Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2418

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
463470
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 lid 1 RvArt. 438 lid 1 RvArt. 611d lid 1 RvArt. 6:62 BWArt. 7 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen ASR c.s. tot schorsing en matiging dwangsommen inzake inzagevonnis brandkoelinstallatie

Op 1 juli 2016 ontstond brand in een koelinstallatie van Synthon, later Byondis B.V., waarvoor Berg de installatie had geplaatst. In een bodemprocedure oordeelde de rechtbank dat Berg niet aansprakelijk was voor de schade. Zürich c.s. startte een kort geding inzake inzage van onderzoeksdossiers, waarbij ASR c.s. werd veroordeeld tot afgifte van documenten en dwangsommen bij niet-naleving.

ASR c.s. stelde dat zij aan het inzagevonnis had voldaan en dat geen dwangsommen waren verbeurd, vorderde schorsing en matiging van dwangsommen en terugbetaling van reeds betaalde bedragen wegens onverschuldigde betaling. Zürich c.s. betwistte dit en stelde dat ASR c.s. niet volledig had voldaan, met name inzake correspondentie en onderzoeksdossiers.

De voorzieningenrechter oordeelde dat ASR c.s. niet tijdig en volledig aan het inzagevonnis had voldaan, dat dwangsommen over de periodes voor en na 24 december 2025 zijn verbeurd, en dat de pauzeperiode niet eerder dan 28 januari 2026 was ingegaan. Het beroep op schuldeisersverzuim en misbruik van bevoegdheid faalde. De vorderingen tot schorsing, opschorting, matiging en terugbetaling werden afgewezen.

ASR c.s. werd veroordeeld in de proceskosten van € 8.428,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door mr. S.A.L. van de Sande op 25 maart 2026.

Uitkomst: De vorderingen van ASR c.s. tot schorsing, opschorting, matiging en terugbetaling van dwangsommen worden afgewezen en ASR c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/463470 / KG ZA 26-80
Vonnis in kort geding van 25 maart 2026
in de zaak van
1. de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.E.R.G. INDUSTRIAL CLIMATE CONTROL B.V.,
gevestigd te Tiel,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.E.R.G. B.V.,
gevestigd te Tiel,
eisende partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: ASR c.s.,
gedaagde sub 1 hierna afzonderlijk te noemen: ASR,
gedaagde sub 2 en 3 hierna te noemen: Berg,
advocaten: mrs. S.Y.Th. Meijer en M.J.A. Jansen,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
ZÜRICH INSURANCE EUROPE AG,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
2. de vennootschap naar buitenlands recht
HDI GLOBAL SE,
gevestigd te Hannover (Duitsland),
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BYONDIS B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Zürich c.s. en afzonderlijk respectievelijk Zürich, HDI en Synthon,
advocaten: mrs. E.C.M. Esveld en M. van Rijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15,
- de akte wijziging van eis met aanvullende producties 16 tot en met 19,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 22,
- de mondelinge behandeling van 11 maart 2026,
- de pleitnota van ASR.
1.2.
Ten slotte is op heden vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Op 1 juli 2016 is een brand ontstaan in een koelinstallatie van Synthon (later is deze vennootschap Byondis B.V. gaan heten). Deze koelinstallatie is begin 2016 in opdracht van Synthon door Berg geplaatst. Berg en Synthon hebben na de brand ieder eigen deskundigen ingeschakeld om de oorzaak van de brand te laten onderzoeken. Berg heeft onder meer deskundige I-TEK B.V. (hierna: I-TEK) ingeschakeld, die zich liet bijstaan door Nimirco B.V. (hierna: Nimirco). In een door Zürich c.s. gestarte bodemprocedure heeft deze rechtbank bij vonnis van 29 januari 2025 geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat Berg uit hoofde van wanprestatie of onrechtmatige daad is gehouden tot schadevergoeding als gevolg van de brand en zijn de vorderingen van Zürich c.s. tot betaling van ruim € 14.000.000,00 afgewezen. [1] Tegen dit vonnis heeft Zürich c.s. hoger beroep ingesteld.
2.2.
Ten behoeve van dit hoger beroep heeft Zürich c.s. een vordering tot inzage ex artikel 197 lid 1 Rv Pro ingesteld in kort geding. De voorzieningenrechter heeft ASR c.s. bij vonnis van 3 november 2025 (hierna: het inzagevonnis) veroordeeld om aan Zürich c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom afschrift te verstrekken van bepaalde bescheiden. [2] Tegen dit vonnis heeft ASR c.s. hoger beroep ingesteld. Kort daarna is ASR c.s. een executiegeschil gestart waarin zij – kort samengevat – staking van de executie van het inzagevonnis heeft gevorderd. De vorderingen van ASR c.s. in dit executiegeschil zijn bij mondelinge uitspraak van 15 december 2025 door de voorzieningenrechter afgewezen.
2.3.
In dit kort geding ligt de vraag voor of ASR c.s. dwangsommen heeft verbeurd over de periodes voor en na 24 december 2025 en of de reeds door haar gedane betalingen op grond van onverschuldigde betaling moeten worden terugbetaald. Ook vordert ASR c.s. een verbod tot executie vanaf 24 december 2025, schorsing van de tenuitvoerlegging van het inzagevonnis en opschorting, opheffing en matiging van de dwangsommen. De vorderingen van ASR c.s. zullen worden afgewezen. Hieronder zal worden uitgelegd waarom. Eerst zullen kort de feiten en de vorderingen in dit kort geding worden besproken.

