Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2756

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/5931
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WjsgArt. 35 WjsgArt. 83 SrArt. 83b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag wegens terroristisch verleden

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een functie als pedagogisch medewerker. De staatssecretaris heeft deze aanvraag geweigerd vanwege een eerdere veroordeling van eiser voor deelname aan een terroristische organisatie en het voorbereiden en financieren van terrorisme. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG.

De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de terugkijktermijn van twintig jaar is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit dat een groot risico inhoudt voor de samenleving, zeker gezien de functie waarbij eiser verantwoordelijk zou zijn voor de veiligheid van minderjarige personen. Hoewel eiser betoogt dat hij zijn leven heeft gebeterd en een laag recidiverisico heeft, acht de rechtbank het tijdsverloop sinds zijn vrijlating en het doorlopen van zijn proeftijd onvoldoende om het risico te verlagen.

De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van de samenleving prevaleert. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen VOG ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG wordt ongegrond verklaard vanwege het grote risico voor de samenleving.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5931

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: M.J.W. Van den Kieboom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag voor een VOG.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de gevraagde VOG. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is de staatssecretaris tot zijn besluit gekomen?
3. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor de functie van pedagogisch medewerker bij [naam bedrijf] in [plaats]. Daarbij is het screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ aangegeven.
3.1.
Met het besluit van 27 november 2023 heeft de minister voor Rechtsbescherming eisers aanvraag voor een VOG afgewezen. De minister is van mening dat er een te groot risico is voor de samenleving als aan eiser een VOG wordt afgegeven. Daarbij heeft de minister meegenomen dat eiser op 6 oktober 2017 in hoger beroep is veroordeeld wegens het deelnemen aan een terroristische organisatie en het voorbereiden en financieren van terrorisme tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden zich te gedragen naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie. De proeftijd is geëindigd op 6 oktober 2020. Deze uitspraak is op 11 juni 2019 onherroepelijk geworden. Als pedagogisch medewerker bij [naam bedrijf] is eiser verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van (minderjarige) personen. Eiser moet daarvoor betrouwbaar zijn en het goede voorbeeld geven. Het is belangrijk dat de personen voor wie eiser verantwoordelijk is zich veilig voelen en dat ze in een veilige omgeving zijn. Bij een veilige omgeving past volgens de staatssecretaris niet dat iemand veroordeeld is voor een zeer ernstig feit zoals een terroristisch misdrijf. Deze combinatie brengt een mogelijk risico mee voor de samenleving, namelijk dat (minderjarige) personen in aanraking komen met terroristische activiteiten.
3.2.
Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van eisers aanvraag voor een VOG gebleven.
Wat is het toetsingskader?
4. Artikel 28 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) definieert een VOG als een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
4.1.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. De minister komt beoordelingsruimte toe bij de vraag of de VOG moet worden geweigerd. Ter invulling van die beoordelingsruimte heeft de minister de beleidsregels VOG-NP-RP-2023 (de Beleidsregels) vastgesteld. [1]
4.2.
Op grond van paragraaf 3.1.5. van de Beleidsregels wordt de VOG in beginsel afgegeven wanneer de aanvrager binnen de van toepassing zijnde terugkijktermijn niet voorkomt in de justitiële documentatie, dan wel binnen de terugkijktermijn in de justitiële documentatie een justitieel gegeven wordt vermeld dat, geoordeeld naar de omstandigheden van het geval, onvoldoende zwaarwegend is om op grond daarvan de VOG niet te verstrekken. Indien echter onder deze omstandigheden buiten de van toepassing zijnde terugkijktermijn een justitieel gegeven bekend wordt waarvan de aard en de ernst zodanig zijn dat, gelet op het doel van de aanvraag en het risico voor de samenleving, de belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de beoogde functie/taak/bezigheid te groot wordt geacht, kan de VOG worden geweigerd.
