Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2257

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
ARN 24_8020
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30fc AWRArt. 30hb AWRArt. 30ia AWRArt. 3:4 AwbArt. 4:97 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingrente verminderd wegens onjuiste verrekening betalingen en vergoeding immateriële schade

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrente die de inspecteur in rekening bracht bij de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2020. De inspecteur had de belastingrente berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 29 april 2022, maar belanghebbende stelde dat de aanslag op 29 december 2021 al was voldaan door meerdere betalingen.

De rechtbank stelde vast dat één bedrag van € 50.000 onterecht op de rekening van de Belastingdienst was blijven staan en pas in 2023 werd verrekend met de aanslag IB/PVV 2020. Hierdoor moest de belastingrente worden verminderd tot € 2.911. De overige betalingen waren onvoldoende gespecificeerd en deels teruggeboekt of verrekend met andere aanslagen, waardoor deze niet als betaling voor de aanslag 2020 konden worden aangemerkt.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat belanghebbende recht had op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. De inspecteur werd ook veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze de belastingrente betrof.

Uitkomst: De belastingrente voor de aanslag IB/PVV 2020 wordt verminderd tot € 2.911 en belanghebbende krijgt een vergoeding van € 1.500 voor immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8020

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van uit werk en woning van € 229.761 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.339.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.589 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar het maximale bijdrage-inkomen van € 57.232. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 103 rente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de rentebeschikkingen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij rentebeschikkingen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft het beroep tegen de rentebeschikking bij de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage premie Zvw (ARN 24/8024), ter zitting ingetrokken.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B] , deelgenomen.

