ECLI:NL:RBGEL:2026:1608

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25_589
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 4:2 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingen- en medewerkingsverplichting

Eiseres diende op 3 mei 2024 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen op 30 september 2024 werd afgewezen. Na bezwaar bleef het college bij deze afwijzing. Eiseres stelde dat zij voldoende informatie had verstrekt over haar financiële situatie, maar de rechtbank oordeelde dat zij onvoldoende inzicht had gegeven in haar bankrekeningen en geldstromen.

De rechtbank stelde vast dat eiseres meerdere bankrekeningen niet had opgegeven en niet alle gevraagde bankafschriften en opheffingsbewijzen had overgelegd. Daarnaast gaf zij geen concrete en verifieerbare verklaringen over grote stortingen en het gebruik van haar woning voor prostitutie. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen.

Eiseres voerde aan dat het college willekeurig had gehandeld omdat zij later alsnog bijstand kreeg toegekend, maar de rechtbank wees dit af omdat het om een andere beoordelingsperiode ging en er sindsdien veranderingen waren opgetreden, zoals de benoeming van een bewindvoerder en het feitelijk uitzetten uit haar woning.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Schuurman-Kleijberg op 4 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende verstrekking van financiële gegevens.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, het college

(gemachtigde: mr. D.T.P.J. Damen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat – voor zover van belang in dit geding – over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag voor bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres voor bijstand op grond van de Pw terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 3 mei 2024 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Pw. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 30 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A], paralegal en waarnemer van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Opmerking vooraf
3. In de beroepsgronden heeft de gemachtigde van eiseres ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar enkele uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), door vermelding van een ECLI-nummer. De rechtbank heeft deze aangehaalde uitspraken kunnen vinden op www.rechtspraak.nl. Enkele van deze uitspraken bleken echter te gaan over niet relevante onderwerpen. De rechtbank heeft dit al eerder geconstateerd in een andere zaak van de gemachtigde van eiseres. [1] De waarnemer van de gemachtigde van eiseres kon hierover tijdens de zitting geen uitleg geven.
3.1.
De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de gemachtigde van eiseres (opnieuw) gebruik heeft gemaakt van ChatGPT of een andere AI-tool bij het opstellen van zijn beroepsgronden. Ondanks dat de gemachtigde van eiseres met de eerdere uitspraak van de rechtbank hierop is gewezen, heeft hij er niet voor gekozen zijn brief met beroepsgronden in te trekken en te vervangen door beroepsgronden met verwijzing naar relevante rechtspraak, of de niet relevante uitspraken uit zijn beroepsgronden te laten verwijderen. Wat daar ook van zij, nu voor sommige van de aangehaalde uitspraken de relevantie onduidelijk is, zal de rechtbank het beroep op deze (vermeende) rechtspraak passeren.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres heeft op 3 mei 2024 een aanvraag gedaan om bijstand. Een medewerker van de gemeente heeft de aanvraag onderzocht en stukken opgevraagd, waaronder transactieoverzichten. Omdat verschillende gegevens ontbraken, is eiseres meerdere keren verzocht om de ontbrekende gegevens te overleggen. Uit de wel overgelegde transactieoverzichten blijken veel bijschrijvingen van derden. Verder blijkt uit ontvangen gegevens van de Belastingdienst dat eiseres meer bankrekeningen op haar naam heeft staan dan die zij bij de aanvraag had opgegeven. Op 13 augustus 2024 vond een gesprek plaats met eiseres. Tijdens dit gesprek heeft eiseres onder meer verklaard dat zij maandelijks zo’n € 1.200 aan drugs gebruikt. Over de bijschrijvingen van derden op haar rekening geeft eiseres aan sommige namen niet te kennen. Over de niet opgegeven bankrekeningen verklaart eiseres dat zij enkel die van de laatste drie maanden heeft opgegeven en dat de andere rekeningen zijn opgeheven. Op 13 en 27 augustus 2024 heeft het college bij brief verzocht om alle opheffingsbewijzen dan wel bankafschriften en transactieoverzichten