Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrente die de inspecteur in rekening bracht bij de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2020. De inspecteur had de belastingrente berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 29 april 2022, maar belanghebbende stelde dat de aanslag op 29 december 2021 al was voldaan door meerdere betalingen.
De rechtbank stelde vast dat één bedrag van € 50.000 onterecht op de rekening van de Belastingdienst was blijven staan en pas in 2023 werd verrekend met de aanslag IB/PVV 2020. Hierdoor moest de belastingrente worden verminderd tot € 2.911. De overige betalingen waren onvoldoende gespecificeerd en deels teruggeboekt of verrekend met andere aanslagen, waardoor deze niet als betaling voor de aanslag 2020 konden worden aangemerkt.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat belanghebbende recht had op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. De inspecteur werd ook veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze de belastingrente betrof.