3.6.Voor zover de toelichting van middel 8 betoogt dat het Hof ten onrechte geen belang heeft toegekend aan de mogelijkheid dat indien rente verschuldigd zou zijn geweest zo goed als zeker is dat deze nooit zal worden betaald, slaagt het middel. Het Hof heeft het hiervoor in 3.5 overwogene miskend.”
25. Inzake de fiscale behandeling van een onzakelijke lening bij terbeschikkingstelling is in HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952, BNB 2012/78, voor zover van belang, het volgende overwogen: “3.5. Opmerking verdient nog het volgende. Indien de door een aanmerkelijkbelanghouder (hierna: ab-houder) aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft verstrekte geldlening onzakelijk is als bedoeld in onderdeel 3.3 van het heden uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 08/05323, LJN BN3442, en de aanvaarding door de ab-houder van het debiteurenrisico berustte op aandeelhoudersmotieven, zal een kwijtschelding van de geldlening als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is. Immers, het verlies dat de ab-houder bij de kwijtschelding lijdt, vloeit dan voort uit het door hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaarde debiteurenrisico. Ook voor de debiteur zal in een zodanig geval de kwijtschelding als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt. De verkrijgingsprijs in de zin van artikel 4.21 Wet IB 2001 van het aanmerkelijk belang van de ab-houder zal met het bedrag van de als informele kapitaalstorting aan te merken kwijtschelding worden verhoogd.”
26. Eisers stellen dat de termijnen van de eerder op de rc-vordering op F BV bijgeschreven rente op 31 december 2018 zijn vervallen en dat de WEV van die rentevordering nihil bedraagt. Onder verwijzing naar de jaarrekeningen van F BV voeren zij daartoe aan dat F BV over een negatief eigen vermogen beschikte; nauwelijks over vrij beschikbare liquide middelen beschikte; en dat de bedrijfsactiviteiten van F BV al jaren geleden zijn gestaakt. Volgens eisers dient de rentevordering te worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer (WEV) voordat de vordering overgaat naar de onbelaste sfeer. In de aangifte is daarom een bedrag van € 3.193 als negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen aangegeven.
27. Verweerder betwist dat de rente op voormelde rc-vordering kan worden afgeschreven. Verweerder stelt dat de door belanghebbende gehanteerde rentepercentages kunnen worden geacht de WEV te vertegenwoordigen, zulks bij gebreke aan inzicht in de rekening-courantovereenkomst die niet is overgelegd. Voor zover een verlies op de rentevordering al aannemelijk zou zijn, luidt verweerders standpunt dat het verlies niet aftrekbaar is om de reden dat sprake is van een onzakelijke lening.
28. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of de WEV van de rentevordering nihil bedraagt op het moment dat de rentetermijnen zijn vervallen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eisers aannemelijk maken dat de WEV van de rentevordering op F BV op het moment dat deze vordering ontstaat, nihil is. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of voor het verschil tussen de WEV en de boekwaarde van die vordering sprake is van negatief resultaat uit ter beschikkingstelling van vermogensbestanddelen.
29. Ten aanzien van F BV vermelden de jaarstukken voor 2018 een negatief eigen vermogen van € 323.133. Dit bedrag is voor een groot deel gefinancierd met schulden, waarvan per ultimo 2018 een bedrag groot € 322.556 wordt gevormd door de rc-schuld aan de erflater als vermeld in de aangifte. De jaarstukken vermelden daarnaast een negatief liquiditeitssaldo / werkkapitaal en een fiscaal verlies. Er is weliswaar een positief bedrag aan liquide middelen van € 1.923, maar dat is niet toereikend om het volledige bedrag aan rente te kunnen voldoen. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat F BV niet over de middelen beschikte om rente op haar rekening-courantschuld aan eisers geheel te voldoen. Aangezien de termijn van de rentevordering, naar eisers onweersproken hebben gesteld, is geëindigd op 31 december 2018, acht de rechtbank met hetgeen partijen daaromtrent hebben gesteld aannemelijk dat de WEV van de rentevordering niet meer dan € 1.923 bedraagt.
