Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2787

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/8723
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.119a Wet IB 2001Art. 3.120 Wet IB 2001Art. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-aftrekbaarheid van kosten ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid hypotheek bij woningverdeling

Belanghebbende maakte kosten voor juridische procedures om het aandeel van zijn ex-partner in de woning te verkrijgen en haar ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek te bewerkstelligen. De inspecteur weigerde deze kosten als aftrekbare financieringskosten eigen woning te erkennen.

De rechtbank stelde vast dat het hoorrecht van belanghebbende was geschonden omdat hij niet adequaat in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord over zijn bezwaar. Dit leidde tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep.

Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de gemaakte kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de eigenwoningschuld, maar samenhangen met de verdeling van de woning en het geschil met de ex-partner. Daarom zijn deze kosten niet aftrekbaar volgens artikel 3.120 Wet IB 2001.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, handhaafde de aanslag, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende. De zaak kan in hoger beroep worden gebracht bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Beroep gegrond wegens schending hoorrecht, maar aanslag blijft in stand omdat kosten niet aftrekbaar zijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8723

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 oktober 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 79.267.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende hiertegen aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en heeft dit verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon A], en, namens de inspecteur, [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 17 augustus 2004 samen met [persoon D] (de ex-partner) de woning aan de [locatie] te [plaats] (de woning) gekocht. Zij zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar geworden en hebben zich op 18 maart 2004 ingeschreven op dit adres in de BRP. De ex-partner is op 1 juli 2017 uitgeschreven.
2. In 2021 is de ex-partner een kort geding begonnen waarin zij heeft gevorderd belanghebbende te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de
woning. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen bij vonnis van 24 juni 2021.
3. Belanghebbende heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De advocaat van belanghebbende, [persoon E] (de advocaat), heeft op 22 juli 2022 de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt. In deze dagvaarding zijn zes grieven aangevoerd, namelijk:
  • ten onrechte is geoordeeld dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang;
  • ten onrechte is geoordeeld dat de zaak geschikt is voor een kort geding;
  • ten onrechte is geoordeeld dat belanghebbende medewerking aan de verkoop van de woning moet verlenen;
  • ten onrechte is vervangende toestemming aan de ex-partner verleend om tot verkoop van de woning over te gaan;
  • ten onrechte is belanghebbende veroordeeld tot verschillende onduidelijke doen en nalatens;
  • de ex-partner kan ontslagen worden uit haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen en haar aandeel in de woning kan worden overdragen aan belanghebbende (de eis in reconventie).
4. Naast het hoger beroep tegen het kort geding vonnis is tussen partijen ook een bodemprocedure gestart.
5. Belanghebbende en de ex-partner hadden ten tijde van de hiervoor genoemde procedures twee hypothecaire geldleningen met ultimo 2021 een gezamenlijke openstaande hoofdsom van € 560.000.
6. Belanghebbende heeft het eigendomsaandeel van zijn ex-partner in de woning goederenrechtelijk geleverd gekregen op 1 juli 2022. In de leveringsakte is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“PARTIËLE VERDELING

