Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2348

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/4840
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 52 AWRArt. 52a AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag vennootschapsbelasting na verwerping administratie en schattingsdiscussie

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2019 van €750.000 en de daarbij berekende belastingrente. De inspecteur verwierp de administratie van belanghebbende wegens gemengd privé- en zakelijk gebruik van bankrekeningen en het niet overleggen van gevraagde stukken, waardoor de vereiste aangifte niet was gedaan. De inspecteur baseerde de aanslag op een schatting.

De rechtbank oordeelde dat de administratie terecht werd verworpen, maar dat de schatting van €750.000 niet redelijk was. Gezien de onduidelijkheden over bankafschriften, de stijging van de beleggingsrekening in 2020 en het ontbreken van onderbouwing achtte de rechtbank een schatting van €250.000 passend. De bewijslast werd omgekeerd en verzwaard, maar belanghebbende slaagde er niet in de schatting te weerleggen.

De rechtbank verwierp het beroep op strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het verzoek om schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing. De belastingrente werd overeenkomstig verminderd. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de aanslag verminderd.

Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting 2019 wordt verminderd tot een belastbare winst van €250.000 en de belastingrente wordt overeenkomstig aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4840

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 januari 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 750.000. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 30.970 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende deelgenomen haar directeur [persoon A], bijgestaan door [persoon B], en namens de inspecteur, [persoon C] en [persoon D]. Het beroep is gezamenlijk en tegelijkertijd behandeld met het beroep van [naam bedrijf 1] B.V., zaaknummer 25/6356.

