ECLI:NL:RBGEL:2026:1605

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ARN 24_1122
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 6:22 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:12 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid ondanks toegenomen beperkingen

Eiseres heeft zich op 7 februari 2023 ziekgemeld en verzocht om ziekengeld, maar het UWV wees deze aanvraag af omdat zij volgens medisch onderzoek geschikt was voor de functies die eerder bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) waren vastgesteld.

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiseres tegen deze afwijzing. Uit het medisch onderzoek bleek dat haar klachten, waaronder spanningshoofdpijn, migraine en spataderen, niet waren toegenomen in die mate dat zij niet meer geschikt zou zijn voor de geduide functies. Wel werden aanvullende beperkingen vastgesteld, zoals een maximale staanduur van 30 minuten, maar deze passen binnen de belastbaarheid van de functies.

Eiseres stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat een arbeidsdeskundig onderzoek had moeten plaatsvinden, maar de rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat een arbeidsdeskundig onderzoek niet verplicht was omdat geen arbeidskundige beroepsgronden waren aangevoerd.

Hoewel het UWV in beroep aanvullende beperkingen aannam en dit pas in die fase motiveerde, leidde dit niet tot benadeling van eiseres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees de ziekengeldaanvraag af, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de ziekengeldaanvraag omdat eiseres geschikt is voor de geduide functies ondanks toegenomen beperkingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1122

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. O. Yazici).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het UWV van de aanvraag van eiseres om toekenning van ziekengeld per 7 februari 2023. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft zich op 7 februari 2023 ziekgemeld vanuit een situatie van werkloosheid, terwijl de termijn voor het instellen van beroep tegen een eerdere beëindiging van het ziekengeld na de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) nog liep. Het UWV heeft de aanvraag van eiseres om ziekengeld per 7 februari 2023 met het besluit van 4 mei 2023 afgewezen, omdat de verzekeringsarts van het UWV vond dat eiseres per de datum van de ziekmelding arbeidsgeschikt was voor de – in het kader van de EZWb – geduide functies. Met het bestreden besluit van 29 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV op basis van het rapport van de (verzekerings)artsen bezwaar en beroep (b&b) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend rapport van de (verzekerings)artsen b&b van 30 april 2024.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft van 29 augustus 2016 tot 20 januari 2020 gewerkt als schoonmaakster voor [naam bedrijf] gedurende gemiddeld 8,71 uur per week. Aansluitend is aan haar een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Met ingang van 16 juni 2020 heeft zij zich vanuit deze uitkeringssituatie voor het eerst ziekgemeld. Nadat de WW-uitkering gedurende dertien weken was doorbetaald, is met ingang van 15 september 2020 aan eiseres ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. [1] Na 52 weken van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid heeft het UWV een EZWb verricht. Vastgesteld werd dat eiseres meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat ze ziek werd. [2] Op grond daarvan is haar ziekengeld beëindigd per 10 januari 2022. [3] Bij besluit op bezwaar van 17 januari 2023 is het UWV bij de beëindiging van het ziekengeld per 10 januari 2022 gebleven. [4] Eiseres heeft op 27 februari 2023 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 17 januari 2023. Bij uitspraak van deze rechtbank van 7 december 2023 [5] is het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 november 2025 [6] heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden [7] bevestigd.
3.1.
Op 7 februari 2023 heeft eiseres zich opnieuw ziekgemeld.
3.2.
Bij besluit van 4 mei 2023 heeft het UWV de aanvraag van eiseres om ziekengeld per 7 februari 2023 afgewezen. De beslissing is tijdens het spreekuur aan eiseres meegegeven. Tijdens de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts in het rapport van 3 juli 2023 het besluit van een medische onderbouwing voorzien.
3.2.1.
De verzekeringsarts heeft eiseres op 4 mei 2023 op het spreekuur gezien. Tijdens het spreekuur is gebleken dat eiseres zich ziek heeft gemeld op aanraden van haar advocaat. Er zijn geen nieuwe medische feiten per datum ziekmelding of sinds de laatste beoordeling bij bezwaar en beroep, dat wil zeggen er is geen wijziging van medicatie of behandeling ingezet. Gelet daarop, heeft de verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek niet van toegevoegde waarde geacht. Eiseres is wel psychisch onderzocht door de verzekeringsarts.
Eiseres heeft nog veel hoofdpijnklachten. Deze belemmeren haar in het dagelijkse bestaan. Tevens maakt ze zich zorgen over de verkleuringen op haar benen. Volgens de huisarts heeft eiseres spataderen die niet hoeven te worden behandeld. Eiseres claimt verder hyperventilatie vanwege stress en spanningen. Gedurende het spreekuur is eiseres vriendelijk en beleefd en zijn er geen uitingen van hyperventilatie.