(…)
OVEREENKOMST TOT VERDELING
1. Blijkens na te melden eigendomsverkrijging bestaat er tussen Partijen [
rechtbank:belanghebbende en de ex-partner] een gemeenschap ten aanzien van de hierna te omschrijven Registergoederen.
2. Partijen hebben een Overeenkomst gesloten inzake de verdeling van de hierna te omschrijven Registergoederen. Hiervan blijkt uit een proces-verbaal, opgesteld door de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op zes mei tweeduizend tweeëntwintig door Partijen ondertekend, hierna:
Overeenkomst, waarvan een afdruk aan deze akte zal worden gehecht (
Bijlage 2).
3. Partijen zijn overeengekomen om zes mei tweeduizend tweeëntwintig als Peildatum van deze verdeling aan te nemen, hierna:
Peildatum.
OMSCHRIJVING VAN DE IN DEZE AKTE TE VERDELEN GOEDEREN
Registergoederen
De omschrijving van de in de onderhavige verdeling betrokken Registergoederen luidt:
a. een perceel grond met woonhuis, erf, tuin en verder toebehoren gelegen te [postcode] [plaats], [locatie], kadastraal bekend gemeente
Ambt-Doetinchem, sectie
[sectie], nummer
[nummer 1]ter grootte van vijf are en negentig centiare (5 a 90 ca), en;
b. een perceel grond, (deels) belast met een nader te omschrijven opstalrecht nutsvoorzieningen, gelegen nabij [postcode] [plaats], [locatie], kadastraal bekend gemeente
Ambt-Doetinchem, sectie
[sectie], nummer
[nummer 2]ter grootte van vierendertig are en zestig centiare (34 a 60 ca),
hierna:
Registergoederen, volgens de verklaring van Partijen met een waarde van zeshonderd veertigduizend euro (€ 640.000,00).
(…)
Hypotheek
Enzovoorts.
WAARDEBEPALING
De waarde van de Registergoederen is door Partijen in onderling overleg bepaald.
PARTIELE VERDELING
Met betrekking tot de verdeling verklaarden Partijen dat wordt toegedeeld aan Deelgenoot 1 [
rechtbank:belanghebbende] en die bij dezen aanvaardt:
de Registergoederen onder de verplichting om de hiervoor onder Hypotheek vermelde hypothecaire geldlening in haar geheel voor zijn rekening te nemen, Deelgenoot 2 [
rechtbank:de ex-partner] vrijwarend ter zake van iedere aanmaning.
OVERBEDELING
Enzovoorts.
LEVERING
Partijen gaan ter uitvoering van deze partiële verdeling bij deze akte over tot de levering van de Registergoederen aan Deelgenoot 1
,die de Registergoederen bij dezen aanvaardt.
(…)
SCHULDOVERNEMING
Gemelde hypothecaire geldlening zal ter gelegenheid van de ondertekening van de onderhavige partiële verdelingsakte door Deelgenoot 1 geheel worden afgelost, zodat geen formeel ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van Deelgenoot 2 nodig is terzake van de genoemde hypothecaire lening.
(…)
BETALING/KWIJTING EN DÉCHARGE
Gemelde schuld wegens overbedeling is door Deelgenoot 1 voldaan door storting op een rekening als bedoeld in artikel 25 van Pro de Wet op het Notarisambt, aangehouden door mij, notaris.
(…)
Uitbetaling van de overbedelingsvordering zal eerst plaatsvinden, zodra mij, notaris, uit onderzoek bij vermelde openbare registers is gebleken, dat deze levering is geschied zonder inschrijvingen die bij het verlijden van de akte van partiële verdeling niet bekend waren. (…)”
7. Belanghebbende is op 14 juni 2022 een nieuwe geldlening aangegaan bij Stichting [naam stichting] met een hoofdsom van € 607.500. Op dezelfde dag als de hiervoor beschreven goederenrechtelijke levering heeft belanghebbende ten behoeve van het verstrekken van zekerheid aan deze geldverstrekker, een (eerste) recht van hypotheek verleend op de woning met een omvang van € 850.500.
8. De hiervoor genoemde aanhangige bodemprocedure is vervolgens ingetrokken.
9. De advocaat heeft op 12 december 2022, voor zover relevant, de volgende toelichting over zijn werkzaamheden aan belanghebbende gemaild:
“(…)
Uw heeft mijn kantoor opdracht gegeven u bij te staan in de kwestie inzake de verdeling van de woning [locatie] te [plaats]. Deze woning met toebehoren was gemeenschappelijk eigendom van u en uw voormalig partner mw. [persoon D]. (…).
In het kader van het geschil met mevrouw [persoon D] omtrent de toedeling van de woning, zijn er drie procedures gevoerd, een kort geding, een hoger beroep tegen het vonnis in kort geding (waarbij toewijzing van de woning aan u werd afgewezen en de voorzieningenrechter en het hof oordeelden dat de woning op verzoek van [persoon D] verkocht diende te worden) en een bodemprocedure, waarbij uiteindelijk met mevrouw [persoon D] een regeling kon worden getroffen en de woning aan u is toegedeeld.
