Eiser, een Wajong-uitkeringsgerechtigde met ADHD en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, kreeg een boete opgelegd wegens het niet melden van werkzaamheden en inkomsten. Verweerder legde aanvankelijk een boete van €5.800,- op, gebaseerd op recidive en een verhoogd benadelingsbedrag. Tijdens de procedure gaf verweerder aan dat de boete te hoog was vanwege het niet toepassen van de maximale boetelimiet volgens artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank oordeelde dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden en dat de boete terecht was opgelegd. Medische omstandigheden van eiser werden beoordeeld door een verzekeringsarts, die concludeerde dat ondanks psychische beperkingen, eiser in staat was zijn verplichtingen na te komen. Er was geen medische informatie die verminderde verwijtbaarheid ondersteunde.
De rechtbank stelde vast dat de boete conform de wettelijke maxima moest worden aangepast tot €5.466,67. Daarnaast werd geoordeeld dat geen dringende reden bestond om af te zien van boeteoplegging, ondanks de reële kans op herhaling. De rechtbank kon geen oordeel vellen over de draagkracht van eiser wegens gebrek aan financiële informatie.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en de boete vastgesteld op €5.466,67. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.