Eiseres diende op 3 mei 2024 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen op 30 september 2024 werd afgewezen. Na bezwaar bleef het college bij deze afwijzing. Eiseres stelde dat zij voldoende informatie had verstrekt over haar financiële situatie, maar de rechtbank oordeelde dat zij onvoldoende inzicht had gegeven in haar bankrekeningen en geldstromen.
De rechtbank stelde vast dat eiseres meerdere bankrekeningen niet had opgegeven en niet alle gevraagde bankafschriften en opheffingsbewijzen had overgelegd. Daarnaast gaf zij geen concrete en verifieerbare verklaringen over grote stortingen en het gebruik van haar woning voor prostitutie. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen.
Eiseres voerde aan dat het college willekeurig had gehandeld omdat zij later alsnog bijstand kreeg toegekend, maar de rechtbank wees dit af omdat het om een andere beoordelingsperiode ging en er sindsdien veranderingen waren opgetreden, zoals de benoeming van een bewindvoerder en het feitelijk uitzetten uit haar woning.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Schuurman-Kleijberg op 4 maart 2026.