(…). Uiteindelijk zijn in dit dossier onze kosten gedeclareerd tot een bedrag groot € 62.051,35 incl. btw. Deze kosten zijn in redelijkheid door u gemaakt ter verkrijging van het aandeel van mevrouw [persoon D] in de woning, nu zij zich daartegen verzette en wenste dat de woning zou worden verkocht.”
10. De advocaat heeft daarna, met dagtekening 25 april 2023 en voor zover relevant, de volgende verklaring over zijn werkzaamheden gegeven:
“(…)
Het geschil tussen de heer [belanghebbende] en mevrouw [persoon D], zoals zich dat in de jaren 2021 en 2022 heeft ontwikkeld, kan niet goed worden begrepen zonder de samenlevingsovereenkomst. Daarin hadden partijen vooraf afspraken gemaakt over toedeling van de woning. Na de verbreking van de relatie zijn partijen aanstonds overeengekomen dat de heer [belanghebbende] in de woning zou blijven wonen (waarmee hij vide de bepalingen in de samenlevingsovereenkomst ook het recht op toedeling van de woning kreeg), of eigenlijk de woning reeds aan hem was toegedeeld in obligatoire zin. Deze samenlevingsovereenkomst met daarin de afspraken over toedeling van de woning etc was voor mijn tussenkomst reeds gesloten en partijen hadden overeenstemming over de afspraken inzake het uit elkaar gaan.
Daar stond wel tegenover dat de heer [belanghebbende] er alsdan zorg voor diende te dragen dat mevrouw [persoon D] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid zou worden ontslagen.
(…).
Volgens de heer [belanghebbende] weigerde mw. [persoon D] later - het had naar haar zeggen allemaal te lang geduurd - om medewerking te verlenen aan het vestigen van een nieuwe hypotheek c.q. de doorhaling van de hypotheek voor zover die op haar naam stond. Daardoor kon [belanghebbende] geen nieuwe 1e hypotheek vestigen, terwijl de bestaande financier, de Rabobank, niet bereid was een aanvraag voor een nieuwe geldlening aan de heer [belanghebbende] in behandeling te nemen, zolang mevrouw [persoon D] niet bereid was een verzoek tot ontslag uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid in te dienen.
Ter onderbouwing hiervan wordt aan deze verklaring gehecht een door mij aan de Rabobank verzonden e-mail met een reeds door de heer [belanghebbende] ondertekend verzoek aan de Rabobank. Mevrouw [persoon D] heeft dat verzoek nimmer willen ondertekenen, zodat de Rabobank ook weigerde een verzoek tot het verstrekken van een hypotheekaanvraag op naam van enkel de heer [belanghebbende] in behandeling te nemen.
Die weigering van mevrouw [persoon D], waardoor de huisbankier een aanvraag voor een nieuwe financiering niet in behandeling wenste te nemen, is van de zijde van de heer [belanghebbende] de primaire inzet van de procedures geweest. Haar instemming was nodig (zij was immers mede-eigenaar) voor het kunnen vestigen van een nieuwe (1e) hypotheek.
Uiteraard speelden daarnaast nog andere aspecten, maar in hoofdzaak ging het geschil dus over het bereiken van een situatie waarin de heer [belanghebbende] wél een aanvraag door de Rabobank of een andere hypotheekverstrekker in behandeling kon doen nemen. De afspraken over de verdeling waren immers reeds gemaakt. (…). Het zwaartepunt van de discussies in rechte was dus niet zozeer aan wie de woning zou worden toebedeeld, maar een weigering van mevrouw [persoon D] om in te
stemmen met een royement van de bestaande hypotheek teneinde de vestiging van een nieuwe 1e hypotheek op naam van de heer [belanghebbende] mogelijk te maken.”
11. Belanghebbende heeft voor de hiervoor genoemde procedures advocaatkosten (hierna: royementkosten) gemaakt, waarvan in 2021 € 31.909 is voldaan.
12. De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2021 vastgesteld overeenkomstig de daartoe ingediende aangifte, waarin de royementskosten niet als financieringskosten voor de eigen woning in aftrek zijn gebracht.
13. De inspecteur heeft na afloop van de bezwaartermijn een nieuwe aangifte IB/PVV 2021 ontvangen en heeft deze aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Het verschil tussen de definitieve aanslag en dit verzoek betreft uitsluitend de royementskosten.
14. De inspecteur heeft dit verzoek, ook na bezwaar, afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