Feiten

1. Op 7 november 2019 heeft belanghebbende een verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag IB/PVV 2020 ingediend. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 8 januari 2020 medegedeeld dat geen voorlopige aanslag IB/PVV 2020 wordt opgelegd, omdat het berekende bedrag binnen de aanslaggrenzen van de Wet inkomstenbelasting 2001 blijft.
2. Op 17 december 2021 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2020 en een aangifte Zvw 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen van uit werk en woning van € 229.761 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.339.
3. Uit de banktransacties van belanghebbende blijkt dat belanghebbende op 29 december 2021 de volgende bedragen heeft overgeboekt aan de Belastingdienst:
- Een bedrag van € 50.000 met betalingskenmerk [kenmerk 1] . Dit bedrag is op 10 maart 2022 teruggeboekt aan belanghebbende.
  • Een bedrag van € 50.000 met betalingskenmerk [kenmerk 1] . Dit bedrag is op 19 juli 2023 verrekend met de aanslag IB/PVV 2020.
  • Een bedrag van € 8.057 met betalingskenmerk [kenmerk 1] . Dit bedrag is op 3 februari 2022 verrekend met de aanslag IB/PVV 2022.
  • Een bedrag van € 3.119 met betalingskenmerk [kenmerk 2] . Dit bedrag is op 31 december 2021 teruggeboekt aan belanghebbende.
  • Een bedrag van € 50.000 met betalingskenmerk [kenmerk 3] . Dit bedrag is op 8 februari 2022 verrekend met de voorlopige aanslag IB/PVV 2021.
  • Een bedrag van € 36.866 met betalingskenmerk [kenmerk 3] . Dit bedrag is op 19 januari 2022 verrekend met de voorlopige aanslag IB/PVV 2021.
  • Een bedrag van € 3.352 met betalingskenmerk [kenmerk 4] . Dit bedrag is op 19 januari 2022 verrekend met de voorlopige aanslag Zvw 2021.
4. Op 15 december 2021 heeft belanghebbende een verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 en Zvw 2021 ingediend. De inspecteur heeft met dagtekening 21 januari 2022 een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 (aanslagnr. [aanslagnummer 1] ) en een voorlopige aanslag Zvw 2021 (aanslagnr. [aanslagnummer 2] ) opgelegd overeenkomstig het verzoek. De verschuldigde belasting is vastgesteld op respectievelijk € 86.866 en € 3.352.
5. Op 15 december 2021 heeft belanghebbende ook een verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 ingediend. De inspecteur heeft met dagtekening 4 februari 2023 een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd (aanslagnr. [aanslagnummer 3] ) overeenkomstig het verzoek. De verschuldigde belasting is vastgesteld op € 8.537.
6. De inspecteur heeft met dagtekening 10 februari 2023 een aanslag IB/PVV 2020 opgelegd overeenkomstig de aangifte. De verschuldigde belasting is vastgesteld op € 111.646. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur een bedrag van € 3.589 aan belastingrente in rekening gebracht. Deze rente is berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 29 april 2022.
7. De inspecteur heeft tevens met dagtekening 10 februari 2023 een aanslag Zvw 2020 opgelegd overeenkomstig de aangifte. De verschuldigde belasting is vastgesteld op € 3.222. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur een bedrag van € 103 aan belastingrente in rekening gebracht. Deze rente is berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 29 april 2022.
8. Belanghebbende heeft op 22 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte belastingrente bij de aanslagen IB/PVV 2020 en Zvw 2020. De inspecteur heeft dit bezwaarschrift in eerste instantie overgedragen aan het Landelijk Incasso Centrum van de Belastingdienst, omdat deze volgens belanghebbende was gericht tegen niet verwerkte betalingen. Op 13 september 2023 heeft belanghebbende nogmaals bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte belastingrente bij de aanslagen IB/PVV 2020 en Zvw 2020. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft de inspecteur het bezwaarschrift van 22 februari 2023 alsnog in behandeling genomen. Met dagtekening 4 oktober 2024 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de belastingrente tot de juiste hoogte heeft berekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de belastingrente over de aanslag IB/PVV verminderd moet worden met € 1.429. De belastingrente over de aanslag Zvw is niet langer in geschil. De inspecteur heeft de rentebeschikking over de aanslag IB/PVV ten onrechte berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 29 april 2022. Op grond van de uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2024:4980 dient de belastingrente te worden berekend tot en met het moment van betalen. Volgens belanghebbende is de aanslag op 29 december 2021 al voldaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende gegevens van zeven betalingen overgelegd. De Belastingdienst heeft de betalingen in eerste instantie onder de juiste aanslagnummers geboekt en is vervolgens gaan verrekenen met andere jaren. Verder vindt belanghebbende dat de invorderingskosten verminderd moeten worden naar nihil, omdat de Belastingdienst het dossier te lang heeft laten liggen.
11. De inspecteur stelt in beroep dat is gebleken dat één van de betaalde bedragen van € 50.000 per abuis op de rekening van de Belastingdienst is blijven staan en in 2023 is verrekend met de aanslag IB/PVV 2020. De inspecteur is van mening dat over dit bedrag geen belastingrente verschuldigd is over de periode van 29 december 2021 tot en met 29 april 2022. De belastingrente in IB/PVV 2020 moet daarom worden gematigd tot € 2.911. De overige betalingen zijn terugbetaald of verrekend. De invorderingskosten vallen buiten deze procedure, hiervoor moet belanghebbende zich tot de ontvanger wenden.
12. Op grond van artikel 30fc, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt bij het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting belastingrente in rekening gebracht na het verstrijken van een periode van zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover belasting wordt berekend. Als de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte is vastgesteld, eindigt het tijdvak uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. [1] De rente bedraagt op grond van artikel 30hb van de AWR in samenhang met artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente, 4%.
