ECLI:NL:RBGEL:2026:1875

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 25_2433
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet WIAArt. 3 ZiektewetArt. 7:400 BWArt. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling WIA-dagloon zonder inkomsten uit zorgovereenkomst met familielid bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij haar WIA-dagloon werd vastgesteld zonder de inkomsten uit een zorgovereenkomst met haar vader mee te nemen. Zij stelde dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege een gezagsverhouding, wat het UWV ontkende.

De rechtbank oordeelde dat hoewel eiseres persoonlijk arbeid verrichtte en loon ontving, zij niet aannemelijk had gemaakt dat er een gezagsverhouding bestond tussen haar en haar vader. De zorgovereenkomst ontbrak essentiële afspraken zoals over vakantie, ziekmelding en vervanging, en eiseres kon haar werkzaamheden naar eigen inzicht uitvoeren. De feitelijke invulling van de relatie bevestigde dit.

Daarnaast verwierp de rechtbank het beroep op indirecte discriminatie, omdat eiseres en haar vader de mogelijkheid hadden om een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan, maar dit niet hebben gedaan. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg het griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A. Stoop-Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het dagloon van de aan eiseres toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar dagloon. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de inkomsten van eiseres uit de persoonsgebonden budget-overeenkomst (pgb) die zij had gesloten met haar vader, buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van het dagloon van haar WIA-uitkering. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft met het besluit van 18 december 2024 een uitkering toegekend en het WIA-maandloon vastgesteld op € 1.703,78. Het WIA-maandloon is gebaseerd op het dagloon zoals dat door het UWV is vastgesteld. Met het bestreden besluit van 29 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de vaststelling van het maandloon en het dagloon gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres heeft op 3 juli 2020 een ‘zorgovereenkomst met partner of familielid’ gesloten met haar vader, voor het verlenen van begeleiding en persoonlijke verzorging gedurende gemiddeld 19,16 uur per week. Daarbij hebben partijen de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemachtigd om de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) op het loon van eiseres in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst (opting-in). De vader van eiseres had een pgb vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), waarmee hij de zorg die eiseres aan hem leverde, inkocht.
3.1.
Naast het verlenen van zorg aan haar vader, heeft eiseres ook zorg verleend aan mevrouw [persoon A]. Eiseres heeft met [persoon A] een ‘zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst’ gesloten op 30 december 2020, voor het verlenen van zorg voor gemiddeld zes uur per week. [persoon A] had (ook) een pgb vanuit de Wlz, waarmee zij de zorg die eiseres aan haar leverde, inkocht.
3.2.
Verder is eiseres gemiddeld 13,83 uur per week in dienst geweest als verzorgende bij [naam bedrijf 1] (Werkgever A). Bovendien heeft zij gewerkt bij [naam bedrijf 2] (werkgever B).
3.3.
Eiseres heeft zich per 31 juli 2022 ziekgemeld bij het UWV. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Bij het besluit van 18 december 2024 is aan eiseres met ingang van 31 juli 2024 een WIA-uitkering toegekend, omdat zij 38,38% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA wordt geacht. Voor het berekenen van het maatmaninkomen is (slechts) het loon dat eiseres verdiende uit de werkzaamheden bij werkgever A, werkgever B en mevrouw [persoon A] meegenomen. Het WIA-maandloon van eiseres wordt vastgesteld op € 1.703,68. Uit het dagloonrapport van 26 augustus 2024 dat aan dit besluit ten grondslag ligt, volgt dat het dagloon na indexatie is vastgesteld op € 78,33.
4.1.
Met het bestreden besluit van 29 april 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het inkomen dat eiseres heeft ontvangen voor de pgb-werkzaamheden voor haar vader zijn volgens het UWV terecht niet meegenomen bij de berekening van het WIA-dagloon. Er was geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en haar vader, omdat een gezagsverhouding tussen hen ontbrak. Eiseres kon haar werkzaamheden naar eigen inzicht uitvoeren. Er is in de zorgovereenkomst niets geregeld over essentiële zaken, zoals het opnemen van vakantie en het melden van, en de vervanging tijdens, ziekte. Er zijn ook geen werkafspraken gemaakt. Uit de overeenkomst volgt dat eiseres van maandag tot en met vrijdag werkte van 8:00 uur tot 11:50 uur. Maar eiseres heeft verklaard flexibel inzetbaar te zijn. Uit de hoorzitting blijkt dat eiseres rond etenstijd bij haar vader was. Dit is een totaal andere werktijd dan is opgenomen in de zorgovereenkomst. Bovendien betaalde eiseres geen premies voor de sociale verzekeringen.
Het beroep op verboden indirecte discriminatie kan niet worden gevolgd. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 maart 2023 is niet van toepassing op de situatie van eiseres, omdat er in het geval van die uitspraak geen twijfel bestond over het bestaan van een gezagsverhouding. [1]
Was sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking?
5. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat (wel) sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en haar vader en dus van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Ziektewet (ZW).
5.1.
Niet in geschil is dat eiseres arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA en daarom recht heeft op een WIA-uitkering. In geschil is of de inkomsten die eiseres ontving uit de zorgovereenkomst met haar vader terecht niet bij de berekening van de hoogte van het WIAdagloon zijn betrokken. Bepalend voor het antwoord op deze vraag is of tussen eiseres en haar vader sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. [2] Voor de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet de vraag worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Verder moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van hun rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. [3] Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in de situatie van eiseres voldaan is aan twee elementen voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met de budgethouder: de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid en de verplichting tot het betalen van loon. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar vader.
5.4.
De gezagsverhouding in een arbeidsrelatie zal zich doorgaans uiten door het feit dat de werkgever aanwijzingen en instructies kan geven met betrekking tot het verrichten van het werk en dat de werknemer verplicht is die aanwijzingen en instructies op te volgen. Het maakt niet uit of de werkgever ook daadwerkelijk van zijn instructiebevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het is voldoende dat hij de mogelijkheid heeft om dit te doen. De familierelatie is een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling. [4]
Was sprake van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar vader?
6. De rechtbank hecht er aan om eerst het volgende op te merken.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat eiseres de zorg voor haar vader noodgedwongen heeft vormgegeven zoals zij dat heeft gedaan. Toen de moeder van eiseres kwam te overlijden, werd de (medische) situatie van haar vader slechter. De vader van eiseres had zorg nodig, maar wegens het uitbreken van het coronavirus was de nodige zorg niet beschikbaar. Eiseres heeft daarop haar baan in de zorg opgezegd en heeft de zorg voor haar vader op zich genomen. Daarin heeft zij veel tijd en moeite gestopt. Zij kende op dat moment het verschil tussen de overeenkomst van opdracht en de arbeidsovereenkomst, en de gevolgen die dat zou kunnen hebben, niet goed. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie waarin eiseres verkeerde, kan met dit alles echter geen rekening worden gehouden. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit van het UWV juridisch juist is.
6.1.
Nu eiseres een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering, ligt het in beginsel op haar weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat de inkomsten uit de pgb-werkzaamheden voor haar vader mee moeten worden genomen in de berekening van het WIA-dagloon. Dit brengt mee dat eiseres aannemelijk dient te maken dat er een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen haar en haar vader. [5]
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking de met haar vader gesloten zorgovereenkomst overgelegd. Hiermee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat uit de overeenkomst en de verklaring van eiseres tijdens de hoorzitting blijkt dat eiseres de werkzaamheden naar eigen inzicht kon uitvoeren. Er zijn geen afspraken opgenomen over een aantal essentiële onderwerpen, zoals het opnemen van vakantie en de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Ook is niets overeengekomen over de vergoeding die eiseres ontvangt in geval van vakantie of ziekte. In de overeenkomst zijn weliswaar werktijden vermeld, maar eiseres heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar verteld dat zij flexibel inzetbaar was en dat zij rond etenstijd bij haar vader was. Van andere werkafspraken is ook niet gebleken. Van duidelijke afspraken tussen eiseres en haar vader was dan ook geen sprake.
6.2.
Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke invulling van de tussen haar en haar vader bestaande rechtsverhouding zodanig was dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat haar vader instructies gaf en er controle plaatsvond, maar zij heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens
.Bij brief van 29 december 2025 heeft eiseres de bijlage bij de zorgovereenkomst overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook uit die bijlage niet worden afgeleid dat sprake was van een gezagsverhouding. Veeleer is de inhoud van de bijlage een aanwijzing dat geen sprake was van een gezagsverhouding. Immers wordt daar beschreven dat de vader van eiseres passief is, hij veel leunt op eiseres, gestimuleerd moet worden tot zelfzorg, zijn afspraken moeten worden genoteerd en hij daarin begeleid moet worden.
6.3.
De beroepsgrond van eiseres dat de werkzaamheden die zij heeft verricht voor haar vader niet verschillen van de werkzaamheden die zij verrichtte voor [persoon A] en dat er met [persoon A] ook geen afspraken waren gemaakt over essentiële zaken, maakt het voorgaande niet anders. Voor zover eiseres heeft beoogd om te stellen dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, kan dit standpunt niet worden gevolgd, omdat het UWV de arbeidsrelatie tussen eiseres en [persoon A] niet heeft onderzocht, en dus niet geoordeeld kan worden dat sprake is van gelijke gevallen. Indien eiseres gevolgd zou moeten worden in haar standpunt, dat de werkzaamheden bij [persoon A] hetzelfde waren, zou dat, gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de arbeidsrelatie tussen eiseres en haar vader is overwogen, veeleer tot de conclusie moeten leiden dat ook tussen eiseres en [persoon A] geen arbeidsovereenkomst bestond.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij de gezagsverhouding niet meer kan onderbouwen met een verklaring van haar vader, omdat haar vader inmiddels is overleden. De rechtbank begrijpt dat dit een bewijsprobleem oplevert, maar is van oordeel dat dat voor risico van eiseres moet blijven.