De verzekeringsarts heeft in het rapport geconcludeerd dat eiseres ziek is gemeld met langer bestaande klachten, zonder dat er een toename van deze klachten valt waar te nemen. De klachten leiden dan ook niet tot toegenomen beperkingen ten opzichte van de laatst gemaakte functionele mogelijkheden lijst (FML) van 8 december 2022. Eiseres is in staat om de functies uit te voeren die, met inachtneming van de beperkingen vermeld in de FML van 8 december 2022, zijn geduid: productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC 111171), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC: 111010) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC: 111180). Eiseres wordt niet geaccepteerd per datum ziekmelding.
3.3.
In het bestreden besluit van 29 januari 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 mei 2023 ongegrond verklaard en het besluit, dat eiseres per 2 februari 2023 geen recht heeft op ziekengeld, gehandhaafd. Hieraan heeft het UWV het rapport van een arts b&b en een verzekeringsarts b&b van 25 januari 2024 ten grondslag gelegd.
3.3.1.
Deze (verzekerings)artsen b&b hebben dossieronderzoek verricht en eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 24 januari 2024. Zij duiden de hoofdpijnklachten als spanningshoofdpijn, waarvoor eiseres ook fysiotherapie krijgt. Deze klachten spelen al vele jaren en zijn niet toegenomen. Eiseres heeft hiermee ook haar werkzaamheden uitgevoerd.
Ze geeft aan daarnaast ook af en toe een migraine aanval te hebben. Het klachtenpatroon dat eiseres beschrijft is volgens de (verzekerings)artsen b&b passend bij migraine. Eiseres heeft één keer per maand een aanval en deze duurt dan circa 24 tot 36 uur. In deze periode is zij niet in staat te functioneren. De aanvalsfrequentie is echter te weinig om te kunnen spreken van een wisselende belastbaarheid en om beperkingen te duiden.
Daarnaast geeft eiseres aan dat zij last heeft van varices (spataderen). Zij ervaart daardoor pijnklachten bij het lopen en lang staan. Bij spataderen is het advies om veel te bewegen, of kuitoefeningen te verrichten om de kuitspieren te activeren en de kans op nieuwe spataderen te verkleinen, dan wel verergering van de al bestaande varices te voorkomen. Er zal dus op medische gronden geen beperking worden gegeven ten aanzien van het lopen. Lang staan wordt wel afgeraden. Na 30 minuten staan, dient eiseres dit dus af te kunnen wisselen met kortdurend lopen of zitten. Eiseres brengt de dag veel zittend door, er is geen reden om hiervoor een verdergaande beperking te duiden. Wel dient zij de mogelijkheid te hebben om te kunnen vertreden.
Bij eiseres is er tevens sprake van stemmingsklachten, waarvoor zij al langere tijd medicatie gebruikt. In het verleden was er sprake van een depressie. Haar stemming bij het medisch onderzoek kan worden geduid als wat vlak, niet somber. Ze geeft aan verminderde interesse te hebben in sociaal contact, maar geniet wel zichtbaar als ze het over haar kleinkinderen heeft. Eiseres is vanwege deze belemmeringen wel aangewezen op geen stresserende werkzaamheden. Kijkend naar de geduide functies zijn deze volgens de (verzekerings)artsen b&b passend bij de belastbaarheid van eiseres.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat er ten opzichte van de eerdere beoordeling sprake is van toegenomen klachten. Ten onrechte is in de primaire medische rapportage aangegeven, dat zij gezegd zou hebben dat geen sprake was van een wijziging in haar gezondheid.
Ten onrechte is geen recente medische informatie opgevraagd. Opvallend is dat het onderzoek voornamelijk is gestoeld op het onderzoek van de verzekeringsarts b&b van december 2022. De ernst van de klachten van de spataderen wordt volgens eiseres onderschat.
In de heroverweging is geoordeeld dat eiseres slechts 30 minuten achtereen kan staan en dat er een mogelijkheid moet zijn om te vertreden. Eiseres begrijpt niet waarom de (verzekerings)artsen b&b desondanks het primaire medische oordeel volgen.
Dat eiseres geen stresserende werkzaamheden kan verrichten duidt ook op een toename in klachten. Het UWV heeft gehandeld in strijd met de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres is op de datum in geding niet in staat de geduide functies te verrichten.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid.
Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering voor de situatie dat eerder een EZWb heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. Voor een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de CRvB van 23 december 2022. [8]
5.1.1.
