen van zowel [verdachte] als [minderjarige] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde dwang. Door keer op keer voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet van [minderjarige] , vindt de rechtbank dat ook sprake was van (voorwaardelijk) opzet van [verdachte] , gericht op het doen ondergaan van de seksuele handelingen door [minderjarige] tegen haar wil.
De pleegperiode en -plaats
De rechtbank zal de pleegperiode beperken tot 24 juli 2022. Uit zowel de verklaring van [verdachte] als van [minderjarige] blijkt immers dat de laatste keer dat seksueel contact tussen hen heeft plaatsgevonden is geweest op de terugweg van de zomervakantie in 2022.
[minderjarige] heeft verklaard dat de seksuele handelingen tussen haar en [verdachte] niet alleen plaatsvonden in het ouderlijk huis in [woonplaats] en op de achterbank van de auto, maar ook in de woning van haar opa en oma in [plaats] . [6] Op basis van het dossier valt niet in te zien dat ze zich hierover heeft vergist en/of haar herinnering niet klopt. De rechtbank vindt de verklaring van [minderjarige] ook op dit punt helder en betrouwbaar en komt ook tot een bewezenverklaring van deze pleegplaats.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in
of omstreeksde periode van [geboortedag] 2015 tot en met
1 september 202224 juli 2022 te [woonplaats] en
/of[plaats] , althans in Nederland,
door
geweld ofeen andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid[minderjarige] heeft gedwongen tot het ondergaan van
een of meerhandelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten meermalen, althans eenmaal (telkens)
  • het brengen en
  • het brengen en
  • het kussen en
  • het over en
  • het zich laten aftrekken en
waarbij
dat geweld en/ofdie andere feitelijkheid
en/of die bedreiging met geweld en/of
met die andere feitelijkheider in heeft
/hebbenbestaan dat verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
  • (op de achterbank van de auto) (onder dekens en/of andere verhullende bedekking) zijn, verdachtes, hand in de onderkleding en/of onder de bovenkleding van die [minderjarige] heeft gedaan en
  • (naakt) bij die [minderjarige] in bed kwam liggen en
  • de onderkleding en/of bovenkleding van die [minderjarige] heeft uitgetrokken en/of omhoog en/of omlaag heeft gedaan en
  • bovenop die [minderjarige] is gaan zitten en/of liggen en
  • die [minderjarige] bij haar polsen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en
  • tegen die [minderjarige] heeft gezegd dat zij vijftig cent
  • tegen die [minderjarige] heeft gezegd dat hij, verdachte, bij haar op de rug zou tekenen, althans een spel met die [minderjarige] heeft gedaan (dat (telkens) resulteerde in een of meer seksuele handelingen) en
  • misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, eruit bestaande dat die [minderjarige] het zusje van verdachte is en
  • voorbij is gegaan aan de verbale en
2.
hij op één of meer tijdstippen in
of omstreeksde periode van [geboortedag] 2015 tot en met
13 juni 2019 te [woonplaats] en
/of[plaats] , althans in Nederland,
met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meerhandelingen heeft gepleegd, die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten
  • het brengen en
  • het brengen en
  • het kussen en
  • het over en
  • het zich laten aftrekken en
3.
hij op één of meer tijdstippen in
of omstreeksde periode van 14 juni 2019 tot en met
1 september 202224 juli 2022 te [woonplaats] en
/of[plaats] , althans in Nederland,
met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar
nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, die
bestonden uit ofmede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten
  • het brengen en
  • het brengen en
  • het kussen en
  • het over en
  • het zich laten aftrekken en
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de eendaadse samenloop van feit 1 met de feiten 2 en 3 op, te weten:
feit 1
verkrachting,meermalen gepleegd;
feit 2
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
feit 3
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

8. De motivering van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aparte straffen gevorderd voor de periode dat [verdachte] minderjarig was en voor de periode dat [verdachte] meerderjarig was. Voor de periode waarin [verdachte] minderjarig was, heeft de officier van justitie een geheel voorwaardelijke jeugddetentie gevorderd, met een proeftijd van 2 jaar, onder de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voor de periode waarin [verdachte] meerderjarig was, vordert de officier van justitie een werkstraf van 200 uur en daarnaast een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 1 dag onvoorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de straf voor [verdachte] de speciale preventie voorop moet staan. Daarbij moet rekening worden gehouden met het gegeven dat het zwaartepunt van de bewezen te verklaren feiten ligt in de periode dat [verdachte] minderjarig was. Door het tijdsverloop is het op dit moment niet meer passend om voor het gehele feitencomplex jeugdstrafrecht toe te passen, maar hiermee moet volgens de raadsman wel rekening worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van de straf. De raadsman heeft de rechtbank erop gewezen dat sprake is van een eendaadse samenloop van feit 1 met de feiten 2 en 3 en dat de feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. Tot slot vindt de raadsman het van belang dat in strafmatigende zin rekening wordt gehouden met de manier waarop [verdachte] verantwoordelijkheid heeft genomen, dat hij zelf actief hulp heeft gezocht en het gegeven dat hij tot nu al ongeveer 500 uur aan intensieve therapie heeft gevolgd om recidive te voorkomen. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan [verdachte] op te leggen, althans niet langer dan één dag. Een lange gevangenisstraf doorkruist de zedenbehandeling waar [verdachte] zich al lange tijd voor inzet. Bovendien zal [verdachte] hierdoor zijn baan verliezen. De raadsman heeft de rechtbank daarom gevraagd te volstaan met de oplegging van een forse werkstraf met daarnaast een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf als kader voor de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 12 maart 2026 (het strafblad),
  • het rapport Pro Justitia van 11 december 2025 van mevrouw D.R. van der Velden,
GZ-psycholoog;
- het rapport van Reclassering Nederland van 23 maart 2026.