3.De feiten

3.1.
Het inzagevonnis luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
(…)
4.13.
Op basis van de stellingen van partijen en hun verklaringen ter zitting is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het voor gedaagde voldoende duidelijk is waarop de inzagevordering sub a en b betrekking heeft. Desgevraagd heeft de (door Berg ingeschakelde) deskundige, dhr. Wansink (I-TEK), ter zitting ook verklaard dat het onderzoeksdossier nog beschikbaar is. Bij deze stand van zaken kan van eiseressen geen concrete(re) omschrijving van dat dossier worden verlangd. Voldoende aannemelijk is dat Berg, althans I-TEK en Nimirco, de beschikking hebben over de onderzoeksdossiers die ten grondslag hebben gelegen aan de door hen opgestelde rapporten. Van gedaagden kan dan ook worden verlangd om die dossiers met alle door I-TEK en Nimirco op schrift gestelde bevindingen (en foto’s) van hun verschillende onderzoeken over te leggen, met uitzondering van het rapport van 17 juli 2023 van I-TEK en het rapport van 15 juni 2023 van Nimirco, aangezien eiseressen reeds over deze twee rapporten beschikken.
De vorderingen onder a en b zijn daarom toewijsbaar als na te melden.
(…)
Gewichtige redenen
4.15.
Gedaagden hebben er op gewezen dat de verzochte informatie vertrouwelijke gegevens bevat, waaronder correspondentie tussen advocaten en financiële gegevens, die concurrentiegevoelig zijn.
4.16.
De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de verzochte correspondentie vertrouwelijke c.q. concurrentiegevoelige informatie bevat. Dit is ook niet betwist door eiseressen. Vanwege deze gewichtige reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de omvang van de over te leggen stukken te beperken, in die zin dat de vorderingen sub c en sub e – die betrekking hebben op afgifte van alle correspondentie – zullen worden afgewezen.
Het onder sub d gevorderde afschrift van de opdracht van Berg aan [naam] , inclusief bijlagen, is daarentegen wel toewijsbaar, met uitzondering van de financiële gegevens die betrekking hebben op de kosten die [naam] daarvoor bij Berg in rekening heeft gebracht. Dit betreft concurrentiegevoelige informatie.
Uitvoerbaar bij voorraad
(…)
4.23.
Anders dan gedaagden betogen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De wet noch de aard van de zaak staat aan een uitvoerbaar bij voorraad verklaring in de weg en gedaagde heeft daartoe ook geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, die de conclusie rechtvaardigt dat hun belangen zwaarder wegen dan het belang van eiseressen bij de toewijzing van de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Gedaagden wijzen in dit verband alleen op de onomkeerbaarheid van de vordering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van eiseressen om aan de hand van de verkregen informatie (tijdig) haar rechtspositie te kunnen bepalen echter zwaarder dan dit belang van gedaagden bij niet-tenuitvoerlegging van het vonnis. Het vonnis wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
(…)

5.De beslissing

(…)
5.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om binnen een termijn van tien dagen na betekening van dit vonnis aan eiseressen afschrift te verstrekken van:
(het onderzoeksdossier met) alle op schrift gestelde bevindingen c.q. rapportages en bijbehorende foto’s van de door I-TEC met betrekking tot de brand van 1 juli 2016 uitgevoerde onderzoeken, anders dan het rapport van 17 juli 2023,
(het onderzoeksdossier met) alle op schrift gestelde bevindingen c.q. rapportages en bijbehorende foto’s van de door Nimirco met betrekking tot de brand van 1 juli 2016 uitgevoerde onderzoeken, anders dan het rapport van 15 juni 2023,
de opdracht(en) van Berg aan [naam] met betrekking tot de installatie van KI2, inclusief bijlagen, met uitzondering van de financiële gegevens die betrekking hebben op de kosten die [naam] daarvoor bij Berg in rekening heeft gebracht,
5.2.
veroordeelt ieder der gedaagden om aan eiseressen een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat die gedaagde niet aan de veroordelingen onder 5.1. voldoet, tot een maximum van € 5.000.000,00 is bereikt,
(…).
Dit vonnis is bij exploot van 4 november 2025 aan ASR c.s. betekend. Tegen het inzagevonnis heeft ASR c.s., zoals gezegd, hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep is nog geen arrest gewezen.
3.2.
Ter voldoening aan het inzagevonnis heeft ASR c.s. op 14 november 2025 aan Zürich c.s. stukken verstrekt. Zürich c.s. heeft op 18 november 2025 laten weten dat daarmee niet was voldaan aan het inzagevonnis en verzocht dat alsnog te doen. ASR c.s. heeft Zürich c.s. vervolgens bericht dat zij wel degelijk aan de veroordeling tot inzage had voldaan en een executiegeschil aangekondigd.
3.3.
De mondelinge uitspraak van 15 december 2025 in kort geding luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
1.9.
Wat betekent dat in deze zaak?
In 5.1. van het dictum wordt Berg veroordeeld om afschrift te verstrekken van (het
onderzoeksdossier met) alle op schrift gestelde bevindingen c.q. rapportages met bijbehorende foto’s van de door I-TEK en Nimirco met betrekking tot de brand van 1 juli
2016 uitgevoerde onderzoeken.