Feiten

1. [persoon A] ([persoon A]) is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]). [naam bedrijf 1] is enig aandeelhouder van belanghebbende. De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het in- en verkopen van kunst. De bankrekening van [persoon A] bij de Rabobank (eindigend op [nummer]) wordt ook door belanghebbende gebruikt voor zakelijke transacties.
2. Tussen belanghebbende en de inspecteur bestaat al jaren een geschil over de administratie van belanghebbende. Op 7 mei 2019 hebben (i) [persoon A], [naam bedrijf 1] en belanghebbende, (ii) [persoon B], adviseur van de partijen onder (i), en (iii) de inspecteur hierover voor de jaren na 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten (de VSO).
3. [persoon A] heeft op 24 april 2021 een TOZO 4-uitkering aangevraagd. In deze aanvraag heeft [persoon A] onder meer aangegeven dat hij een eigen bedrijf heeft, te weten belanghebbende, dat hij zijn bedrijf voor 18 maart 2020 is gestart en dat hij voor de coronacrisis gedurende minimaal 24 uur per week in zijn bedrijf werkzaam was.
4. Op 12 augustus 2021 heeft belanghebbende de aangifte Vpb 2019 ingediend naar een belastbare winst van negatief € 61.072. In deze aangifte zijn alleen de volgende kosten verantwoord:
- inkoopkosten: € 30.000
- andere kosten: € 23.296
- kosten schulden (rentelasten): € 7.474
5. De inspecteur heeft belanghebbende vanaf 2022 meermaals om verschillende stukken over de jaren 2018 – 2020 verzocht, waaronder bankafschriften. Voor 2019 heeft hij in het bijzonder verzocht om afschriften van de Spaanse en Nederlandse bankrekening van [persoon A], afschriften van de creditcard van [persoon A] bij American Express, afschriften van de beleggingsrekening bij BinckBank van [persoon A] alsmede de jaarrekeningen van [naam bedrijf 2], één van de twee Spaanse onderneming waarbij [persoon A] in 2019 was betrokken, vanaf de oprichting.
6. Uit de bankafschriften van de Rabobank volgt dat in 2019 € 229.749 is bijgeschreven en € 232.636 is afgeschreven. Van de bijschrijving bestaat € 183.200 uit overboekingen van Spaanse bankrekeningen van [persoon A]. Van deze bankrekening van de Rabobank zijn grote creditcarduitgaven betaald.
7. Uit de afschriften van de beleggingsrekening bij BinckBank volgt dat het saldo van deze rekening op 31 december 2019 € 26.513 bedroeg en op 31 december 2020 € 1.141.060.
8. De afschriften van de creditcard en de Spaanse bankrekening en de jaarrekening van [naam bedrijf 2] zijn niet overgelegd.
9. De definitieve aanslag Vpb 2019 is vastgesteld met dagtekening 17 juni 2023. De belastbare winst is daarbij vastgesteld op € 750.000. Bij beschikking is € 30.970 aan belastingrente berekend.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan en, zo nee, of de aanslag op een redelijke schatting berust en of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) heeft gehandeld. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of belanghebbende in aanmerking komt voor een schadevergoeding.
11. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
12. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard de in de onderhavige zaak gedane herzieningsverzoeken van de uitspraken van deze rechtbank en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, [1] in te trekken.
Is de vereiste aangifte gedaan?
13. Belanghebbende heeft betoogd dat geen sprake is van inhoudelijke gebreken van de aangifte en daardoor geen aanleiding is om de bewijslast om te draaien en te verzwaren. De bewijslast ligt volgens haar bij de inspecteur. Verder baseert de inspecteur, volgens belanghebbende, de correcties op de financiële situatie van [persoon A], wat niet is toegestaan. Zelfs als dit wel zou mogen dan kon [persoon A] ook leven zonder inkomsten van belanghebbende. Hij heeft namelijk eind 2018 zijn eigen woning verkocht en een schilderij verkocht, waar [persoon A] respectievelijk ruim € 370.000 en 422.000 aan over heeft gehouden. Tot slot ziet de stijging van de beleggingsrekening op een ander belastingjaar, namelijk 2020, en is deze stijging verklaarbaar vanwege de forse waardestijging van de aandelen NIO.
14. De inspecteur heeft primair gesteld dat de belastbare winst € 750.000 dient te bedragen en subsidiair € 250.000. Ter onderbouwing heeft de inspecteur onder meer het volgende aangevoerd:
- De administratie wordt niet bijgehouden zoals afgesproken in de VSO. Belanghebbende heeft vervolgens in strijd hiermee geen contact opgenomen met de inspecteur om deze hiervan op de hoogte te stellen. De administratie wordt als gevolg hiervan verworpen. De vereiste aangifte is dus niet gedaan.
- Het saldo van de beleggingsrekening ten name van [persoon A] is in 2020 gestegen van ongeveer € 30.000 naar ongeveer € 1.100.000. Deze stijging is met name het gevolg van door [persoon A] in 2019 verrichte activiteiten waarvan de daarmee behaalde resultaten in 2020 zijn gestort op deze rekening. Aannemelijk is dat belanghebbende/[persoon A] voor een groot deel van wat door hen in 2019 is verdiend, geen investeringsmogelijkheden hebben gevonden en het daarom vervolgens in 2020 op de beleggingsrekening ten name van [persoon A] hebben gestald.