30. Vervolgens is aan de orde of, naar eisers hebben gesteld, de verminderde waarde van de rentevordering op F BV, die voortkomt uit een debiteurenrisico, ten laste komt van het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen, dan wel, volgens het standpunt van verweerder, die afwaardering juist vanwege het debiteurenrisico, niet mogelijk is.
31. Uit de hiervoor onder 23 tot en met 25 aangehaalde jurisprudentie leidt de rechtbank af dat ingeval op een onzakelijke lening bijgeschreven rente de rentetermijn is verstreken, de alsdan bestaande rentevordering moet worden gewaardeerd op de WEV. Voor zover die waardering leidt tot een lagere waarde dan de nominaal bijgeschreven rente, komt dat verschil ten laste van het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen op het moment dat de rentevordering overgaat naar de onbelaste sfeer vanwege het op de rentevordering gelopen debiteurenrisico. Voor de rentevordering op F BV heeft dit tot gevolg dat de correctie inzake de rente op de rc-vordering voor een bedrag van € 1.270 (€ 3.193 -/- € 1.923) vervalt.
Boekverlies onroerende zaak 4
32. Verweerder neemt het standpunt in dat de statuten van Stichting A waarvan erflater enig bestuurder is, zo ruim zijn geformuleerd dat deze statuten erflater de bevoegdheid geven om vrijelijk over het vermogen van Stichting A te beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Op grond van het bepaalde in artikel 4:24, eerste lid, Wet IB 2001 kan daarom een vervreemdingsvoordeel volgens verweerder niet in aanmerking worden genomen. Voorts heeft verweerder, eveneens onder verwijzing naar de statuten en naar het bestuur van Stichting A het standpunt ingenomen dat met het overdragen van erflaters aanmerkelijk belang in D BV aan Stichting A sprake is van een afgezonderd particulier vermogen in de zin van artikel 2:14a Wet IB 2001. Om die reden dient het aandelenbelang in D BV ook na de aandelenoverdracht aan Stichting A te worden aangemerkt als een aanmerkelijk belang.
33. Eisers betwisten het standpunt van verweerder met verwijzing naar de bepaling in de statuten dat Stichting A haar vermogen moet aanwenden voor “
het verrichten van wetenschappelijk onderzoek op juridisch, fiscaal en economisch gebied, alsmede op het gebied van accountancy …etc. etc.”Belanghebbende kan het vermogen en middelen van de stichting niet aanwenden ten eigen bate en heeft daarmee zijn belang bij de aandelen in D BV volledig verloren.
34. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat erflater gegeven de statuten van Stichting A, en het feit dat erflater enig bestuurder was van de stichting, zijn belang bij de activiteiten van D BV direct of indirect geheel of nagenoeg geheel heeft behouden als bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, Wet IB 2001. Evenmin volgt de rechtbank de stelling van verweerder dat met het inbrengen van het aandelenbelang in Stichting A er sprake is van een afgezonderd particulier vermogen in de zin van artikel 2:14a Wet IB 2001. De rechtbank overweegt hiertoe dat weliswaar de statuten van de Stichting A ruime mogelijkheden bieden om het vermogen van de stichting aan te wenden zoals erflater dat wenst, maar dat het aanwenden van het vermogen dient te geschieden binnen de duidelijke, niet aan enig persoon van de oprichter, bestuurder of zijn familie gerichte doelstelling van de stichting. Daaraan doet niet af dat krachtens de statuten de doelstelling geheel zelfstandig door de bestuurder kan worden gewijzigd. Gelet op het bepaalde in de artikelen 2:285, derde lid en 2:291, zesde lid BW staat het de bestuurder namelijk niet vrij de doelstelling zo te wijzigen dat zij tot voordeel leidt van de oprichter, bestuurder of zijn familie. Dat de doelstelling in strijd met deze bepalingen toch is aangepast of dat de intentie daartoe bestaat, is gesteld noch gebleken.