In het bijzonder weegt de rechtbank het volgende mee.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich gedurende een periode van 7 jaar schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn jongere zusje. De seksuele handelingen begonnen toen [minderjarige] ongeveer 6 jaar was en gingen veel verder dan het alleen onschuldig aanraken of ontdekken van elkaar. Hij heeft haar jarenlang seksueel misbruikt om zijn eigen behoeftes te bevredigen en (seksuele) frustraties af te reageren. Uit de slachtofferverklaring die tijdens de zitting namens [minderjarige] werd voorgedragen blijkt dat het misbruik grote impact op haar leven heeft gehad en nog steeds heeft. De rechtbank rekent dit [verdachte] zwaar aan. [verdachte] heeft met zijn handelen onherstelbaar leed veroorzaakt, in de eerste plaats bij [minderjarige] maar zeker ook in het gezin waar [minderjarige] en [verdachte] als zus en broer allebei deel van uitmaken.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank constateert dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
[verdachte] is onderzocht door een psycholoog. [verdachte] is een overwegend gemiddeld intelligente man met een autismespectrumstoornis (ASS) en kenmerken van ADHD. Een parafiele stoornis kon niet gesteld worden. Zij heeft het recidiverisico ingeschat als gemiddeld. De psycholoog heeft geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Vanuit zijn stoornis was sprake van een tekort aan (sociaal) inschattingsvermogen. Het advies is ook om het volwassenenstrafrecht toe te passen zodat de lopende ambulante forensische zedenbehandeling bij Transfore kan worden vastgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Volgens de psycholoog is het intensieve ondersteuningsaanbod noodzakelijk om het recidiverisico te verminderen. Daarnaast is reclasseringstoezicht nodig om te monitoren of [verdachte] zich aan de voorwaarden houdt.
De reclassering heeft zich aangesloten bij het advies van de psycholoog. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en intensieve ambulante forensische zedenbehandeling bij Transfore, zolang de reclassering dat nodig vindt.
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over voor wat betreft de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat [verdachte] zelf nog erg jong was toen het misbruik begon en dat het zwaartepunt van de bewezenverklaarde feiten ligt in de periode dat [verdachte] minderjarig was. Tot slot houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening met de manier waarop [verdachte] verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen nadat het misbruik bekend is geworden, en dat hij sinds anderhalf jaar op vrijwillige basis een intensieve therapie volgt om recidive te voorkomen.
Toepasselijk sanctiestelsel
Zoals hiervoor al overwogen, was [verdachte] gedurende een deel van de bewezenverklaarde periode waarin het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden nog geen 16 jaar. Gelet op artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht is het wettelijk niet mogelijk om het advies van de deskundigen op te volgen om één straf op te leggen op basis van het sanctiestelsel voor volwassenen voor de gehele bewezenverklaarde periode. [7] De rechtbank legt [verdachte] daarom twee straffen op: één voor de feiten begaan in de periode dat hij nog minderjarig was en één voor de feiten begaan in de periode dat hij meerderjarig was.
Periode van minderjarigheid ( [geboortedag] 2015 tot en met [geboortedag] 2021)
De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, onder de algemene voorwaarde dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Periode van meerderjarigheid ( [geboortedag] 2021 tot en met 24 juli 2022)
De rechtbank legt een werkstraf op van 200 uur en daarnaast een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan de proeftijd koppelt de rechtbank de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het gebruik van medicatie als onderdeel van de ambulante behandeling. De rechtbank overweegt in dit verband dat bij [verdachte] geen parafiele stoornis is vastgesteld en dat de noodzaak voor het verplicht innemen van medicatie verder onvoldoende is onderbouwd. Omdat verdachte onder meer wordt veroordeeld voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, kan wettelijk gezien alleen een werkstraf worden opgelegd, als dit gebeurt in combinatie met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Om die reden heeft de rechtbank één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 77a, 77g, 77i, , 77x, 77y, 77z, 77gg, 242 (oud), 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens de begane feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, in de periode
tot en met [geboortedag] 2021tot:
A.
een jeugddetentie voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;
bepaalt dat van die jeugddetentie 180 dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,
 veroordeelt verdachte wegens de begane feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, in de periode
vanaf [geboortedag] 2021tot:
een taakstraf van 200 (tweehonderd) uur;
met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;
bepaalt dat van die gevangenisstraf 179 (honderdnegenenzeventig) dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,
stelt als
bijzondere voorwaardendat:
1. verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich
binnen drie werkdagennadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16a te Zutphen;
2. verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, zolang de reclassering behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is het vervolg van de ambulante, forensische zedenbehandeling waarmee verdachte al gestart is en is gericht op het verder uitwerken van de delictketen, het aanleren van alternatieve manieren van zelfregulatie en hanteringsvaardigheden (coping) en psycho-educatie over autismespectrumstoornis, waaronder het vergroten van het sociale begripsvermogen en meer concreet de kennis over (partner)relaties en seksualiteit;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Hierbij gelden als
voorwaardendat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Stoet (kinderrechter en voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en mr. M. Rietveld, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 april 2026.
mr. M.W. Stoet en mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024290443 (onderzoek Terra), gesloten op 28 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige] , p. 11 t/m 19, het proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 41 t/m 47 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 7 april 2026.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige] , p. 12 en 13.
5.Het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige] , p. 15 en 19.
6.Het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige] , p. 11 en 18.
7.Zie daarvoor Hoge Raad 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:289 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2025:289).