ECLI:NL:RVS:2019:2552
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering verklaring omtrent gedrag voor taxichauffeurskaart wegens ernstige geweldsdelicten
De minister weigerde op 3 november 2017 de aanvraag van appellant voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart vanwege een eerdere veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf voor poging tot moord, belaging en overtreding van de Wet wapens en munitie. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Noord-Nederland op 26 juli 2018. Appellant stelde in hoger beroep dat de delicten niet relevant zijn voor de functie van taxichauffeur en dat de minister onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals het feit dat de delicten op jonge leeftijd en in de privésfeer zijn gepleegd en dat hij zorg draagt voor een jong gezin.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat aan de formele voorwaarden voor toepassing van de bijzondere weigeringsgrond was voldaan, aangezien appellant binnen de terugkijktermijn van twintig jaar is veroordeeld voor een strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer kan worden opgelegd. De aard en ernst van het geweldsdelict zijn niet te verenigen met de functie van taxichauffeur, waarbij de veiligheid van passagiers centraal staat.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico van herhaling zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van appellant. Het tijdsverloop sinds zijn vrijlating was onvoldoende om te concluderen dat het risico was afgenomen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag vanwege de ernstige eerdere veroordeling en het risico voor de samenleving.