Voorwaarde voor toepassing van deze bijzondere weigeringsgrond is dat in de justitiële documentatie van de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag het volgende is aangetroffen:
- een justitieel gegeven over een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waarvoor de aanvrager is veroordeeld tot:
o een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of jeugddetentie en/of
o de maatregel van terbeschikkingstelling aan de staat en/of
o plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Of
  • een justitieel gegeven over een misdrijf dat is gericht tegen een kind en de VOG wordt aangevraagd voor een functie die ziet op het werken met kinderen. Of
  • een justitieel gegeven dat betrekking heeft op (verdenking van) een misdrijf, als bedoeld in de artikelen 83, en/of 83b van het Wetboek van Strafrecht.
De formele voorwaarden
5. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de formele voorwaarden voor toepassing van de bijzondere weigeringsgrond. Eiser betwist dat een persoon die een terroristisch misdrijf heeft begaan in het algemeen niet past in een omgeving die veilig moet zijn gelet op de afhankelijkheid van personen. Dit oordeel komt er namelijk op neer dat dergelijke hulpverlening nooit door ex-delinquenten met een terroristisch misdrijf op hun strafblad kunnen worden gedaan. Dit is een te algemene benadering. Verder wordt in het bestreden besluit genoemd dat het financieren van terrorisme een risico oplevert voor zorgfraude, maar dat komt erop neer dat eiser nooit in ondernemingen zou kunnen functioneren omdat in elke branche sprake is van financiële transacties. Ook het plegen van fraude is niet als zodanig in specifieke zin een omstandigheid die hoort bij terrorisme. Daarnaast stelt eiser dat geen sprake is van een bijzonder geval waardoor het begane misdrijf hem in algemene zin kan worden tegengeworpen. Bovendien stelt eiser dat de strafbare feiten niet in het toepasselijke screeningsprofiel staan en de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de veroordeling en de specifieke feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd maken dat eiser door zijn werk in een positie terecht kan komen waardoor recidive mogelijk is. [2]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de formele voorwaarden voor toepassing van de bijzondere weigeringsgrond is voldaan. Niet is betwist dat eiser binnen de terugkijktermijn van twintig jaar is veroordeeld voor een strafbaar feit dat betrekking heeft op een terroristisch misdrijf zoals bedoeld in artikel 83 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Dat dit strafbare feit niet expliciet is opgenomen in het van toepassing zijnde screeningsprofiel, maakt niet dat het geen belemmering en/of risico kan zijn voor de uitoefening van de functie. Het gegeven moet wel relevant zijn voor de specifieke taak of bezigheid waarvoor een VOG wordt aangevraagd. [3] De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het strafbare feit, indien herhaald, een belemmering zou vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie pedagogisch medewerker. Een pedagogisch medewerker is verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van (minderjarige) kwetsbare personen die mogelijk beïnvloedbaar zijn. Deze personen moeten erop kunnen vertrouwen dat zij zich in een veilige omgeving bevinden met een pedagogisch medewerker die betrouwbaar is. Bij herhaling van het strafbare feit, is geen sprake van een veilige omgeving voor deze (minderjarige) personen. Dat eisers recidiverisico laag zou zijn, speelt geen rol bij de formele voorwaarden. Ter beoordeling bij de formele voorwaarden staat enkel of de feiten op zichzelf bezien, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen. De beroepsgrond slaagt niet.
De evenredigheid
6. Eiser stelt dat zijn belang bij afgifte van de VOG zwaarder dient te wegen dan het belang van bescherming van de samenleving. Het belang van eiser bij het verkrijgen van de VOG is groot. Eiser heeft een VOG nodig om een vast dienstverband te krijgen. Daarnaast kan hij, door het ontbreken van een VOG, niet de verpleegkundige opleiding volgen.
Eiser betwist niet dat hetgeen hij heeft gedaan ernstig is, maar hij weerspreekt wel dat het gevaar nog altijd actueel is. Eiser heeft zijn opvattingen willen veranderen en heeft ook afstand genomen van de door hem tijdens de delict periode gesteunde terroristische organisatie.