Het gaat hier dus om alle op schrift gestelde bevindingen. Dat betekent dat ook bevindingen
in correspondentie hiertoe behoren. Weliswaar is de afzonderlijke vordering van Zürich om
(alle) correspondentie af te geven afgewezen, maar dat betekent niet dat er dan in het geheel
geen correspondentie afgegeven hoefde te worden. Daarvoor wordt verwezen naar r.o. 4.15
en 4.16 van het vonnis. De vordering om alle correspondentie af te geven kon niet worden
toegewezen, omdat er een uitzondering is gemaakt voor vertrouwelijke c.q.
concurrentiegevoelige informatie. Die informatie behoefde niet te worden overgelegd.
Onder 4.15 is in dat kader genoemd correspondentie tussen advocaten en financiële
gegevens die concurrentiegevoelig zijn. Verder dan dit reikte de uitzondering niet. Er is ook
geen reden om die uitzondering tot alle correspondentie op te rekken, nu daar ook niet met
zoveel woorden om is verzocht. (…).
1.10.
In het licht van het voorgaande moet nu worden vastgesteld of Berg aan het vonnis
heeft voldaan. Het antwoord daarop is dat niet aannemelijk is dat dit het geval is. In elk
geval bevat het dossier zoals dat nu is overgelegd geen correspondentie, terwijl niet in
geschil is dat er wel correspondentie is geweest. Zoals ook Berg zelf aangeeft, is er
correspondentie met de opdrachtgever. Deze correspondentie behoort, zoals hiervoor is
vastgesteld, tot het onderzoeksdossier dat moet worden overgelegd. Voor zover Berg stelt
dat al die correspondentie vertrouwelijk is, kan zij daar niet in worden gevolgd. Het enkele
gegeven dat correspondentie mede wordt gericht aan een advocaat, betekent nog niet per
definitie dat deze correspondentie vertrouwelijk is. Bovendien is ter zitting door Zürich
gemotiveerd naar voren gebracht dat er pas in 2020 een advocaat door Berg bij de zaak is
betrokken, zodat er in elk geval ook correspondentie uit een eerdere periode is waarin niet
mede de advocaat geadresseerd was. Door dit deel van het onderzoeksdossier niet over te
leggen, heeft Berg niet aan de veroordeling in het vonnis voldaan. Reeds hierom moeten
haar vorderingen tot schorsing van de executie worden afgewezen. Zürich is gerechtigd het
vonnis, hangende het hoger beroep, ten uitvoer te leggen en zij mag dus dwangsommen
invorderen. In het midden kan blijven of er ook nog schriftelijke stukken zijn in de vorm
van aantekeningen, notities, kladjes en anderszins, waarvan Zürich stelt dat die, gelet op de
verplichtingen van schade-experts, zoals I-TEK, bewaard horen te blijven terwijl Berg stelt
dat die stukken waarschijnlijk zijn vernietigd na de digitalisering van het dossier.
(….)
1.13.
Zürich heeft in reconventie een verhoging van de dwangsommen gevorderd, maar
die vordering zal ook worden afgewezen. Tot nu toe was er onenigheid tussen partijen over
de uitleg van het vonnis. Die maakte dat Berg niet aan de veroordeling voldeed. Nu er in
deze procedure duidelijkheid komt, wordt er vanuit gegaan dat Berg alsnog gaat voldoen en
dat de dwangsom, zoals die is opgelegd op 3 november 2025, daarvoor nog een voldoende
prikkel biedt. Zürich wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie, op de
gebruikelijke wijze vast te stellen, zoals hierna in 1.15 gespecificeerd.
3.4.
ASR c.s. heeft op 24 december 2025 685 aanvullende bestanden aan Zürich c.s. verstrekt.
3.5.
Op 7 januari 2026 heeft een overleg tussen partijen plaatsgevonden. Zürich c.s. heeft in dat gesprek medegedeeld dat zij de ontvangen stukken nog op volledigheid moet beoordelen. In een volgend overleg op 19 januari 2026 heeft Zürich c.s. ASR c.s. laten weten dat nog steeds niet is voldaan aan de veroordeling tot inzage en dat een schriftelijke toelichting later zal volgen. Partijen hebben tijdens dit overleg ook gesproken over een minnelijke regeling.
3.6.
Bij e-mail van 29 januari 2026 heeft de advocaat van Zürich c.s. aan de advocaat van ASR c.s. het volgende bericht:
Goed om te horen dat a.s.r. openstaat voor schikkingsoverleg op korte termijn.
(…)
Verder bevestigen wij, zoals gisteren ook telefonisch besproken, dat de pauzeknop op 28 januari 2026 is “ingedrukt”. Op het moment dat één der partijen de schikkingsonderhandelingen afbreekt wordt de pauzeknop automatisch “uitgedrukt” en verbeuren a.s.r. en de BERG entiteiten dwangsommen (de dagen die vallen in de pauzeperiode tellen niet mee voor de dwangsommen), tenzij zij tegen die tijd aan het kort geding vonnis hebben voldaan.
Wij zouden morgen een lijst kunnen sturen van de ontbrekende stukken. Met het oog op de
aankomende schikkingsbesprekingen vragen wij ons tegelijkertijd af of het delen van
dergelijke lijst de prille status van de schikkingsonderhandelingen ten goede zou komen.. Een
optie is dat wij deze lijst eveneens “pauzeren” tot na de bespreking.