15. De rechtbank beoordeelt allereerst of belanghebbende in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Verder beoordeelt zij of de aanslag IB/PVV 2021 niet te hoog is vastgesteld. Daarbij gaat het om de vraag of de betaalde royementkosten kwalificeren als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning.
16. De rechtbank verklaart het beroep gegrond uitsluitend omdat het hoorrecht is geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is belanghebbende ten onrechte niet gehoord?
17. Een bestuursorgaan dient een belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. [1]
18. De inspecteur betwist dat het hoorrecht is geschonden. Daartoe voert hij aan dat hij belanghebbende bij brief van 26 september 2024 in de gelegenheid heeft gesteld om een afspraak te maken voor een hoorgesprek en dat belanghebbende daarop niet heeft gereageerd.
19. Belanghebbende betoogt dat hij wilde worden gehoord, dat hij de brief van de inspecteur van 26 september 2024 nooit heeft ontvangen, daarom daarop niet heeft kunnen reageren en dat daarom het hoorrecht is geschonden.
20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord. Weliswaar heeft belanghebbende niet expliciet verzocht te worden gehoord, maar hij heeft wel te kennen gegeven – zowel in zijn bezwaarschrift als in de daaropvolgende e- mailcorrespondentie met de inspecteur – dat hij bereid is tot het geven van een nadere toelichting. De inspecteur heeft in zijn brief van 26 september 2024 de gemachtigde gelegenheid gegeven te worden gehoord. Bij achterwege blijven van een reactie had de inspecteur niet zonder meer de conclusie kunnen trekken dat het horen achterwege kon blijven. [2] In dit kader acht de rechtbank verder relevant dat de inspecteur de verzending en de terpostbezorging van de brief van 26 september 2024 niet aannemelijk heeft gemaakt.
21. Partijen hebben voor dat geval verzocht om voortzetting van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de inspecteur.
Kwalificeren de royementskosten als aftrekbare kosten voor de eigen woning?
22. Artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001, bepaalt:
“1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:
(..)
b. de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld;”
23. Onder het begrip ‘kosten van geldleningen’ vallen uitsluitend kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het opnemen, verlengen of aflossen van een geldlening. [3] Daarnaast dient de geldlening te behoren tot de eigenwoningschuld zoals die is gedefinieerd in artikel 3.119a van de Wet IB 2001.
24. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat een belanghebbende, die aftrekbare kosten inzake de eigen woning in aanmerking wil nemen, feiten en omstandigheden dient te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk dient te maken die leiden tot de conclusie dat de door hem gestelde kosten aftrekbaar zijn.
25. Belanghebbende voert aan dat dat de royementskosten zien op het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de ex-partner ten aanzien van de bestaande hypotheek en de nieuwe financiering van de woning. De ex-partner wilde namelijk niet meewerken aan het royement. Dit zijn kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. De onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gewezen jurisprudentie en uitleg van de wet op dit punt is volgens belanghebbende nog steeds van toepassing. Daarnaast zou volgens de inspecteur de royementskosten mogelijk wel aftrekbaar zijn wanneer deze situatie zich met een ander dan de ex-partner had voorgedaan.
26. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de tussen belanghebbende en de ex-partner gevoerde procedures zien op de vraag wie rechthebbende was in relatie tot de woning. De royementskosten zien dus niet op de kosten voor het doorhalen van een hypotheek, maar op de verdeling van de woning. Die kosten zijn daarom niet aftrekbaar. Daarnaast heeft belanghebbende de hypotheek afgelost, waardoor zijn ex-partner niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid hoefde te worden ontslagen. De royementkosten staan dus niet in rechtstreeks verband met het aflossen, verlengen of opnemen van een geldlening door belanghebbende die voor een kwalificerende eigenwoningschuld, aldus de inspecteur.