Uit deze uitspraak blijkt dat in deze situatie bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet worden voldaan aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.1.2.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan dient te worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies.
Kern van de beoordeling in deze zaak
6. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank in deze zaak aan de hand van de beroepsgronden van eiseres moet beoordelen of het UWV terecht heeft beslist dat eiseres per 7 februari 2023 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij geschikt is voor haar arbeid bestaande uit de eerder bij de EZWb-beoordeling geduide functies. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest (overweging 7) en of de onderzoeksbevindingen de getrokken conclusie kunnen dragen (overweging 8 en verder).
Zorgvuldigheid
7. Volgens eiseres heeft het onderzoek door de (verzekerings)artsen in haar zaak niet op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek verricht door de (verzekerings)artsen in deze procedure. Alle in deze procedure betrokken (verzekerings)artsen hebben dossieronderzoek verricht. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres daarnaast psychisch onderzocht op het spreekuur van 4 mei 2023 en de (verzekerings)artsen b&b hebben eiseres op het spreekuur van 24 januari 2024 zowel psychisch als lichamelijk onderzocht. De betrokken (verzekerings)artsen hebben de klachten in kaart gebracht en vervolgens ook daadwerkelijk in hun beoordeling betrokken. Dat de (verzekerings)artsen aanvullende informatie hadden moeten opvragen bij de behandelaars, zoals eisers stelt, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak mag een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel varen en is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen, waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid. Verder is raadpleging van de behandelend sector aangewezen als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen op de datum in geding. [9] Van deze situaties is in het geval van eiseres geen sprake. Eiseres wordt ten tijde in geding niet behandeld door een arts. Bij de verzekeringsarts heeft eiseres namelijk aangegeven dat ze tegen de hoofdpijnen één maal per veertien dagen een massage heeft, dat medicatie niet helpt en dat ze voor de hoofdpijnen niet meer naar de huisarts gaat of een andere arts. Tegen de spataderen heeft eisers geen behandeling, zo heeft zij aangegeven bij de verzekeringsarts. Tegen hyperventilatie als gevolg van stress en spanningen volgt zij evenmin behandeling. Bij de (verzekerings)artsen b&b heeft eiseres verklaard dat ze fysiotherapie heeft tegen de hoofdpijn, maar dat de fysiotherapeut twee weken eerder is verhuisd en dat ze nog geen nieuwe fysiotherapeut heeft gezocht. Ze gebruikt alleen paracetamol tegen de hoofdpijnen. Met betrekking tot de varices heeft ze geen behandeling. Er zijn alleen leefstijladviezen gegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen daarom geen aanleiding hoeven te zien om (medische) informatie op te vragen. Verder heeft eiseres ook geen begin van bewijs geleverd, bijvoorbeeld aan de hand van het indienen van medische stukken, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de (verzekerings)artsen relevante aspecten van de gezondheidstoestand van eiser per de datum in geding hebben gemist.
De beroepsgrond van eiseres over onzorgvuldigheid van het onderzoek slaagt daarom niet.
Belastbaarheid
8. Eiseres voert verder aan dat haar klachten zijn onderschat en haar beperkingen niet correct zijn vastgesteld. Allereerst blijkt volgens eiseres niet welke beperkingen voortvloeien uit het aangewezen zijn op niet-stresserende werkzaamheden.
8.1.
In het verweerschrift wijst het UWV erop dat de (verzekerings)artsen b&b in het rapport van 25 januari 2024 al hebben overwogen, dat eiseres vanwege de daarbij behorende beperkingen is aangewezen op geen stresserende werkzaamheden. De belastbaarheid in de geduide functies past bij de belastbaarheid van eiseres; het betreft arbeid waarin stresserende werkzaamheden niet voorkomen, omdat het mentaal licht belastende functies zijn (waartoe wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 15 januari 2023 in de EZWb-procedure).
8.1.1.
Tijdens de zitting heeft eiseres meegedeeld dat deze uitleg in het verweerschrift navolgbaar is. Eiseres heeft om die reden deze beroepsgrond tijdens de zitting niet langer gehandhaafd. De rechtbank laat deze grond om die reden verder buiten bespreking.
8.2.
Naar aanleiding van de beroepsgrond van eiseres dat de (verzekerings)artsen b&b de beperking op staan en – naar de rechtbank begrijpt – staan tijdens werk onjuist hebben vastgesteld, heeft het UWV in het verweerschrift de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Het UWV heeft eiseres aanvullend beperkt geacht op het item staan en – zo de rechtbank begrijpt – staan tijdens werk. Het UWV heeft toegelicht dat in bezwaar aanvullende beperkingen ten opzichte van de FML van 8 december 2022 zijn aangenomen. Als gevolg van de spataderen dient eiseres 30 minuten staan af te wisselen met kortdurend lopen of zitten (daar waar in de FML van 8 december 2022 eiseres volgens de norm ongeveer één uur achtereen kon staan en zo nodig gedurende het merendeel van de werkdag kon staan). Omdat sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van spataderen, kan niet worden gesteld dat de medische situatie ongewijzigd is, aldus het UWV in het verweerschrift.