3.7.
Bij e-mail van 17 februari 2026 heeft de advocaat van Zürich c.s. de advocaat van ASR c.s. bericht dat met het eindigen van de schikkingsonderhandelingen de pauzeknop op 13 februari 2026 weer is “uitgedrukt”. Ook informeert hij bij de advocaat van ASR c.s. of de tot dan verbeurde dwangsommen vrijwillig en tijdig zullen worden voldaan.
3.8.
Zürich c.s. heeft bij e-mail van 24 februari 2026 aan ASR c.s. een lijst met ontbrekende gegevens, opgenomen en verdeeld in 12 punten, verstrekt die volgens haar op grond van het inzagevonnis in ieder geval nog door ASR c.s. moeten worden verstrekt. Deze e-mail luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
1. het onderzoeksdossier van Nimirco, anders dan de (concept)rapportages, zoals de correspondentie tussen Nimirco enerzijds en I-TEK en/of ASR en/of BERG anderzijds, waaronder de correspondentie waarin de wijzigingen in de verschillende concepten aan de orde komen;
2. de correspondentie tussen I-TEK en ASR en/of BERG over de (concept)rapportages van I-TEK;
3. de correspondentie tussen I-TEK en [betrokkene 2] ;
4. de correspondentie tussen I-TEK en de heer [betrokkene] , waaronder de correspondentie waarmee
[betrokkene] foto’s aan I-TEK heeft toegezonden;
5. verslagen van besprekingen (zoals van de bespreking op 12 juli 2016 en van besprekingen over de rapportages van I-TEK en/of Nimirco), waaronder ook verslagen/updates/e-mails van I-TEK en/of Nimirco aan ASR;
6. aantekeningen van I-TEK en concepten van de verklaring die de heer [betrokkene] op 13 juli 2016
tegenover I-TEK heeft afgelegd, inclusief de correspondentie daarover;
7. de opmerkingen van de heer [betrokkene] , ASR, BERG, I-TEK, en/of Nimirco op de concepten van de verklaring die de heer [betrokkene] op 13 juli 2016 tegenover I-TEK heeft afgelegd;
8. de correspondentie tussen ASR, BERG, I-TEK en/of Nimirco over de tweede versie van de
aanvullende verklaring van de heer [betrokkene] die (na de ondertekening op 18 oktober 2016 van de
eerste versie) op 21 november 2016 is ondertekend;
9. de eerdere concepten van de e-mail die uiteindelijk op 10 maart 2017 door I-TEK aan Sparkling
Projects is gezonden, inclusief de opmerkingen daarop;
10. verslagen van I-TEK en Nimirco van de onderzoeken op 4 en 7 juli 2016 op locatie van Synthon, en van het onderzoek op 11 augustus 2016 op locatie van DEKRA;
11. de bijlage bij de e-mail van [betrokkene 2] aan BAM van 16 juli 2018 om 14.56 uur;
12. correspondentie tussen I-TEK, Nimirco, BERG en/of ASR over de testopstelling die BERG op 3 tot en met 6 juli 2017 heeft uitgevoerd.
Al deze gegevens zijn onderdeel van de onderzoeksdossiers van I-TEK en/of Nimirco, en bevatten
bovendien schriftelijke bevindingen van I-TEK en/of Nimirco.
(…)
Voor de goede orde merken wij op dat onze achterban onverminderd aanspraak maakt op alle
verschuldigde dwangsommen. Voor ASR en de twee BERG-entiteiten tezamen gaat dat inmiddels om een bedrag van EUR 1.275.000, waarvan EUR 675.000 met betrekking tot de periode na 24 december 2025 (met uitzondering van de ‘pauzeperiode’).
3.9.
Op 24 februari 2026 heeft ASR een bedrag van € 200.000,00 en op 25 februari 2026 ook namens Berg € 400.000,00 onder protest aan Zürich c.s. voldaan.

4.Het geschil

4.1.
ASR c.s. vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
Zürich c.s. met betrekking tot Periode 1 veroordeelt alle executiemaatregelen ten nadele van ASR c.s. ongedaan te maken c.q. te herstellen c.q. geïnde gelden terug te betalen, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per gedaagde per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van EUR 1.200.000 dan wel in goede justitie te bepalen dwangsom, althans een zodanig maatregel te nemen als u de voorzieningenrechter in goede justitie noodzakelijk acht.
Subsidiair
a. Zürich c.s. verbiedt tot executie van de dwangsomveroordeling in het Inzagevonnis;
b. de tenuitvoerlegging van het Inzagevonnis schorst;
c. de dwangsommen opheft of vermindert tot EUR 0 respectievelijk maximaal EUR 50.000 of de looptijd ervan opschort,
voor onbepaalde periode, althans tot het moment totdat 14 dagen zijn verstreken nadat het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een eindarrest heeft gewezen in het hoger beroep van ASR c.s. tegen het Inzagevonnis.
Meer subsidiair
Zürich c.s. verbiedt om de dwangsommen die door een individuele eiser over periode 2 zijn verbeurd te verhalen op een of meer van de andere eisers.
