Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 augustus 2019
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“dat aan de artikelen 19 en 21 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 de gedachte ten
grondslag ligt, dat de aandeelhouder met een aanmerkelijk belang, die zijn aandelen
vervreemdt tegen een hogeren prijs dan dien, waarvoor hij deze had verworven, zijn aandeel
in de winst van de vennootschap, voorzover deze geacht kan worden te zijn verworven
gedurende den tijd, waarin de vervreemder het aanmerkelijk belang bezat, realiseert en aldus
een door den besluitgever als bedrijfswinst gequalificeerde opbrengst geniet;
overdrachtsprijs en de kosten van de verkrijging, geen regeling heeft gegeven voor het geval,
waarin de verkrijger de aandelen om niet ontving en aan de verkrijging dus geen kosten
waren verbonden, althans geen kosten, welke voor de waarde van het aandeel ten tijde van de
verkrijging de aanwijzing geven, welke de wetgever zich daarvan blijkbaar heeft voorgesteld;
liggende gedachte in zulk een geval meebrengt, dat de "kosten van de verkrijging" worden
gesteld op de geschatte waarde van de aandelen tijdens de verkrijging;
niet strookt die kosten ingeval van verkrijging als erfgenaam te verhogen met het door den
erfgenaam ter zake van de verkrijging betaalde successierecht;”
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;