Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiseres], uit [woonplaats], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Inleiding
Feiten
- in 2015 een nieuw belang van 50% in [C Ltd] ([C Ltd]) met een transactietotaal van € 66.000;
- in 2015 een uitbreiding van haar belang in [D BV] ([D BV]); het betreft een uitbreiding met 40% naar een belang van 90% met een transactietotaal van € 2.036.482;
- in 2015 de oprichting van [E BV]; het betreft een belang van 70% met een transactiewaarde van nihil;
- in 2016 een uitbreiding van haar belang in [F BV] ([F BV]); het betreft een uitbreiding met 50% naar een belang van 100% met een transactietotaal van € 5.000.000.
Beoordeling door de rechtbank
- Is voor de toepassing van de BOR op het moment van het overlijden voldaan aan de bezitseis van een jaar voor wat betreft de uitbreidingen van het aandelenbelang in de deelnemingen van [B BV] in [D BV] en [F BV]?
- Behoren ook de bij de holding aanwezige effecten en liquide middelen van € 42.708.687 voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling tot het ondernemingsvermogen in de zin van artikel 35c, eerste lid, onder c, van de Successiewet 1956 (SW)?
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een bedrag berekend naar een belastbaar bedrag van € 672.364;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.037,06;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 vergoedt.