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de dagvaarding in hoger beroep blijkt dat de inzet van het kort geding de vordering van de ex-partner tot verkoop van de woning was. Belanghebbende heeft kosten gemaakt om zich tegen deze vordering te verweren. Uit de eerste verklaring van de advocaat blijkt dat het verweer in ieder geval ook zag op de verkrijging van het aandelen in de woning door belanghebbende. Als in het ongelijk gestelde partij heeft belanghebbende tegen het kortgedingvonnis hoger beroep ingesteld. Uit de dagvaarding in hoger beroep blijkt dat slechts één van de zes grieven ziet op de vordering om de ex-partner uit haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen te ontslaan en daarbij haar aandeel in de woning aan belanghebbende overdraagt.
28. De rechtbank overweegt verder dat de advocaat wisselende verklaringen heeft afgelegd. De tweede verklaring onderbouwt het standpunt van belanghebbende. Echter, deze verklaring is in tegenstelling tot de eerste, oorspronkelijke verklaring afgegeven nadat de inspecteur belanghebbende had geïnformeerd van zijn voornemen om het verzoek om ambtshalve vermindering af te wijzen. Daarnaast wordt in de tweede verklaring verwezen naar de samenlevingsovereenkomst als titel voor de verdeling, terwijl uit de akte van verdeling blijkt dat de titel wordt gevormd door de afspraken die in de bodemprocedure zijn gemaakt (zie hieronder in overweging 30). De rechtbank kent bewijsrechtelijk daarom minder waarde toe aan de tweede verklaring dan aan de eerste.
29. De rechtbank overweegt daarnaast dat in enkele stukken wordt verwezen naar correspondentie met de Rabobank over het ontslag van de ex-partner uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en het gebrek aan medewerking van haar daarbij. Belanghebbende heeft deze correspondentie op geen enkel moment overgelegd. Dit standpunt is dan ook op geen enkele wijze onderbouwd. Hieraan doet niet af de door de gemachtigde ter zitting gedane opmerking dat ten aanzien van deze beide punten hij zich heeft gebaseerd op inlichtingen van de advocaat. Ook is de ex-partner uiteindelijk niet ontslagen uit haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, omdat belanghebbende die geldleningen geheel heeft afgelost.
30. De rechtbank overweegt tot slot dat in de akte van verdeling niet is aangesloten bij de afspraken die in de samenlevingsovereenkomst zijn gemaakt, maar bij de afspraken zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal in de bodemzaak van 6 mei 2022. Belanghebbende en zijn ex-partner zijn in het kader van de overdracht van het aandeel in de woning aan belanghebbende een waarde van de woning overeengekomen op peildatum 6 mei 2022. Als gevolg daarvan is ook een overbedelingsvordering van de ex-partner op belanghebbende ontstaan die in het kader van de verdeling moest worden afgewikkeld.
31. Al het voorgaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de royementkosten rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de eigenwoningschuld. [4] Omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband tot de financiering van de woning staan, zijn het geen kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. [5] De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering dus terecht afgewezen.
32. Gelet op de feitelijke aard van deze zaak is niet relevant of de royementkosten in een andere zaak wellicht wel aftrekbaar zouden zijn.

Conclusie en gevolgen

33. Het beroep is alleen gegrond omdat het hoorrecht is geschonden. De aanslag is niet te hoog vastgesteld en blijft in stand. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand laten.
34. Omdat de inspecteur het hoorrecht heeft geschonden, moet hij het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
35. De rechtbank ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Omdat de aanslag in stand blijft, komen de kosten die voor de bezwaarfase zijn gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- laat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 10 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Vgl. Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.
3.Hoge Raad 19 mei 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9407, bevestigd in Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2136, r.o. 2.3.
4.Zie de hiervoor onder noot 3 aangehaalde arresten van de Hoge Raad.
5.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7009.