van alle rekeningen die op naam van eiseres staan over de periode van 1 mei 2024 tot en met 1 augustus 2024. Eiseres heeft een gedeelte van deze gegevens aangeleverd. Op 12 september 2024 heeft het college eiseres opnieuw verzocht om de nog ontbrekende gegevens aan te leveren. Omdat de wel overgelegde transactieoverzichten nieuwe vragen opriepen, is eiseres ook gevraagd naar een verklaring over de herkomst en de bestemming van een bedrag van € 13.000 op 11 juni 2024 en een verklaring over een contante storting op 15 juli 2024 van € 700. Ook is verzocht om een transactieoverzicht inclusief huidig saldo van de kansspel- en gameaccounts. Eiseres heeft een gedeelte van deze gegevens en verklaringen overgelegd. Nadere stukken of verklaringen zijn, ook na telefoongesprekken, niet meer gevolgd. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in rapporten van 27 september 2024 en van 7 oktober 2024.
4.1.
Het college heeft naar aanleiding hiervan met het besluit van 30 september 2024 de aanvraag om bijstand afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar met het bestreden besluit van 23 december 2024 ongegrond verklaard.
Omvang van het geding
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres op de zitting de beroepsgronden over een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en het beroep op (een belangenafweging op grond van) zeer dringende redenen heeft laten vallen. De rechtbank zal deze daarom niet bespreken.
Heeft het college de aanvraag van eiseres om bijstand terecht afgewezen?
6. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit de verklaring(en) van eiseres en de bankafschriften blijkt van meerdere geldstromen waarover eiseres, in strijd met haar inlichtingenverplichting, onvoldoende concrete en verifieerbare inlichtingen heeft verstrekt. Tijdens de zitting heeft het college verduidelijkt dat de schending van de inlichtingenverplichting in het bestreden besluit aanvullend ten grondslag is gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand. Het college had eiseres in het besluit van 30 september 2024 namelijk al schending van de medewerkingsverplichting tegengeworpen, omdat zij niet alle gegevens volledig had aangeleverd. Door de schending van zowel de inlichtingen- als medewerkingsverplichting kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Zo heeft eiseres verklaard dat zij per maand € 1.200 aan drugs gebruikt en dat zij deze drugs kreeg in ruil voor diensten. Dit betekent dat eiseres over drugs heeft beschikt in ruil voor diensten, die op geld waardeerbaar zijn geweest. Eiseres heeft de concrete aard of omvang echter niet gespecifieerd. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende inzicht gegeven in de geldstromen op haar bankrekeningen die eindigen op 312 en 859. Tijdens de hoorzitting heeft eiseres aangevoerd dat mensen gebruik hebben gemaakt van haar bankrekeningen, zonder dat zij over het geld heeft beschikt en dat daarnaast bedragen aan haar zijn geleend. Eiseres heeft dit echter op geen enkele manier gespecificeerd. Verder blijkt uit de overgelegde transactieoverzichten dat op de bankrekeningen die eindigen op 312 en 859 van 19 juli 2024 tot 9 september 2024 geen activiteit meer te zien is. Er is dan ook geen zicht meer op de inkomsten en uitgaven van eiseres vanaf dat moment. Eiseres heeft ook niet alle bankafschriften dan wel bewijzen van opheffing van alle bankrekeningen overgelegd. Verder heeft eiseres onvoldoende inzicht gegeven in één of meer mogelijke geldstromen met betrekking tot het gebruik van haar woning door prostituees in de te beoordelen periode en heeft eiseres geen concrete en verifieerbare gokadministratie overgelegd.
6.1.
Eiseres stelt dat ze voldoende heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting en dat ze voldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie, leefsituatie en de persoonlijke omstandigheden die tot haar bijstandsaanvraag hebben geleid. Ze heeft namelijk haar bankafschriften verstrekt en daarop een toelichting gegeven. Ook heeft ze verklaard dat ze verslaafd is aan drugs en daarom haar bankpas, bankrekeningen en inloggegevens aan derden heeft verstrekt. Ze kan de banktransacties daarom ook niet verklaren en ze heeft niet kunnen beschikken over de bedragen op deze bankrekeningen. Ook heeft eiseres vanwege haar verslaving haar woning aan derden ter beschikking gesteld. Derden hebben daar misbruik van gemaakt door prostitutie in de woning te laten plaatsvinden.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Bij een aanvraag om bijstand loopt de te beoordelen periode vanaf de datum van de melding tot en met de datum van het (afwijzende) besluit. Dat betekent dat de beoordelingsperiode in dit geval loopt van 3 mei 2024 tot en met 27 september 2024.