Zürich c.s. veroordeelt in de proceskosten en de buitengerechtelijke nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
ASR c.s. legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Aan de veroordeling tot inzage is voldaan en er zijn geen dwangsommen verbeurd. Onder dreiging van executiemaatregelen is ASR evenwel onder protest overgegaan tot betaling van de dwangsommen die volgens Zürich c.s. zijn verbeurd over de periode van 14 november 2025 tot en met 24 december 2025. Het in dat verband betaalde bedrag van € 600.000,00 wordt op grond van onverschuldigde betaling teruggevorderd omdat de betalingen zonder rechtsgrond hebben plaatsgevonden. Nadat verduidelijking was gegeven over de reikwijdte van de veroordeling tot inzage in de mondelinge uitspraak van 15 december 2025 heeft ASR c.s. alle documenten van I-TEK en Nimirco die betrekking hebben op de onderzoeken naar de brand in 2016 opgevraagd en, met uitzondering van de vertrouwelijke en verschoonbare correspondentie, op 24 december 2025 aan Zürich c.s. verstrekt. De termijn van 10 dagen, opgenomen in het inzagevonnis, waarbinnen aan de veroordeling tot inzage moest worden voldaan, is na de mondelinge uitspraak van 15 december 2025 opnieuw gaan lopen zodat in de periode daarvoor geen dwangsommen zijn verbeurd. Dat volgt uit rechtsoverweging 1.13 van de mondelinge uitspraak van 15 december 2025. Ten aanzien van de periode na 24 december 2025 geldt het volgende. Allereerst heeft ASR c.s. door verstrekking van de gegevens op 24 december 2025 voldaan aan de veroordeling tot inzage. Daarnaast was de pauzeperiode van kracht van 24 december 2025 tot en met 13 februari 2026 en over die periode kunnen dus ook om die reden geen dwangsommen zijn verbeurd. Zürich c.s. noemt in haar e-mail van 24 februari 2026 grote bedragen en zet daarmee oneigenlijke druk om een voor haar zo aantrekkelijk mogelijke schikking te realiseren. Dit is misbruik van bevoegdheid en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast geldt dat vanaf 24 december 2025 sprake is van schuldeisersverzuim. Dit schorst de executie van de dwangsommen op grond van artikel 6:62 BW Pro. De op 24 februari 2026 door Zürich c.s. verstrekte lijst met ontbrekende informatie valt niet onder de reikwijdte van de veroordeling tot inzage. De aanvullende producties 18 en 19 die ASR c.s. naar aanleiding daarvan bij haar akte wijziging van eis in het geding heeft gebracht, vallen daar ook niet onder en zijn slechts verstrekt om inning van de dwangsommen te voorkomen. ASR c.s. heeft zich tot het uiterste ingespannen om aan de veroordeling te voldoen en was daarvoor afhankelijk van I-TEK en Nimirco bij wie zij tijdig en bij herhaling informatie heeft opgevraagd, aldus ASR c.s.
4.3.
Zürich c.s. voert het volgende verweer. Uit de mondelinge uitspraak van 15 december 2025 volgt dat tot en met 24 december 2025 dwangsommen zijn verbeurd. Door dit nu opnieuw voor te leggen in kort geding is sprake van misbruik van procesrecht omdat geen rechtsmiddel is ingesteld tegen deze mondelinge uitspraak en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich hiertegen verzet. Dat over de periode tot en met 24 december 2025 dwangsommen zijn verbeurd, volgt ook uit het gegeven dat er die dag een grote hoeveelheid aan aanvullende afschriften door ASR c.s. zijn verstrekt die onderdeel zijn van het onderzoeksdossier. De mondelinge uitspraak van 15 december 2025 bevat geen aanvullende termijn van 10 dagen zoals ASR c.s. betoogt. Ook in de periode daarna heeft ASR c.s. niet aan de veroordeling tot inzage voldaan. Partijen zijn uitsluitend een pauzeperiode overeengekomen over de periode van 28 januari 2026 tot en met 13 februari 2026. Dit volgt ook uit de e-mail van 29 januari 2026. Een eerdere datum is niet tussen partijen overeengekomen. Verder volgt uit beide vonnissen dat de gehele onderzoeksdossiers van I-TEK en Nimirco moeten worden overlegd. Dat geldt ook voor gespreksverslagen die door een advocaat zijn opgesteld en correspondentie waarbij een advocaat is betrokken. Het is niet aan Zürich c.s. om een lijst met ontbrekende gegevens te verstrekken en dat kan ook niet van haar worden verwacht. Een partij die inzage vordert, is immers veelal onbekend met deze concrete gegevens. Het ligt dus op de weg van ASR c.s. om aannemelijk te maken dat zij aan de veroordeling tot inzage heeft voldaan. Onduidelijk is van welke gegevens om welke reden(en) geen afschrift is verstrekt. De stelling van ASR c.s. dat zij alles aan Zürich c.s. heeft verstrekt, wordt geenszins met stukken, zoals e-mailcorrespondentie met I-TEK en Nimirco, onderbouwd. Daar komt bij dat het volledige onderzoeksdossier van Nimirco ontbreekt en er alleen gegevens uit concept- en eindrapportages zijn verstrekt. Uit niets blijkt dat ASR c.s. bij Nimirco het onderzoeksdossier heeft opgevraagd, laat staan dat zij afschriften van dat dossier heeft verstrekt. Ten aanzien van het onderzoeksdossier van Nimirco is er verder geen enkele e-mail verstrekt die aan of door Nimirco is verstuurd terwijl die correspondentie, zo blijkt uit de opmerkingen in de concepten, wel bestaat en evident informatie bevat over de oorzaak van de brand. Tot op heden heeft ASR c.s. dus, zoals ook blijkt uit de overige punten in de e-mail van 24 februari 2026, nog steeds niet aan de veroordeling tot inzage voldaan.