Het bewijs dat eiser betrouwbaar is en een veilige omgeving creëert waarin afhankelijke personen zich veilig voelen is al jarenlang door eiser in de praktijk geleverd. Eiser is een mens die graag anderen wil helpen. Hij kiest het liefst voor de meest kwetsbaren onder hen omdat zij de hulp het hardst nodig hebben. Eiser heeft in het verleden de fout gemaakt om het helpen van kwetsbaren te vermengen met zijn gedachten over religie en politiek. Zoals blijkt uit de reclasseringsrapportages en de voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk heeft eiser ingezien dat de intrinsieke motivatie goed is, maar dat vermenging met politiek en geloofsovertuiging niet de manier is zoals hij mensen wil helpen. De staatssecretaris kent onvoldoende gewicht toe aan de inhoud van de reclasseringsrapportages, de voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk en de referenties van zijn collega’s. Verder kon de staatssecretaris voor de conclusie dat sprake is van een hoge recidivekans niet volstaan met het citeren uit gedateerde reclasseringsonderzoeken, terwijl er door Forensisch Maatwerk recent een deskundigenrapportage is opgemaakt waaruit iets anders blijkt. Ook is niet uitgelegd waarom geen waarde kan worden gehecht aan dit deskundigenrapportage. Bovendien volgt ook uit een onderzoek van [persoon A] dat terrorisme veroordeelden over het algemeen een zeer lage recidivekans hebben. Eiser is sinds 12 mei 2017 vrij en heeft zijn proeftijd succesvol doorlopen. Ook na deze periode heeft hij geen strafbaar feit gepleegd. Eiser heeft sinds zijn vrijlating steeds gewerkt, voor zijn gezin gezorgd en als eerzame burger geleefd. De staatssecretaris heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom er onvoldoende tijd is verstreken om het tijdsverloop in het voordeel van eiser uit te leggen. De terugkijktermijn van twintig jaar is dusdanig algemeen dat deze norm niet kan opwegen tegen algemene ervaringsgegevens.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in hetgeen eiser aanvoert geen grond heeft hoeven zien om het persoonlijk belang van eiser bij afgifte van een VOG zwaarder te wegen dan het belang van de samenleving.
In het kader van de evenredigheid (de belangenafweging) spelen de specifieke omstandigheden van het geval een rol, zoals de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. [4] Anders dan eiser stelt, is het risico voor de samenleving nog altijd groot. De door eiser gepleegde feiten zijn ernstig en leveren bij herhaling een groot risico op voor de samenleving. De ernst is ook terug te zien in de strafrechtelijke afdoening. Eiser is immers veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met bijzondere voorwaarden. Daarna heeft eiser nog een reclasseringstraject (proeftijd) doorlopen tot 6 oktober 2020. Dat Forensisch Maatwerk het recidiverisico van eiser als laag inschat, maakt het voorgaande niet anders. Er geldt een terugkijktermijn van twintig jaren gelet op de ernst van de feiten. In dat licht en verlengd met de periode dat eiser in detentie heeft gezeten heeft de staatssecretaris het tijdsverloop sinds zijn vrijlating op 12 mei 2017 en het daarna doorlopen reclasseringstraject tot 6 oktober 2020 tot aan de datum van het bestreden besluit (16 juli 2024) te gering mogen achten om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. [5] Verder heeft de omstandigheid dat eiser door de weigering van de VOG geen vast dienstverband kan krijgen, hem niet belet om zijn functie als zzp’er uit te oefenen. Op de zitting heeft eiser weliswaar gesteld dat hij nu minder opdrachten heeft doordat zzp’ers minder worden ingezet, maar dit was niet het geval ten tijde van het bestreden besluit. Daarbij komt dat eiser op de zitting ook heeft bevestigd dat hij andere werkzaamheden kan gaan verrichten indien daarvoor geen VOG is vereist. Dat eiser zijn leven heeft gebeterd is bewonderenswaardig. De staatssecretaris ontkent dat ook niet. Maar de staatssecretaris heeft zich wel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tijdsverloop, gelet op de ernst van de feiten, te gering is om het belang van de risico’s voor de samenleving kleiner te achten dan eisers persoonlijk belang. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoewel ten tijde van het bestreden besluit de beleidsregels VOG-NP-RP 2024 golden, is uitgegaan van de beleidsregels VOG-NP-RP 2023 omdat in de nieuwe beleidsregels een strenger beoordelingskader is opgenomen ten aanzien van terroristische delicten.
2.ABRvS 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1433.
3.Zie ook ABRvS 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1433.
4.ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:121.
5.Zie o.a. ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2552, r.o. 4.3..