- [persoon A] heeft in 2021 een zogeheten TOZO 4-uitkering aangevraagd. In de aanvraag staat vermeld dat hij voor de coronacrisis 24 uur per week werkte voor belanghebbende.
- In 2019 is € 232.636 uitgegeven vanaf de Raborekening, hiervan kwam € 183.200 van een bankrekening uit Spanje ten name van [persoon A]. Dit betekent dat € 49.436 aan uitgaven niet is te verklaren zonder nader inkomen.
- Nadat [persoon A] zijn eigen woning heeft verkocht, zijn op de overgelegde bankafschriften van belanghebbende/[persoon A] geen betalingen voor huur of hypotheek zichtbaar. Het is dus aannemelijk dat hij meer kosten heeft gemaakt dan op de bankrekening zichtbaar is, zijnde de hiervoor genoemde € 232.636.
15. Ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.
16. Administratieplichtigen, zoals belanghebbende, zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie. [2]
17. Zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard en uit de onderliggende stukken volgt, wordt de bankrekening bij de Rabobank van [persoon A] ook zakelijk door belanghebbende gebruikt. Door dit gemengde gebruik van de bankrekening is het niet mogelijk om duidelijk de rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens van belanghebbende vast te stellen. Daarnaast heeft belanghebbende desgevraagd geen stukken (bijvoorbeeld uitdraaien van grootboekrekeningen en in- en verkoopfacturen) aan de Belastingdienst en ook niet aan de rechtbank overgelegd. [persoon A] heeft desgevraagd [3] afschriften van zijn in Spanje gehouden bankrekeningen noch jaarrekeningen van [naam bedrijf 2] overgelegd. Weliswaar gaat het om stukken die op [persoon A] in privé zien, maar vanwege de jarenlange en bestendige overlap tussen zijn privé en zakelijke activiteiten acht de rechtbank aannemelijk dat ook in deze stukken transacties kunnen staan die een licht kunnen werpen op de fiscale positie van belanghebbende.
18. Door haar optreden brengt belanghebbende zichzelf in een situatie waarin haar fiscale positie niet is vast te stellen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de administratie van belanghebbende terecht is verworpen.
19. De enkele verwerping van de administratie leidt echter niet uit zichzelf tot de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze sanctie is bij een gebrekkige administratie alleen mogelijk nadat daartoe een informatiebeschikking is genomen. [4] Dat is niet gebeurd. Nu de administratie ongeschikt is om de fiscale rechten en verplichtingen af te leiden, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast wel mee dat de inspecteur ter voldoening van de op hem rustende bewijslast in eerste instantie kan volstaan met een gemotiveerde schatting van de omzet of winst, waarna de belastingplichtige aannemelijk dient te maken dat en waarom haar omzet of winst lager is dan door de inspecteur is berekend. [5]
20. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat € 49.436 een gemotiveerde schatting vormt en overweegt daartoe als volgt.
21. Belanghebbende heeft over haar financiën onvoldoende openheid van zaken gegeven. In het bijzonder heeft zij geen verklaring gegeven over het onbetwist door de inspecteur gestelde bedrag van € 49.436 aan uitgaven op de Raborekening van [persoon A] waarvan de herkomst onverklaarbaar is. De inspecteur heeft daarbij ook meermaals om stukken verzocht voor het verschil tussen de ingediende aangiften en de bankafschriften verzocht. Deze stukken zijn op geen moment overgelegd. Nu deze bankrekening zowel privé als zakelijk wordt gebruikt, hebben belanghebbende en [persoon A] zichzelf in een positie gebracht waarin de inkomsten en uitgaven van ieder van hen niet goed kunnen worden vastgesteld door de inspecteur. Dit komt voor hun rekening en risico.
22. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2019 gedaan. Daarom kan alleen worden gezegd dat de vereiste aangifte [6] niet is gedaan en dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, als de volgens de aangifte verschuldigde belasting als gevolg van een of meer gebreken absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van aangifte daarvan bewust was of zich bewust moest zijn. [7] Dat hiervan sprake is, moet aan de hand van de normale regels van de bewijslast worden vastgesteld. Dat betekent dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald én dat belanghebbende zich daarvan ten tijde van het doen van de aangifte bewust was of zich bewust moest zijn.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Reeds gelet op het niet door belanghebbende betwiste bedrag van € 49.436 aan onherleidbare inkomsten en het in de aangifte Vpb 2019 aangegeven verlies van € 61.072 is sprake van een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag dat niet is aangegeven. Nu zowel belanghebbende als [persoon A] gebruik maken van de relevante bankrekening, moest belanghebbende hiervan op de hoogte zijn. Hierdoor is de vereiste aangifte niet gedaan en wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende dient dan ook overtuigend aan te tonen dat de opgelegde aanslag onjuist is.