Zürich c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ASR, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ASR, en veroordeling van ASR in de kosten van deze procedure voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Omdat het geschil internationale aspecten heeft, dient de voorzieningenrechter eerst te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Dat is het geval, nu Synthon statutair gevestigd is in Nederland. [3]
5.2.
Vervolgens rijst de vraag of de voorzieningenrechter relatief bevoegd is. ASR c.s. doet een beroep op artikel 438 lid 1 Rv Pro en artikel 611d Rv. Een beslissing op een vordering tot opheffing, vermindering of opschorting van de dwangsom als bedoeld in artikel 611d Rv kan in beginsel alleen - dus exclusief - worden gegeven door de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, de dwangsomrechter. Dat is in dit geval de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De executierechter is de rechter die naar de ‘gewone regels’ relatief bevoegd is of in wiens rechtsgebied de executie zal geschieden (artikel 438 lid 1 Rv Pro). In dit geval is Berg c.s. gevestigd te Nijmegen en is de voorzieningenrechter van deze rechtbank dus ook voor dit deel van de vorderingen relatief bevoegd. [4]
5.3.
Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.
Primaire vordering: er zijn dwangsommen verbeurd na 14 november 2025
5.4.
De primaire vordering ziet op de vraag of dwangsommen zijn verbeurd in de periode van 14 november 2025 tot en met 24 december 2025. Deze vraag wordt met ‘ja’ beantwoord.
5.5.
In een executiegeschil heeft de voorzieningenrechter niet tot taak de rechtsverhouding tussen partijen opnieuw te beoordelen. Bij de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, moet hij zich beperken tot het toetsen van de handelingen die ter uitvoering van het vonnis zijn verricht aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Deze uitleg vindt plaats naar objectieve maatstaven, zodat de bewoordingen van het vonnis, gelezen in het licht van de gehele tekst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Hierbij dient het dictum te worden uitgelegd in het licht van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en dienen doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel noodzakelijk is. [5]
5.6.
De veroordelingen in 5.1 van het inzagevonnis zien op (het onderzoeksdossier met) alle op schrift gestelde bevindingen c.q. rapportages met bijbehorende foto’s van de door I-TEC en Nimirco met betrekking tot de brand van 1 juli 2016 uitgevoerde onderzoeken, anders dan de rapporten van 17 juli 2023 en 15 juni 2023. In rov. 4.13 van dit vonnis staat dat van gedaagden kan worden verlangd dat zij de onderzoeksdossiers die ten grondslag hebben gelegen aan de opgestelde rapporten met alle door I-TEK en Nimirco op schrift gestelde bevindingen (en foto’s) van hun verschillende onderzoeken overleggen. Uit rov. 4.15 en 4.16 blijkt dat de voorzieningenrechter aanleiding heeft gezien om ‘de omvang van de over te leggen stukken te beperken’, in die zin dat de vorderingen c. en d., die betrekking hebben op afgifte van alle correspondentie, zijn afgewezen omdat aannemelijk is dat de correspondentie vertrouwelijke c.q. concurrentiegevoelige informatie bevat. Gelet hierop moet de veroordeling aldus worden uitgelegd dat ASR c.s. ook een afschrift moest verstrekken van schriftelijke bevindingen in correspondentie. Er is slechts een uitzondering gemaakt voor vertrouwelijke c.q. concurrentiegevoelige informatie in correspondentie. Ook vóór de mondelinge uitspraak van 15 december 2025, waarin dit met zoveel woorden is overwogen (in rov. 1.9), kon in redelijkheid niet worden betwijfeld dat de veroordeling zo moest worden uitgelegd.
5.7.
In tegenstelling tot wat ASR c.s. aanvoert, volgt niet uit de mondelinge uitspraak van 15 december 2025 dat de termijn van tien dagen, zoals opgenomen in het dictum van het inzagevonnis, opnieuw is gaan lopen. Het beroep in dat verband van ASR c.s. op rechtsoverweging 1.13 van de mondelinge uitspraak faalt. Deze overweging ziet op de reconventionele vordering van Zürich c.s. die strekt tot verhoging van de dwangsommen. De voorzieningenrechter heeft vanwege de onenigheid tussen partijen over de uitleg van het inzagevonnis, die maakte dat ASR c.s. niet aan de veroordeling voldeed, en het feit dat er met de mondelinge uitspraak duidelijkheid kwam, geen aanleiding gezien om de dwangsom te verhogen. Uit deze rechtsoverweging en de rest van de mondelinge uitspraak kan daarentegen niet worden afgeleid dat vanwege onduidelijkheid vanaf 14 november 2025 geen dwangsommen zijn verbeurd. In rechtsoverweging 1.13 wordt weliswaar benoemd ‘dat er in deze procedure duidelijkheid komt’, maar niet dat de twijfel over de uitleg van het dictum terecht was en ASR c.s. daarom niet kan worden verweten dat zij niet aan de veroordeling had voldaan.
5.8.