6.4.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB. [2]
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie. Zo heeft eiseres bij de aanvraag niet alle bankrekeningen opgegeven die op haar naam stonden. Ook na meerdere verzoeken van het college heeft eiseres niet alle opgevraagde bankafschriften en/of opheffingsbewijzen van deze verschillende bankrekeningen overgelegd. Dit mag het college wel van eiseres verlangen, om zo haar vermogen en inkomen vast te kunnen stellen. Daarnaast heeft eiseres geen volledig inzicht gegeven in de geldstromen die te zien zijn op de transactieoverzichten die zij wel heeft overgelegd. Zo is op deze overzichten een storting van zowel € 13.000 als van € 700 te zien, maar eiseres heeft bij haar aanvraag geen melding gemaakt van deze stortingen. Ook heeft zij geen aannemelijke verklaring gegeven van wie deze stortingen afkomstig zijn. Dat niet van haar verwacht kan worden dat ze inzicht geeft in de geldstromen op haar bankrekeningen, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene, de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In zo’n situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. [3] Eiseres heeft echter op geen enkele manier onderbouwd aan wie en wanneer zij haar rekeningen ter beschikking zou hebben gesteld. Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij, al had zij haar bankrekeningen ter beschikking gesteld aan anderen, niet toch kon beschikken over haar bankrekeningen. Verder heeft eiseres tijdens de hoorzitting ook verklaard dat sommige van de overgemaakte bedragen leningen betreffen. Ze heeft echter op geen enkele manier gespecificeerd welke bedragen dan een lening zouden betreffen en welke bedragen niet aan haar zouden toebehoren. Bovendien heeft eiseres in het bezwaarschrift weer anders verklaard, namelijk dat deze bedragen incidenteel per ongeluk op haar bankrekening zouden zijn overgemaakt.
Verder heeft eiseres onvoldoende inzicht gegeven in de aard en omvang van de diensten die zij heeft geleverd in ruil voor drugs en in de één of meer mogelijke geldstromen met betrekking tot het gebruik van haar woning door prostituees. Ook heeft eiseres geen concrete en verifieerbare gokadministratie overgelegd. Deze feiten en omstandigheden heeft eiseres bovendien niet gemeld bij haar aanvraag.
Het ligt op de weg van eiseres om de gerezen onduidelijk over haar financiële situatie weg te nemen. De door eiseres verstrekte gegevens en inlichtingen over haar financiële situatie zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen of, en zo ja, of eiseres in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.
Willekeur, rechtszekerheid, evenredigheid
7. Verder voert eiseres aan dat het college willekeurig en in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld, omdat haar met het besluit van 14 januari 2025 alsnog bijstand is toegekend per 17 december 2024. De feiten die daaraan ten grondslag liggen zijn dezelfde als de feiten die tot afwijzing van de onderhavige bijstandsaanvraag hebben geleid. Op de zitting heeft eiseres in dat kader gesteld dat dit ook onevenredig is. Bovendien stelt eiseres dat hieruit volgt dat het college blijkbaar van mening is dat zij voldoende duidelijkheid heeft verstrekt over haar financiële situatie en dat op grond daarvan het recht op bijstand kan worden vastgesteld.
7.1.
Dat het college eiseres per 17 december 2024 wel bijstand heeft verleend, betekent niet dat eiseres daar op een eerder moment ook al recht op had. Het gaat hier namelijk om een andere (beoordelings)periode. Bovendien heeft het college tijdens de zitting
– onweersproken – toegelicht dat wel degelijk sprake is van een andere situatie. Zo is in oktober 2024 een bewindvoerder benoemd, die er voor heeft gezorgd dat eiseres geen bankrekeningen meer op haar naam heeft staan. Ook is eiseres per 17 december 2024 feitelijk uit haar woning gezet, waardoor zij geen inkomsten meer kon ontvangen voor het ter beschikking stellen van haar woning voor prostitutie. Dat sprake zou zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel of enig ander rechtsbeginsel, volgt de rechtbank daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 6 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9423.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:409.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3003.