Evenmin wordt het anders door de omstandigheid dat erflater een omvangrijke rekening-courant vordering heeft op en onroerende zaken ter beschikking stelt van D BV. Weliswaar is daarop vanwege de overdracht van het aanmerkelijk belang in D BV aan Stichting A niet langer het regime van het resultaat uit overige werkzaamheden van toepassing, maar daardoor ontstaat niet een heffingsvacuüm aangezien in plaats daarvan het regime van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van toepassing is. Met het oog daarop is de rechtbank van oordeel dat de erflater met de overdracht van het aanmerkelijk belang in D BV aan Stichting A niet buiten de grenzen is getreden waarbinnen het een belastingplichtige vrij staat zijn zaken zo in te richten dat hij belasting bespaart.
Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat het overdragen van dit aanmerkelijk belang aan Stichting A een particulier doel dient, zodanig dat daarmee artikel 2.14a Wet IB 2001 van toepassing wordt. De door erflater ondervonden en mogelijk nagestreefde vermindering van de belastingdruk is naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet een particulier doel in de zin van die bepaling.
35. Het door eisers aangegeven boekverlies op onroerende zaak 4 betreft het verschil tussen de boekwaarde (€ 1.061.700) en de WOZ-waarde (€ 700.000) op het moment van de overdracht van de aandelen D BV aan Stichting A. De rechtbank volgt deze berekening. Dat, zoals verweerder stelt, de WOZ-waarde in dit geval lager is dan de WEV is door hem niet onderbouwd.
36. Met inachtneming van het voorgaande dient het belastbare inkomen uit werk en woning als volgt te worden vastgesteld:
Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aanslag
€ 24.486
Correctie rente rc vordering F BV
-/- € 1.270
Correctie boekverlies onroerende zaak 4
-/- € 361.700
Correctie tbs-vrijstelling
€ 43.556
Totale correctie
-/- € 319.414
-/- € 319.414
Belastbaar inkomen uit werk en woning
-/- € 294.928
Overdracht aandelen D BV aan Stichting A
37. Volgens eisers was de waarde van het aanmerkelijk belang in D BV ten tijde van de overdracht nihil. Gegeven de verkrijgingsprijs van dit aanmerkelijk belang € 18.604 heeft erflater het vervreemdingsvoordeel met inachtneming van de overdrachtsprijs van € 1 gesteld op negatief € 18.603.
38. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de erflater ter zake van de overdracht van de aandelen D BV aan Stichting A terecht een vervreemdingsverlies in aanmerking genomen. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de erflater na de overdracht van het aandelenbelang in D BV een aanmerkelijk belang heeft behouden of dat sprake is van een afgezonderd particulier vermogen. Voorts is door verweerder niet betwist dat de waarde van de aandelen D BV ten tijde van de overdracht aan Stichting A nihil bedroeg.
39. Met inachtneming van het voorgaande dient het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te worden vastgesteld op negatief € 18.603.
Waarde onroerende zaken 1, 2 en 3
40. Op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden onroerende zaken voor de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, als bezitting in aanmerking genomen voor de WEV. De WEV is, kort gesteld, de prijs die door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.
41. Verweerder heeft voor de waarde van de onroerende zaken om praktische reden aangesloten bij de vastgestelde WOZ-waarden. Hoewel de WOZ-waarde niet steeds overeen komt met de WEV doordat bij de vaststelling van de WOZ-waarde ficties worden gehanteerd, wil dat nog niet zeggen dat daardoor de WOZ-waarde hoger is dan de WEV. Zo kan dit anders zijn bij een bedrijfsmatig gebruikte onroerend zaak, afhankelijk van de condities waarvoor het aan een derde ter beschikking is gesteld.
