ECLI:NL:RBGEL:2026:2264

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
AWB 22_4997
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te lage historische nieuwprijs en juiste handelsinkoopwaarde

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur, waarbij de rechtbank de juistheid van de handelsinkoopwaarde, historische nieuwprijs en bruto BPM beoordeelde.

De rechtbank oordeelde dat de historische nieuwprijs te laag was vastgesteld omdat deze gebaseerd moest zijn op de bruto BPM van de auto zelf en niet van een referentievoertuig. De handelsinkoopwaarde werd vastgesteld op € 39.684, conform het DRZ-rapport, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er meer schade was dan door de inspecteur erkend.

De rechtbank verwierp de door belanghebbende voorgestane herleidingsmethode voor de BPM-berekening, omdat deze niet wettelijk is toegestaan en niet strookt met artikel 110 VWEU Pro. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het beroep werd gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.411, en de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten en een schadevergoeding.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 4.411 en belanghebbende krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/4997

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 juni 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.741.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 6 december 2021 aangifte bpm gedaan voor een Mercedes-Benz GLE klasse Coupé 43 AMG 4Matic (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Brandstof
Benzine
CO2-uitstoot
219 gr/km
Datum eerste toelating
21-6-2017
Netto Catalogusprijs
€ 77.445
Historische nieuwprijs
€ 126.650
Handelsinkoopwaarde
€ 19.000
Bruto bpm
€ 37.690 (voordeligste tarief)
Te betalen bpm
€ 5.653
Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd, opgemaakt door [persoon D], gecertificeerd taxateur, met dagtekening 2 december 2021. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 36.000 (zonder gebruikmaking van een koerslijst), een schadecalculatie van € 17.546 en een handelsinkoopwaarde met schade van € 19.000 vermeld. De taxateur heeft daarbij ook rekening gehouden met een onbekend schadeverleden en een niet te controleren kilometerstand.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, dat de handelsinkoopwaarde zonder schade € 40.445 is, dat de waardevermindering wegens schade € 761 is, dat de handelsinkoopwaarde met schade € 39.684 is, dat de historische nieuwprijs € 143.866 is en dat de netto-catalogusprijs € 91.670 is.
4. Met dagtekening 4 maart 2022 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 39.684, een historische nieuwprijs van € 143.866, en een bruto bpm van € 37.690. De verschuldigde bpm heeft hij vastgesteld op € 10.394.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. In geschil is de handelsinkoopwaarde, de historische nieuwprijs en de bruto bpm. Daarbij is in het bijzonder in geschil of:
  • de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld omdat moet uit worden gegaan van de bruto bpm van de auto en niet van het referentievoertuig;
  • de inspecteur te weinig schade in aanmerking heeft genomen;
  • de bruto bpm moet worden herleid uit de herrekende bpm.
Belanghebbende heeft op de zitting zijn stelling dat DRZ onvoldoende onafhankelijk is ondubbelzinnig prijsgegeven.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Historische nieuwprijs
8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 148.610, uitgaande van een netto catalogusprijs van € 91.670, € 19.250 btw en een bruto bpm van € 37.690.
9. Deze beroepsgrond slaagt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. [1] De netto catalogusprijs is niet in geschil. De historische nieuwprijs moet daarom worden vastgesteld op € 148.610.
Handelsinkoopwaarde
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur met meer schade rekening had moeten houden. Belanghebbende wijst op het taxatierapport en in het bijzonder de deuk op het dak. Ook wijst belanghebbende op in de branche ontwikkeld beleid. Een klein verschil in de CO2-uitstoot zal geen verschil maken in de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende doet in dat verband op een standpunt van de kennisgroep. Er zijn € 6.000 aan opties in de koerslijst toegevoegd die het verschil zouden kunnen verklaren.
11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade en verwijst naar het DRZ-rapport. Aan beleid van de branche hoeft de inspecteur zich niet te conformeren. De handelsinkoopwaarde moet hoger worden vastgesteld, als van een hogere historische nieuwprijs moet worden uitgegaan. Naast de CO2-uitstoot zijn er nog andere verschillen tussen de koerslijst van het referentievoertuig en het importvoertuig zoals bijvoorbeeld het aanwezig zijn van een Rijassistent-pakket plus (op de koerslijst staat een rijassistent-pakket) en een omkeerbare mat en laadrandbescherming. De koerslijstwaarde kan aldus niet één op één worden overgenomen als taxatiewaarde van het importvoertuig. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken wat de verschillen, zoals voornoemd, maar ook de overige verschillen, doen met de waarde van de auto. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet aan deze bewijslast voldaan en dient het beroep ook om die reden ongegrond verklaard te worden.
12. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur heeft gedaan. Op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport is de deuk op het dak niet waar te nemen. Belanghebbende heeft verder niet concreet gesteld welke andere schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid. De inspecteur is daarnaast niet gebonden aan binnen de branche ontwikkeld beleid bij de beoordeling van de schade.
13. Ten aanzien van het standpunt van de inspecteur dat de handelsinkoopwaarde hoger moet worden vastgesteld, omdat de historische nieuwprijs hoger moet worden vastgesteld, oordeelt de rechtbank als volgt.
14. Niet in geschil is dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en bijgevolg de taxatiemethode kan worden toegepast. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 19.000 en de deskundige van de inspecteur (DRZ) heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 39.684. De bewijslast van de taxatiewaarde berust weliswaar bij belanghebbende [2] , maar belanghebbende heeft zich (subsidiair) geconformeerd aan de handelsinkoopwaarde die volgt uit het DRZ-rapport. In zoverre heeft belanghebbende aan zijn bewijslast voldaan. In het DRZ-rapport is vermeld dat DRZ geen passende referentievoertuigen heeft gevonden die overeenkomen met de auto en dat DRZ is uitgegaan van de laagste koerslijstwaarde verminderd met de geconstateerde schade. De door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde wijkt ook niet heel veel af van door de taxateur vastgestelde handelsinkoopwaarde zonder schade, die door de taxateur is vastgesteld zonder gebruikmaking van een koerslijst. De stellingen van de inspecteur ten aanzien van de koerslijst van de referentieauto kunnen daarom niet leiden tot de conclusie dat DRZ de handelsinkoopwaarde te laag heeft vastgesteld, omdat de koerslijst in dit geval slechts een uitgangspunt is. De blote stelling van de inspecteur dat een hogere CO2-uitstoot wel moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde, is onvoldoende om de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde ter zijde te schuiven of de handelsinkoopwaarde hoger vast te stellen. Het is geen feit van algemene bekendheid dat een hogere CO2-uitstoot een hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg heeft.
15. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 39.684.
Bruto bpm: herleiding uit de herrekende bpm
16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 110 van Pro het VWEU met zich brengt dat de verschuldigde bpm moet worden herleid uit de herrekende bruto bpm die is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze methode voor het vaststellen van een vermindering wettelijk niet is toegestaan. Omdat de toegestane methoden op zichzelf geen strijd met artikel 110 van Pro het VWEU opleveren, is er geen reden hiervan af te wijken.
17. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 10 van Pro de Wet BPM kan de in aanmerking te nemen vermindering voor een gebruikte auto worden vastgesteld aan de hand van de tabelafschrijving, op basis van een koerslijst of in bepaalde gevallen de taxatiemethode. Andere methoden, waaronder de door belanghebbende voorgestane herleidingsmethode, zijn niet toegestaan. Daarnaast kan belanghebbende met de herleidingsmethode niet aantonen dat in vergelijking met gelijksoortige voertuigen te veel bpm wordt geheven en dat dus in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU is gehandeld. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 11 juli 2025 [3] .
Tussenconclusie
18. Gelet op het voorgaande dient de verschuldigde en de na te heffen bpm als volgt te worden berekend.
Handelsinkoopwaarde € 39.684
Historische nieuwprijs € 148.610
Bruto bpm € 37.690
Verschuldigde bpm € 10.064
Op aangifte voldaan € 5.653
Na te heffen € 4.411
Redelijke termijn
19. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
20. Het bezwaarschrift is ontvangen op 7 april 2022. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 23 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. De inspecteur heeft op 16 juni 2022 en dus binnen zes maanden uitspraak op bezwaar gedaan. De Staat moet de gehele schadevergoeding betalen.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de naheffingsaanslag wordt verminderd. Belanghebbende krijgt een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 3.200 [4] . Belanghebbende krijgt ook het griffierecht terug. De inspecteur moet deze bedragen betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.411;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.000;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200;
  • bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 184 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
2.Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310.
3.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
4.1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 1.