24. Het voorgaande laat onverlet dat de door de inspecteur vastgestelde correcties dienen te berusten op een redelijke schatting. [8]
25. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van de belastbare winst op € 750.000 niet redelijk is. Belanghebbende heeft onweersproken verklaard dat hij met geleend geld 16.000 aandelen NIO heeft gekocht en dat deze aandelen met 1.110% in waarde zijn gestegen in 2020. Gelet op deze verklaring, die tevens voor het grootste deel wordt ondersteund door het afschrift over 2020 van de beleggingsrekening, acht de rechtbank aannemelijk dat de vermogensstijging in 2020 voor een groot deel het gevolg is van de stijging van de aandelenkoers. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende en/of [persoon A] in 2019 dan wel 2020 activiteiten hebben verricht welke in 2020 door de toename van het saldo op de beleggingsrekening naar voren zijn gekomen, is op geen enkele wijze onderbouwd.
26. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op wat de inspecteur heeft aangevoerd, een schatting van de belastbare winst van € 250.000 wél redelijk is. Zij motiveert haar oordeel als volgt.
27. Belanghebbende geeft, ook desgevraagd, volstrekt onvoldoende uitleg over de uit Spanje afkomstige bedragen. Dit geldt in het bijzonder voor de administratieve verwerking van de verkoop van het schilderij in 2018 voor € 422.000, waarvan de koopsom is ontvangen op een Spaanse bankrekening. Verder is onvoldoende uitleg gegeven over de periode na de verkoop van de eigen woning van [persoon A] eind 2018. Vanaf 2019 zijn namelijk geen betalingen ter zake van een andere koop- of huurwoning zichtbaar op de overgelegde bankrekening. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken volgt dat het overgrootste deel van de verkoopopbrengst van de eigen woning is overgemaakt naar een Spaanse bankrekening en niet naar de Nederlandse Raborekening. De door belanghebbende overgelegde stukken geven op geen enkele wijze inzicht in wat met de opbrengsten van het schilderij en de woning is gebeurd en in het bijzonder of [persoon A] daarmee in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Door, ondanks dat daarom is verzocht, geen afschriften van de Spaanse bankrekeningen te verstrekken, heeft [persoon A] ervoor gezorgd dat zowel de inspecteur als de rechtbank niet kan controleren wat met de voornoemde opbrengsten is gebeurd in Spanje en of deze inderdaad, zoals door [persoon A] is verklaard, zijn gebruikt voor zijn levensonderhoud.
28. Daarnaast staan de door [persoon A] in 2021 in de TOZO 4-aanvraag op de daarin gestelde vragen gegeven antwoorden, in het bijzonder dat het inkomen van [persoon A] is gedaald door de coronacrisis, haaks op de door belanghebbende ingediende aangifte Vpb 2019. Zo blijkt uit deze aangifte niet dat salaris wordt betaald. Ook is geen bedrag voor de kortlopende schuld ‘loonheffingen’ vermeld.
29. Verder worden regelmatig, zonder verklaring, bedragen van enkele duizenden euro’s in contanten gestort op de bankrekening die door zowel belanghebbende als [persoon A] wordt gebruikt. Nu de herkomst van de bedragen van de Spaanse bankrekening niet herleidbaar is, is op geen enkele wijze inzicht gegeven in de financiering van de uitgaven van € 232.636 van de Raborekening.
30. Tot slot blijkt uit de bankafschriften van de Raborekening van [persoon A] dat belanghebbende in ieder geval in 2018 ook een bankrekening op eigen naam had bij de Rabobank (eindigend op 32). De inspecteur heeft in zijn brief van 8 februari 2022 ter zake van de in de aangifte Vpb 2018 opgevoerde kosten om specificaties en bewijsstukken, waaronder ook de bankafschriften van belanghebbende, gevraagd. Niet gebleken is dat belanghebbende bankafschriften over het jaar 2018 van haar Raborekening eindigend op 32 heeft overgelegd. Wat met laatstgenoemde bankrekening is gebeurd, is onduidelijk. De verklaring ter zitting dat belanghebbende in 2019 al jaren geen eigen bankrekening meer heeft, is gelet op de overboeking in 2018 volstrekt ongeloofwaardig.
31. Gezien de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is op geen enkele wijze inzichtelijk hoe de uitgaven van € 232.636 van de Raborekening zijn gefinancierd. Daarnaast roept het bestaan in 2018 van de voornoemde Raborekening van belanghebbende vragen en onduidelijkheden op. Belanghebbende heeft hier op geen enkele wijze een sluitende verklaring voor of inzicht in gegeven. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of die bankrekening in 2019 nog werd gebruikt en, zo ja, wat het verloop daarvan was. Dat komt voor rekening en risico van belanghebbende. Dit alles maakt een schatting van € 250.000 redelijk. Belanghebbende heeft in beroep daartegen geen gronden aangevoerd en heeft ook anderszins niet overtuigend aangetoond dat een belastbare winst van € 250.000 naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende is dus niet in de op haar rustende (verzwaarde) bewijslast geslaagd.
Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?
32. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur in strijd met het gezag van gewijsde heeft gehandeld, omdat de inspecteur afwijkt van eerder door de rechter vastgestelde feiten. Daarnaast heeft de inspecteur, volgens belanghebbende, met dit handelen in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, verbod van willekeur, verbod van détournement de pouvoir en het fair play-beginsel.
33. De stelling van belanghebbende mist iedere feitelijke grondslag. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ziet op eerdere jaren dan het jaar waar de onderhavige procedure op ziet. De in de door belanghebbende genoemde uitspraak vastgestelde feiten worden in de onderhavige zaak niet opnieuw ter discussie gesteld door de inspecteur. De discussie in deze zaak gaat namelijk over andere feiten die in de voornoemde uitspraak niet zijn komen vast te staan. Voor zover belanghebbende zich in dit verband erop beroept dat de inspecteur in de onderhavige zaak gebonden is aan het ‘gezag van gewijsde’, overweegt de rechtbank dat, anders dan het burgerlijk procesrecht, het belastingprocesrecht niet de leer van het gezag van gewijsde kent en dat ieder jaar op zich staat. [9]
Conclusie over de aanslag
29. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
Belastingrente
34. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.
Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding?
35. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding en motiveert dit als volgt. In de procedure over eerdere jaren, met dezelfde geschilpunten, hebben zowel rechtbank als gerechtshof vastgesteld dat haar winsten over die jaren te hoog zijn vastgesteld. Dit leidde voor haar tot hoge (advies)kosten. Ook tegen de inkomstenbelastingaanslagen ten name van [persoon A] is beroep ingesteld. De Belastingdienst heeft beslag gelegd en onterecht € 100.000 van een bankrekening gehaald. Alle belastingprocedures hangen met elkaar samen omdat de inspecteur opnieuw belanghebbende in een positie brengt om het onrechtmatige standpunt van de inspecteur te bestrijden, aldus belanghebbende.
36. Voor zover dit verzoek ziet op de door belanghebbende over eerdere jaren gevoerde procedure, is het niet onderbouwd. Daarnaast kan de rechtbank geen schadevergoeding toekennen voor een procedure die in hoger beroep voor het gerechtshof is gevoerd. Voor zover het verzoek ziet op de onderhavige procedure, kan het niet worden toegewezen omdat belanghebbende haar verzoek niet heeft onderbouwd. Uit de productie bij de motivering van het beroepschrift waar belanghebbende ter onderbouwing naar verwijst, volgt immers ondubbelzinnig dat die kosten niet voor deze procedure zijn gemaakt, maar voor de hoger beroepsprocedure.
37. Voor zover het verzoek ziet op vergoeding van door [persoon A] geleden schade, kan het niet worden toegewezen omdat [persoon A] geen partij is in deze procedure. Los of [persoon A] zou zijn vermeld in een fraudelijst, is het door de Belastingdienst ingestelde onderzoek een gevolg van het niet overleggen van gevraagde stukken door belanghebbende. In dat geval is niet gebleken dat de inspecteur onrechtmatig tegenover belanghebbende heeft gehandeld.

Conclusie en gevolgen

38. Het beroep is gegrond omdat de inspecteur de belastbare winst te hoog heeft vastgesteld. De aanslag wordt verlaagd naar een belastbare winst van € 250.000. De in rekening gebrachte belastingrente zal overeenkomstig worden verminderd. Het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.
39. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
40. Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de inspecteur zijn standpunten niet tegen beter weten in heeft ingenomen. De omstandigheid dat het beroep gegrond is, doet daaraan niet af.
41. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep wel aanleiding de inspecteur te veroordelen tot een forfaitair bepaalde vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in het kader van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.266 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor de rechtbankzitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastbare winst tot een bedrag van € 250.000 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. R.W.J. van der Struijk, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 25 maart 2026
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 5 april 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1699, respectievelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2164.
2.Artikel 52, eerste en zesde lid, van de AWR.
3.Verzoek van de Belastingdienst op 29 november 2023 gedaan in een brief gericht aan [persoon B].
4.Artikel 52a, eerste lid, van de AWR.
5.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
6.In de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR.
7.Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665.
8.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
9.Vergelijk Conclusie A-G Pauwels 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:756.