ECLI:NL:RBGEL:2025:10844

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
ARN 24_4441
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 17 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 130 Wvw 1994Art. 131 Wvw 1994Art. 18 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR was niet bevoegd rijgeschiktheidsonderzoek op te leggen wegens onvoldoende vermoeden rijden onder invloed

Eiser werd op 19 november 2023 aangehouden wegens rijden onder invloed van cannabis. Het CBR legde op 3 april 2024 een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op, omdat een educatieve maatregel niet meer mogelijk was. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 29 mei 2024 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 3 oktober 2025.

De rechtbank oordeelt dat het proces-verbaal onvoldoende aanvullende gegevens bevat om het vermoeden van rijden onder invloed van drugs te rechtvaardigen. De enkele positieve speekseltest en bloedonderzoek zijn onvoldoende zonder andere aanwijzingen zoals afwijkend rijgedrag of uiterlijke kenmerken. De verklaring van eiser over cannabisgebruik twee dagen eerder vormt geen aanvullend kenmerk dat duidt op ongeschiktheid.

Het CBR stelde zich op het standpunt dat een positieve speekseltest op zichzelf voldoende is, gesteund op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank volgt dit niet en wijkt af van deze jurisprudentie. Gelet hierop was het CBR niet bevoegd het onderzoek op te leggen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Het CBR wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en het besluit van het CBR tot oplegging van een rijgeschiktheidsonderzoek wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4441