8.2.1.
Nu het UWV deze aanvullende beperkingen op de items staan en staan tijdens werk pas in de fase van beroep heeft aangenomen en heeft voorzien van een deugdelijke motivering, is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek die kleven aan het bestreden besluit. De rechtbank zal deze schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Ook als deze gebreken zich in het bestreden besluit niet zouden hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Daarbij is ook het volgende van belang.
Geschiktheid voor haar arbeid
9. Eiseres stelt dat zij de geduide functies niet kan verrichten, omdat in die functies de toegenomen beperkingen, zoals door verweerder in beroep aangenomen op het item staan en het item staan tijdens werk, worden overschreden. Echter, in het aanvullende rapport van 30 april 2024, dat achter het verweerschrift is gevoegd, vinden de (verzekerings)artsen b&b dat eiseres, ondanks de toegenomen beperkingen, nog steeds geschikt is om de, in het kader van de EZWb, geduide functies te verrichten. Dit, omdat in de belasting van deze geschikt bevonden functies langer dan 30 minuten staan niet voorkomt. De rechtbank ziet geen reden waarom dit standpunt van de (verzekerings)artsen b&b niet kan worden gevolgd. Dat het staan gedurende 30 minuten meerdere keren per dag kan voorkomen, vormt niet een dergelijke reden, aangezien vereist is dat niet langer dan 30 minuten
aaneengeslotenwordt gestaan.
10. Eiseres heeft betoogd dat in een nieuwe FML de toegenomen beperkingen aan de al tijdens de EZWb bestaande beperkingen hadden moeten worden toegevoegd en dat een arbeidsdeskundig onderzoek had moeten plaatsvinden.
10.1.
Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Conform vaste rechtspraak van de CRvB [10] behoeven toegenomen beperkingen bij een ZW-beoordeling niet te worden vastgelegd in een (nieuwe) FML om tot een zorgvuldige beoordeling te kunnen komen. Met de stelling dat (vervolgens) arbeidsdeskundig onderzoek had moeten plaatsvinden, gaat eiseres eraan voorbij, dat in het kader van een ZW-beoordeling de beoordeling van de geschiktheid voor de tijdens de EZWb geduide functies in eerste instantie beperkt kan blijven tot de medische geschiktheid voor die functies. Dit is anders als de beroepsgronden ertoe aanleiding geven om door een arbeidsdeskundige b&b te laten beoordelen en motiveren dat de functies op de datum in geding ook in arbeidskundig opzicht geschikt zijn voor de betrokkene. Het gaat er dan om of betrokkene op de datum in geding voldoet aan de opleidings- of ervaringseisen van de functie, zoals die ten tijde van de EZWb in het CBBS [11] waren opgenomen. [12] Hiervan is in dit geval geen sprake. Eiseres heeft immers enkel een medische grond aangevoerd gericht tegen de geschiktheid van de functies. Zij heeft geen beroepsgronden aangevoerd die het UWV ertoe dwingen een arbeidsdeskundige beoordeling te laten uitvoeren.
11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV eiseres terecht met ingang van 7 februari 2023 in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid, zijnde de drie van de in het kader van de EZWb geduide functies.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV de aanvraag van eiseres om ziekengeld per 7 februari 2023 terecht heeft afgewezen. Het UWV moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden vanwege het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek en het motiveringsgebrek. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) € 1.868, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit toekenning ziekengeld van 4 november 2020.
2.Gebaseerd op het rapport van een arts en een verzekeringsarts van 6 oktober 2021 en het rapport van een arbeidsdeskundige van 6 december 2021.
3.Besluit van 14 december 2021.
4.Gebaseerd op het rapport van een verzekeringsarts b&b van 8 december 2022 en het rapport van een arbeidsdeskundige b&b van 15 januari 2023.
5.Geregistreerd onder zaaknummer ARN 23/1178.
7.Het UWV heeft pas in hoger beroep het besluit op bezwaar van 17 januari 2023 voorzien van een deugdelijke motivering, met de nadere motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functie medewerker tuinbouw.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 9 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3116 en 23 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1404.
10.Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0755.
11.Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.
12.Zie de uitspraak van de CRvB van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658, overweging 4.12.