Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
grondslag ligt, dat de aandeelhouder met een aanmerkelijk belang, die zijn aandelen
vervreemdt tegen een hogeren prijs dan dien, waarvoor hij deze had verworven, zijn aandeel
in de winst van de vennootschap, voorover deze geacht kan worden te zijn verworven
gedurende den tijd, waarin de vervreemder het aanmerkelijk belang bezat, realiseert en aldus
een door den besluitgever als bedrijfswinst gequalificeerde opbrengst geniet;
overdrachtsprijs en de kosten van de verkrijging, geen regeling heeft gegeven voor het geval,
waarin de verkrijger de aandelen om niet ontving en aan de verkrijging dus geen kosten
waren verbonden, althans geen kosten, welke voor de waarde van het aandeel ten tijde van de
verkrijging de aanwijzing geven, welke de wetgever zich daarvan blijkbaar heeft voorgesteld;
liggende gedachte in zulk een geval meebrengt, dat de "kosten van de verkrijging" worden
gesteld op de geschatte waarde van de aandelen tijdens de verkrijging;
niet strookt die kosten ingeval van verkrijging als erfgenaam te verhogen met het door den
erfgenaam ter zake van de verkrijging betaalde successierecht;”
3.Het geding in cassatie
nihil(…).’ [11]
wegens vermeerdering van het draagvermogenvormt. [39] Voor het schenkingsrecht geldt hetzelfde, maar blijkens de wetsgeschiedenis is er tevens een tweede, zwaarwegend motief, te weten dat die heffing nodig is om ontwijking van het successierecht te verhinderen. [40] Kooiman toont gedocumenteerd aan dat het ‘buitenkansbeginsel’ in de lange wetshistorie van de heffing geen rol heeft gespeeld, behoudens een vermelding in 2008. [41] Hij haalt instemmend Van Vijfeijken aan die constateert dat de heffing zich in de loop der tijd ontwikkelde van een heffing over de door de erflater vergaarde draagkracht naar een wegens de draagkrachtvermeerdering van de verkrijger. [42] Verstraaten [43] en Sonneveldt [44] zijn van mening dat de heffing geheel of in hoofdzaak steunt op het draagkrachtbeginsel. Wel wijzen de meeste genoemde auteurs erop dat ook andere elementen een rol spelen, zoals hieruit blijkt dat het tarief geen rekening houdt met het vermogen van de verkrijger vóór de verkrijging, en dat het mede wordt bepaald door de relatie van de verkrijger met de erflater dan wel de schenker.
van de aandelenmaar op de
verkrijging om nietdoor de belastingplichtige. De heffing is met andere woorden niet betrokken op het object van de schenking maar op de persoon die wordt bevoordeeld.