6.4.
De conclusie is dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een gezagsverhouding bestond tussen haar en haar vader en en dat er dus geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de ZW. Het UWV heeft daarom op goede gronden de inkomsten die eiseres ontving uit de zorgovereenkomst met haar vader niet meegenomen in de berekening van de hoogte haar WIAdagloon.
Is er sprake van (in)directe discriminatie?
7. Eiseres heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 30 maart 2023 [6] , ook aangevoerd dat de toepassing van artikel 8, eerste lid van de Wet WIA in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de ZW een (in)directe discriminatie op grond van geslacht inhoudt.
7.1.
Het UWV heeft in het verweerschrift aangevoerd dat het ook voor zorgverleners en zorgbehoevenden die in familierechtelijke verhouding staan, mogelijk is om een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan. Tijdens de zitting heeft het UWV bevestigd dat hij hiermee het standpunt inneemt dat eiseres en haar vader hadden kunnen kiezen voor een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst, en dat de omstandigheid dat de inkomsten van eiseres uit de verzorging van haar vader niet meetellen bij de vaststelling van het dagloon dus een gevolg is van de keuze die gemaakt is, en niet van indirecte discriminatie.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de betreffende bepalingen geen directe discriminatie op grond van geslacht inhouden, aangezien zij zonder onderscheid van toepassing zijn op mannelijke en vrouwelijke pgb-zorgverleners. [7]
7.3.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van indirecte discriminatie, is de rechtbank van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat eiseres met haar vader een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst had kunnen aangaan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
7.4.
Zoals onder 5.2 is overwogen moet voor de toetsing of een rechtsverhouding voldoet aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst de vraag worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen die partijen bij het aangaan van hun rechtshouding voor ogen stonden in aanmerking worden genomen, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
7.5.
Hoewel eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar vader via de website van de SVB slechts gebruik konden maken van de ‘Zorgovereenkomst met partner of familielid’ en niet van de ‘Zorgovereenkomst Arbeidsovereenkomst’, stond het eiseres en haar vader naar het oordeel van de rechtbank vrij om in de ‘Zorgovereenkomst met partner of familielid’ afspraken te maken over de invulling van de werkzaamheden, werktijden en vakantiedagen, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Voor de vraag of een gesloten overeenkomst gekwalificeerd moet worden als een overeenkomst van opdracht [8] of een arbeidsovereenkomst [9] , is de benaming van de overeenkomst niet bepalend. In beide modelovereenkomsten van de SVB is de mogelijkheid opgenomen om de salarisadministratie door de SVB te laten doen (opting-in), wat onder meer inhoudt dat de SVB de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw op het loon inhoudt. In de ‘Zorgovereenkomst met partner of familielid’ kunnen onder punt 7. aanvullende afspraken worden opgenomen, dus ook aanvullende afspraken die nodig zijn om te overeenkomst aan te kunnen merken als arbeidsovereenkomst. Ook is het mogelijk om aanvullende afspraken op andere wijze vast te leggen, bijvoorbeeld in een bijlage bij de overeenkomst of in correspondentie.
7.6.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het voor eiseres en haar vader niet mogelijk was om daarnaast de tussen hen bestaande rechtsverhouding op die manier in te vullen en uit te voeren, dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De vader van eiseres, of een door hem in te schakelen derde, had bijvoorbeeld instructies kunnen geven aan eiseres over hoe de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd, en de vader van eiseres of de derde had achteraf de werkzaamheden van eiseres kunnen controleren.
7.7.
Resumerend is de rechtbank van oordeel dat eiseres met haar vader een arbeidsovereenkomst had kunnen aangaan. Het feit dat eiseres dat niet gedaan heeft, maar een overeenkomst is aangegaan die moet worden aangemerkt als overeenkomst van opdracht, moet worden beschouwd als een keuze van eiseres. Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld, dat daarom het buiten beschouwing laten van de inkomsten uit die overeenkomst bij de berekening van het WIA-dagloon een gevolg is van een keuze en niet van indirecte discriminatie.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de CRvB van 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:481.
2.Bijvoorbeeld de uitspraken van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785 en 15 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:479.
3.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926, en van 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1305.
5.Zie in gelijke zin de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2020 ECLI:NL:CRVB:2020:156.
6.Zie noot 1.
7.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 februari 2022, C-389/20, ECLI:EU:C:2022:120 (TGSS), r.o. 39; art. 4, eerste lid, richtlijn 79/7/EEG.
8.Art. 7:400 BW Pro.
9.Art. 7:610 BW Pro.