De conclusie is dat ASR c.s. op grond van het inzagevonnis, zoals uitgelegd in de mondelinge uitspraak van 15 december 2025, uiterlijk op 14 november 2025 aan de veroordeling tot inzage had moeten voldoen en zij dit in ieder geval tot 24 december 2025 niet heeft gedaan. In rechtsoverweging 1.10 van de mondelinge uitspraak is reeds overwogen dat ASR c.s. niet aan de veroordeling tot inzage heeft voldaan omdat zij – kort samengevat – geen correspondentie heeft overgelegd terwijl niet in geschil is dat er wel correspondentie is geweest. Verder is overwogen dat Zürich c.s. dus dwangsommen mag invorderen. Op 24 december 2025 heeft ASR c.s. naar aanleiding van het vonnis van 15 december 2025 een grote hoeveelheid aanvullende bescheiden, waaronder correspondentie, aan Zürich c.s. verstrekt. Ook dit bevestigt het voorshandse oordeel dat tot en met 24 december 2025 niet aan de veroordeling was voldaan. Bij deze stand van zaken is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat ASR c.s. het bedrag van € 600.000,00 aan dwangsommen niet heeft verbeurd en zonder rechtsgrond heeft betaald. Het beroep van ASR c.s. op het vonnis van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2016:7450) kan alleen al om die reden niet slagen. Dat betekent dat de primaire vordering zal worden afgewezen.
Subsidiaire vorderingen
5.9.
De subsidiaire vorderingen van ASR c.s. zien op de schorsing van de tenuitvoerlegging alsmede opschorting, opheffing en matiging van de dwangsommen. Het spoedeisend belang bij deze vorderingen vloeit voort uit de stellingen van ASR c.s.
Vordering a
5.10.
Deze vordering ziet op de vraag of ASR c.s. in de periode na 24 december 2025 dwangsommen heeft verbeurd. Ook deze vraag wordt bevestigend beantwoord.
5.11.
ASR c.s. heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de overeengekomen pauzeperiode liep van 24 december 2025 tot 13 februari 2026. Zurich c.s. heeft in dat verband verwezen naar haar e-mails van 29 januari 2026 en 17 februari 2026 (zie hiervoor onder 3.6 en 3.7), waaruit volgt dat de pauzeknop is ingedrukt op 28 januari 2026 en op 13 februari 2026 weer is uitgedrukt. Hiervan zal in dit kort geding worden uitgegaan. ASR c.s. heeft later, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, haar onderbouwing aangepast en verklaard dat partijen niet zijn overeengekomen dat de pauzeperiode eerder, te weten op 24 december 2025, is aangevangen maar dat dit voortvloeit uit de onmogelijkheid voor haar om in die periode de veroordeling tot inzage na te komen omdat dit door Zürich c.s. werd verhinderd. Dit beroep van ASR c.s. op schuldeisersverzuim slaagt evenmin, zoals hierna zal worden toegelicht.
5.12.
In dit verband stelt ASR c.s. dat Zürich c.s. zich in januari en februari 2026 op het standpunt heeft gesteld dat nog steeds niet was voldaan aan de hoofdveroordeling, zonder te concretiseren in welk opzicht ASR c.s. niet aan die veroordeling had voldaan. Dit levert echter geen beletsel aan de zijde van Zürich c.s. op waardoor ASR c.s. de hoofdveroordeling niet kon nakomen. ASR c.s. kan en moet immers ook zonder medewerking van Zürich c.s. beoordelen welke gegevens onder die veroordeling vallen en daarvan afschrift verstrekken. Dit geldt te meer, nu Zürich c.s. niet precies weet over welke gegevens ASR c.s. (nog) kan beschikken en ASR c.s. dit zelf uiteraard wel kan (doen) vaststellen met medewerking van I-TEK en Nimirco. ASR c.s. heeft in dat verband op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt wat zij heeft opgevraagd bij I-TEK en Nimirco, welke stukken zij naar aanleiding daarvan heeft ontvangen en welke niet, wat zij daarvan niet heeft verstrekt aan Zürich c.s. en om welke reden niet. Zij heeft slechts gesteld dat zij herhaaldelijk telefonisch contact heeft gehad met I-TEK. Zij heeft gevraagd om te komen met het gehele onderzoeksdossier en later is ook de e-mail van Zürich c.s. van 24 februari 2026 aan I-TEK voorgelegd. Volgens ASR c.s. heeft I-TEK contact opgenomen met Nimirco. De verzoeken van ASR c.s. en de reacties van I-TEK (en, via I-TEK, Nimirco) zijn echter niet op schrift gesteld. Tussen Nimirco en ASR c.s. heeft zelfs in het geheel geen rechtstreeks contact plaatsgevonden. Op de vraag wat I-TEK aan Nimirco heeft gevraagd, heeft ASR c.s. ter zitting geantwoord ‘dat zou u aan I-TEK zelf moeten vragen.’ Dat ASR c.s. alles heeft gedaan wat in haar macht ligt om aan de veroordeling tot inzage te voldoen, is door haar bij die stand van zaken niet aannemelijk gemaakt.
5.13.