13. Op grond van artikel 30ia, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur de belastingrente naar evenredigheid verminderen van het reeds geheven, dan wel voldane of afgedragen bedrag, voor zover gedurende het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend het te betalen bedrag aan belasting reeds is geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 30ia AWR in dit geval niet van toepassing is omdat geen sprake is van geheven belasting of een afdracht/voldoening op aangifte. [2]
14. Onder omstandigheden kunnen beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt. [3] De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 november 2022 [4] als volgt geoordeeld:
“3.3.1. Letterlijke toepassing van de belastingrenteregeling leidt ertoe dat in een geval als het onderhavige ter zake van een belastingaanslag ook belastingrente wordt berekend over een daarin begrepen bedrag en over een periode waarin de Belastingdienst al beschikte over dat belastingbedrag vanwege een voorlopige aanslag die eerder in dezelfde belasting is opgelegd aan dezelfde belastingplichtige voor hetzelfde belastingtijdvak. Bij tijdstipbelastingen kan eenzelfde gevolg optreden als eerder een voorlopige aanslag in dezelfde heffing aan dezelfde belastingplichtige is opgelegd voor hetzelfde belastbare feit.
3.3.2. Gevolgen als hiervoor in 3.3.1 bedoeld kunnen niet worden aanvaard. Dat zou immers leiden tot een onverklaarbare afwijking van de regeling over verzuimrente in de Awb, waarbij de wetgever heeft willen aansluiten. Die regeling voorziet erin dat rente wordt berekend wanneer het bestuursorgaan of de burger in verzuim is. Een dergelijk verzuim ontstaat volgens artikel 4:97 Awb Pro wanneer de schuldenaar niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.4 Het vergoeden van rente is bedoeld om het rentenadeel van de schuldeiser dat ontstaat door de te late betaling te compenseren.5 De verzuimrenteregeling in de Awb is gebaseerd op en verwijst naar artikel 6:119 BW Pro. Daarin is bepaald dat het niet-voldoen van een vordering in geld leidt tot renteschade die gecompenseerd dient te worden. Deze verzuimrenteregelingen, waarbij de fiscale wetgever heeft willen aansluiten, veronderstellen derhalve een nog niet betaalde hoofdsom en te compenseren renteschade. Hoofdsom en renteschade ontbreken echter in een geval als het onderhavige voor zover het betreft de periode dat de Belastingdienst beschikte over het verschuldigde belastingbedrag.”
15. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de aanslagen heeft vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangiftes. Hij heeft de bij beschikking vastgestelde belastingrente berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 29 april 2022. Belanghebbende heeft op 29 december 2021 meerdere betalingen gedaan. Eén bedrag van € 50.000 is op de rekening van de Belastingdienst blijven staan. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastingrente in beroep correct heeft gecorrigeerd. De inspecteur heeft de belastingrente voor de aanslag IB/PVV 2020 in beginsel berekend over de periode van 1 juli 2021 tot en met 29 april 2022. Voor € 50.000 van het verschuldigde bedrag heeft de inspecteur enkel belastingrente berekend tot 29 december 2021 (het moment van betalen). Dit betekent dat de belastingrente moet worden verminderd tot € 2.911.
16. De rechtbank is met betrekking tot de overige betalingen van oordeel dat deze onvoldoende gespecificeerd zijn om te kunnen spreken van een betaling van verschuldigde belasting. Het was onvoldoende duidelijk dat deze betalingen zagen op de aanslag IB/PVV 2020. Belanghebbende heeft verzocht om een voorlopige aanslag op basis van loon uit dienstbetrekking waaruit geen verschuldigde betaling volgde, omdat het berekende bedrag binnen de aanslaggrenzen van de Wet inkomstenbelasting 2001 bleef. Hierdoor was er op het moment van betaling geen sprake van een voorlopige aanslag voor belastingjaar 2020 op grond waarvan belasting verschuldigd was. Dat kort voor de betaling wel aangifte is gedaan, maakt dit oordeel niet anders. In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag waar belanghebbende naar verwijst, was onweersproken gesteld dat de betaling zag op het voldoen van de belasting en dat dit bij de overschrijving kenbaar was gemaakt. [5] In de huidige zaak is de gerichtheid van de betaling echter wel in geschil. Het doel van de betaling was niet duidelijk en een deel van de betalingen is daarom teruggeboekt of verrekend met andere aanslagen.
Vergoeding van immateriële schade
17. De rechtbank vat het standpunt van belanghebbende dat de Belastingdienst het dossier te lang heeft laten liggen, op als een verzoek om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [6]
18. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 22 februari 2023. De periode tussen de datum van ontvangst van dat bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) dertien maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 13 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat drie keer een half jaar. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500 (drie maal € 500). De uitspraak op bezwaar dateert van 4 oktober 2024. De bezwaarfase heeft 14 maanden langer dan zes maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om het bedrag van € 1.500 aan belanghebbende te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond en de rentebeschikking moet worden verminderd. Belanghebbende heeft daarnaast recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van deze procedure.
20. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
21. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de belastingrente voor de aanslag IB/PVV 2020;
  • vermindert de belastingrente voor de aanslag IB/PVV 2020 tot een bedrag van € 2.911;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.500 aan belanghebbende;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30fc, derde lid, van de AWR.
2.Vergelijk Rechtbank Den Haag 3 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4980.
3.HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126, r.o. 2.3.2.
4.HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673.
5.Rechtbank Den Haag 3 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4980.