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. G.W.M. de Leest),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: drs. I. Metaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een onderzoek naar eisers rijgeschiktheid. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het rijgeschiktheidsonderzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR eiser onterecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het CBR heeft met het besluit van 3 april 2024 aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. Met het bestreden besluit van 29 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Van belang zijnde feiten
3. Eiser is op 19 november 2023 aangehouden als bestuurder van een motorrijtuig voor een drugsfeit (onder invloed van Cannabis/THC). Bij besluit van 3 april 2024 is aan eiser een onderzoek naar zijn geschiktheid opgelegd op grond van artikel 23, eerste lid, sub f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling), omdat op grond van de Regeling een educatieve maatregel drugs en verkeer (EMD) niet meer mogelijk was. Er heeft namelijk al eerder onderzoek plaatsgevonden naar eisers geschiktheid in de afgelopen vijf jaar. [1] Daartegen heeft eiser bezwaar ingediend en dit is bij bestreden besluit van 29 mei 2024 ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser zijn rijbewijs is bij besluit van 1 juli 2024 ongeldig verklaard vanaf 8 juli 2024 wegens het niet tijdig betalen van de onderzoekskosten (de uitvoeringskosten). Eiser heeft deze kosten vervolgens alsnog (tardief) betaald en het CBR heeft uit coulance de ongeldigverklaring opgeheven en eiser doorverwezen naar een psychiater voor onderzoek. Het psychiatrisch rapport [2] leverde geen grond op voor een ongeldigverklaring van eisers rijbewijs. Aan eiser is een driedaagse EMD-cursus [3] opgelegd op grond van artikel 17, eerste lid, onder b, van de Regeling. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
Procesbelang
4. Gelet op hetgeen onder 3.1, namelijk dat eiser door een psychiater is onderzocht en dat aan hem een driedaagse EMD-cursus is opgelegd waartegen hij geen bezwaar heeft gemaakt, zou er geen sprake zijn van een herroeping van het besluit tot oplegging van een driedaagse EMD-cursus als het onderhavige beroep zou slagen. De rechtbank neemt echter wel procesbelang aan, omdat eiser heeft gesteld dat zijn belang is gelegen in de kosten in het kader van het bestreden besluit, namelijk de opleggingskosten ten bedrage van € 470 en de uitvoeringskosten ten bedrage van € 954. De rechtbank acht op grond daarvan voldoende procesbelang aanwezig en zal het beroep hierna inhoudelijk behandelen.
Mocht het CBR een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser opleggen?
5. Eiser betoogt dat het CBR niet bevoegd was om hem een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen, omdat er geen sprake is van meerdere aanvullende kenmerken die duiden op een vermoeden van ongeschiktheid. Gezien de gelijktrekking met artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) moet er sprake zijn van een vermoeden van rijden onder invloed van een de rijvaardigheid beïnvloedende stof, waardoor de bestuurder niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Er zijn geen aanvullende gegevens aanwezig in het proces-verbaal, betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van eiser, zijn rijgedrag, dan wel andere omstandigheden welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen. Eiser betoogt dat zijn verklaring over cannabisgebruik twee dagen eerder niet duidt op rijden onder invloed. Het komt erop neer dat een joint na drie tot zes uur is uitgewerkt, ongeacht de bloedwaarden. Zie daarvoor ook de richtlijn Onderzoek naar drugsmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen. Daarom kan eiser niet inzien hoe zijn verklaring dat hij twee dagen geleden twee jointjes heeft gebruikt een aanvullend kenmerk kan vormen die duidt op onvoldoende geschiktheid. Dan blijft er over een speekseltest en een bloedonderzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 23 maart 2022 [4] geoordeeld dat een speekseltest enkel voldoende grondslag vormt voor de verbalisanten om een mededeling op grond van artikel 130 van Pro de Wvw 1994 te doen. Dat betekent niet dat een enkele speekseltest ook voldoende grondslag vormt voor een vermoeden van ongeschiktheid. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 24 april 2024 [5] niet bevestigd dat enkel een speekseltest voldoende grondslag vormt voor het opleggen van een onderzoek. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025 [6] heeft de Afdeling niet geoordeeld dat een speekseltest voldoende grondslag biedt voor de oplegging van een onderzoek en schorsing van de geldigheid van het rijbewijs. In die uitspraak was niet enkel sprake van een positieve speekseltest, maar heeft ook de trillende motoriek van de betrokkene in die zaak meegespeeld. Tot slot verwijst eiser nog naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2025. [7] De rechtbank Midden-Nederland onderschrijft dat voor het opleggen van een maatregel meer nodig is dan de enkele aanwezigheid van drugs in het lichaam en dat de wetgever het wel zou hebben genoemd in de toelichting bij de Regeling als enkel een speekseltest voldoende zou zijn, en dat is niet het geval.
5.1.
Indien bij de politie een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid of lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het rijbewijs, moet zij op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.
Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
Op grond van artikel 23, eerste lid, onder f, van de Regeling besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 indien betrokkene op grond van artikel 18 van Pro de Regeling niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel drugs en verkeer.
5.2.
Het CBR stelt zich op het standpunt dat het wel bevoegd was om eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen, omdat er in artikel 17, eerste lid, onder a, van de Regeling geen waarneming van uiterlijke kenmerken vereist is gelet op het feit dat er sprake is van alternatieve voorwaarden in dit artikel. De Afdeling heeft dit ook bevestigd. [8] Bovendien is in eisers geval sprake van een positieve speekseltest, een bloedonderzoek en eisers verklaring bij verhoor over jointgebruik gedurende de afgelopen 48 uur. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat de speekseltest een zelfstandig gegeven is en niet in samenhang met de bloedtest moet worden gezien. [9] De Afdeling herhaalt dat slechts één aanvullend gegeven, zoals de uitslag van de speekseltest, al voldoende is. [10] Dat maakt dat er voldoende gegevens zijn om het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen, en daarmee het vermoeden van ongeschiktheid, te rechtvaardigen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de beroepsgrond van eiser. Voor zover uit de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025 [11] volgt dat een positieve speekseltest op zichzelf al voldoende is als aanvullend gegeven en kan worden geschaard onder “andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen” als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling volgt de rechtbank dit niet. Uit de toelichting bij de Regeling leidt de rechtbank namelijk af dat voor het aannemen van ongeschiktheid, en daarmee voor het opleggen van de maatregel, de enkele aanwezigheid van drugs in het lichaam onvoldoende is. Naast de speekseltest en het bloedonderzoek, waaruit blijkt dat er drugs in het lichaam aanwezig is, moet er dus (daaraan voorafgaand) een andere omstandigheid (en/of afwijkend (rij)gedrag en/of uiterlijke kenmerken) zijn die maakt (maken) dat er een vermoeden van rijden onder invloed bestaat. De verklaring van eiser over het jointgebruik in de afgelopen 48 uur betreft naar het oordeel van de rechtbank niet zo’n andere omstandigheid. Hieruit blijkt namelijk niet dat eiser kort voor of tijdens het rijden verdovende middelen heeft gebruikt. Het antwoord van eiser laat de mogelijkheid open dat hij meer dan 24 uur voordat hij is aangehouden verdovende middelen heeft gebruikt en in dat geval mocht hij weer rijden. Dit volgt ook uit het proces-verbaal waarin eiser een rijverbod wordt opgelegd voor de duur van 24 uur. Dan blijft er in eisers geval dus over de speekseltest en het bloedonderzoek, en dat is gelet op het voorgaande onvoldoende.
5.4.
De rechtbank wijkt hiermee dus af van de uitspraak van de Afdeling en volgt het CBR dus niet in zijn standpunt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het proces-verbaal in dit geval onvoldoende aanvullende gegevens bevat om het vermoeden van rijden onder invloed van drugs, en daarmee het vermoeden van ongeschiktheid, te rechtvaardigen. Gelet hierop was het CBR daarom niet bevoegd om eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op te leggen.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Dit betekent dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat het gebrek zich niet laat herstellen, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal het bezwaar gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het CBR het griffierecht aan eiser vergoeden.
6.2.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het CBR in de door eiser gemaakte proceskosten. Het CBR wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.814 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1) en € 1.294 in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en wegingsfactor 1). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 mei 2024;
- verklaart het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar gegrond;
- herroept het primaire besluit van 3 april 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het CBR op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het CBR in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Voors, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie artikel 18, sub d, van de Regeling.
2.Eiser is op 17 oktober 2024 door een psychiater onderzocht.
3.Op 19 en 26 februari en 20 maart 2025.
5.ECLI:NL:RVS:2024:1696, r.o. 6.4. en 6.5.
8.Zie een uitspraak van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3212, r.o. 5.3.
9.Zie een uitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1696, r.o. 6.5.
10.Zie een uitspraak van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2638, r.o. 4.4. en 4.5.