Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
[eiseres], in Vianen, belanghebbende
de heffingsambtenaar van het belastingcentrum Tribuut, de heffingsambtenaar,
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
.De rechtbank merkt op dat het coronavirus pas in maart 2020 voor het eerst tot overheidsmaatregelen heeft geleid. In de periode tot 1 januari 2020, de waardepeildatum, was dus nog geen sprake van bijzondere omstandigheden. Of het virus toen in Nederland feitelijk al voorkwam, zoals belanghebbende heeft betoogd, maakt daarvoor geen verschil. In het midden kan blijven of sprake zou kunnen zijn van een specifieke voor de objecten betreffende omstandigheid in de zin van artikel 18, derde lid, onder c, van de Wet waardering onroerende zaken. Er is geen reden om de toestandsdatum voor de objecten te verleggen. Dit betekent dat de toestandsdatum 1 januari 2020 is. De coronacrisis heeft in principe geen invloed op de vaststelling van de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2020. Aan de vraag of het civiele arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 van betekenis is voor de WOZ-waardering komt de rechtbank niet toe.
De waarde van de onroerende zaken
Vergoeding van immateriële schade
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 214;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.286;
- veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat in de proceskosten van belanghebbende, elk tot een bedrag van € 328,13.