De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat ASR c.s. na overlegging van de aanvullende bescheiden op 24 december 2025 geheel aan het inzagevonnis had voldaan. Zij heeft namelijk onvoldoende weersproken dat correspondentie van en gericht aan Nimirco, zoals opgenomen onder punt 1 in de e-mail van 24 februari 2026, bestaat. Volgens Zürich c.s. is er geen enkele e-mail van en gericht aan Nimirco verstrekt terwijl deze correspondentie zeer evident informatie, en dus bevindingen over het onderzoek naar de brand, bevat. Ook heeft Zürich c.s. uitvoerig toegelicht waaruit zij afleidt dat deze correspondentie bestaat en dus onderdeel is van het onderzoeksdossier van Nimirco waarvan afschrift moet worden verstrekt. ASR c.s. heeft over deze correspondentie slechts verklaard dat zij alle stukken heeft verstrekt die zij heeft gekregen van I-TEK en Nimirco behoudens vertrouwelijke correspondentie met advocaten en stukken die Zürich c.s. reeds heeft ontvangen. Gelet op wat is overwogen onder 5.11 van dit vonnis en de gemotiveerde stellingen van Zürich c.s. is dit onvoldoende. Bovendien kan ASR c.s., zoals al eerder is overwogen door de voorzieningenrechter in de mondelinge uitspraak onder rechtsoverweging 1.10 (weergegeven in 3.3 van dit vonnis), niet worden gevolgd in haar standpunt dat alle correspondentie vertrouwelijk is. Het enkele gegeven dat een advocaat bij de correspondentie betrokken is, is in dat verband onvoldoende.
5.14.
Het hiervoor overwogene leidt tot het voorshandse oordeel dat ASR c.s. ook na 24 december 2025 dwangsommen heeft verbeurd. De overige punten die zijn opgenomen in de e-mail van 24 februari 2026 en de overgelegde producties 18 en 19 behoeven bij die stand van zaken geen bespreking. Ook is niet gebleken dat Zürich c.s. een bedrag aan dwangsommen executeert dat vele malen hoger is dan de daadwerkelijk verbeurde dwangsommen, zoals ASR c.s. betoogt. Van misbruik van bevoegdheid dan wel handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid is evenmin sprake. De subsidiaire vordering onder a. zal daarom worden afgewezen.
Vordering b
5.15.
Met de vordering onder b. beoogt ASR c.s. kennelijk dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het inzagevonnis wordt geschorst. In (rov. 4.21- 4.23) van het inzagevonnis is een gemotiveerde beslissing genomen over de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan deze beslissing ligt een belangenafweging ten grondslag. ASR c.s. heeft niet gesteld dat het vonnis berust op een misslag noch feiten en omstandigheden gesteld die in het inzagevonnis niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na dat vonnis hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. [6] Ook deze vordering is daarom niet toewijsbaar.
Vordering c
5.16.
Het beroep van ASR c.s. op artikel 611d lid 1 Rv slaagt evenmin. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen, ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Van ‘onmogelijkheid’ is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel zijn zin verliest. Dit laatste moet worden aangenomen in een geval waarin niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan, indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. De rechter dient dus te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. [7]
5.17.
De stellingen die ASR c.s. aan haar beroep op artikel 611d lid 1 Rv ten grondslag heeft gelegd, zijn gelet op het hiervoor overwogene onvoldoende aannemelijk geworden. Blijkens BenGH 25 september 1986, ECLI:NL:XX:1986:AC9501, NJ 1987/909 (Van der Graaf/Agio) kan het enkele feit dat de veroordeelde in de mening verkeert aan de hoofdveroordeling geheel en tijdig te hebben voldaan bovendien niet meebrengen dat sprake is van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen in de zin van artikel 611d Rv. Zoals volgt uit wat is overwogen onder 5.12 van dit vonnis, kan van ASR c.s. in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid worden gevergd dan zij tot op heden heeft betracht en heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om aan de veroordeling te voldoen.
5.18.
Ook wordt ASR c.s. niet gevolgd in haar betoog dat Berg geen invloed heeft op het verkrijgen van de rapportages. Weliswaar is haar onderneming in 2017-2018 overgenomen en heeft zij, mogelijk, zelf geen toegang meer tot stukken maar zij kan daarvoor I-TEK en Nimirco benaderen. Uit niets blijkt dat zij dit (tevergeefs) al heeft geprobeerd. Bovendien betwist Zürich c.s. dat Berg niet over de stukken beschikt en voert zij aan dat de voormalig bestuurder van Berg voortdurend bij het hele onderzoeksproces betrokken is geweest en zich daar ook actief mee heeft bemoeid.
5.19.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de subsidiaire vordering onder c. zal worden afgewezen.
Meer subsidiaire vordering
5.20.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Zürich c.s. verklaard dat zij met ASR c.s. van mening is dat geen sprake is van een hoofdelijke veroordeling en zij de dwangsommen ook niet op die wijze zal executeren. Dat dit op dit moment wel gebeurt, heeft ASR c.s. niet aannemelijk gemaakt. Daardoor heeft ASR c.s. geen belang bij deze vordering. Ook de meer subsidiaire vordering zal dus worden afgewezen.
Proceskosten
5.21.
ASR c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zürich c.s. worden begroot op:
- griffierecht
7.062,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.428,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van ASR c.s. af,
6.2.
veroordeelt ASR c.s. in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ASR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
1780

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 29 januari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1100.
2.Rechtbank Gelderland 3 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9437.
3.Op grond van artikel 8 lid 1 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) en artikel 7 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.Gelet op artikel 99 lid 1 Rv Pro jo. artikel 107 Rv Pro.
5.Zie Hoge Raad 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400.
6.Vgl. Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
7.HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:396.