Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof aldaar van 13 November 1958, betreffende den aan hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1955;
Hoge Raad
Belanghebbende werd voor het jaar 1955 aangeslagen in de inkomstenbelasting naar een inkomen van f. 137.407,--, welke aanslag na bezwaar werd herzien naar f. 135.007,--. De echtgenote van belanghebbende had in 1955 aandelenpakketten van twee naamloze vennootschappen, elk met een aanmerkelijk belang, verkocht die zij van haar vader had geërfd. De Inspecteur berekende de winst uit deze vervreemding waarbij de successiekoers als verkrijgingsprijs werd gehanteerd, zonder de betaalde successierechten als kosten van verkrijging mee te nemen.
Belanghebbende stelde dat de betaalde successierechten als kosten van verkrijging moesten worden beschouwd, wat zou leiden tot een verlies op de verkoop van het ene pakket en een lagere winst op het andere, en dat deze verliezen en winsten met elkaar verrekend moesten worden. Het hof oordeelde echter dat de successierechten niet tot de kosten van verkrijging konden worden gerekend, omdat dit niet strookte met een rationele wetsinterpretatie en zou leiden tot een onjuiste belastingheffing.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de wetgever bij de bepaling van de kosten van verkrijging uitgaat van de waarde van de aandelen ten tijde van de verkrijging en niet van de werkelijk betaalde successierechten. Hierdoor faalt het cassatiemiddel dat stelde dat de successierechten wel als kosten van verkrijging moesten worden gezien.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het betaalde successierecht niet tot de kosten van verkrijging van aandelen behoort en wijst het cassatieberoep af.