42. Eisers stellen dat de WEV van de onroerende zaken 1, 2 en 3 lager is dan de WOZ-waarde. Met het oog op hetgeen hiervoor is overwogen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat het aan eisers is aannemelijk te maken dat de WEV lager is dan de vastgestelde WOZ-waarden.
43. Ter zake van onroerende zaak 1 en 2 zijn door de erflater in de bezwaarfase berekeningen overgelegd op basis van de netto-aanvangsrendementsmethode en de huurwaardekapitalisatiemethode (de NAR- respectievelijk HwK-methode). Uitgaande van die berekeningen komen eisers op een waarde van € 1.143.371 voor onroerende zaak 1 en een waarde van € 795.663 voor onroerende zaak 2.
44. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers de door hen bepleite WEV van onroerende zaken 1 en 2 niet aannemelijk gemaakt. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit de berekeningen en hetgeen eisers hebben aangevoerd kan niet worden opgemaakt waar de verschillende elementen van de NAR -methode, zoals door eiseres zijn gehanteerd, op zijn gebaseerd dan wel hoe deze tot stand zijn gekomen. Bovendien zijn de daarbij gehanteerde huurovereenkomsten niet aan verweerder overgelegd. Dit laatste geldt ook met betrekking tot de huurwaarde-kapitalisatiemethode die kennelijk de berekening vormt voor onroerende zaak 2.
Daarnaar gevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verklaard dat de in de aangifte gehanteerde waarden de waarden zijn waarvoor erflater naar zijn mening de onroerende zaken zou kunnen verkopen. De rechtbank overweegt dat met een dergelijke persoonlijke opvatting de gehanteerde waarde niet aannemelijk is gemaakt.
Eisers hebben daarnaast gewezen op het faillissement van de huurder van onroerende zaak 1 in 2019, maar hebben niet toegelicht hoe dat zijn schaduw achteruit zou werpen en een waardedrukkende factor in het onderhavige jaar zou zijn. Voorts gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van eisers dat er voor het bedrijvencomplex praktisch geen alternatieve aanwendings- en gebruiksmogelijkheden zijn, nu zij deze stelling in het geheel niet hebben onderbouwd.
Dezelfde overwegingen gelden met betrekking tot het faillissement van de huurder van onroerende zaak 2 in 2019, alsmede de stelling van eisers dat de bij het bedrijvencomplex behorende woning al enige tijd leeg staat: daarmee is nog niet gezegd dat de WEV lager zou zijn dan de door de inspecteur gehanteerde WOZ-waarde die betrekking heeft op de onroerende zaak als geheel.
Bij de vorming van haar oordeel heeft de rechtbank voorts in overweging genomen dat eisers weliswaar betogen dat de opstallen vrijwel alleen een sloopwaarde hebben, maar dat deze wel voor € 4.800.000 zijn verzekerd.
45. Ter zake van onroerende zaak 3 stellen eisers primair dat moet worden aangesloten bij de afspraken die zijn vastgelegd in de brief van 9 maart 1999 (zie onder 10). Eisers voeren daartoe aan dat verweerder deze afspraken heeft gevolgd tot (als verklaard op zitting) of tot en met (als vermeld in het beroepschrift) de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 en doen een beroep op het vertrouwensbeginsel. Subsidiair stellen eisers dat onroerende zaak 3 moet worden gewaardeerd op (afgerond) € 2.725.000, waarvan de helft ofwel € 1.362.500 aan de erflater dient te worden toegerekend. Eisers hebben deze waarde berekend door op een totaalwaarde van € 4.711.998 correcties te hanteren voor naamsbekendheid (€ 235.600) en de aanwezigheid van een serre die niet in eigendom van de erfalter was (€ 1.750.000).
46. De rechtbank verwerpt het primaire standpunt van eisers. In de brief van 9 maart 1999 valt niet een afspraak of anderszins een toezegging te lezen die verweerder zou binden voor de jaren na 1999. Zo is in het onderwerp van de brief al een duidelijke begrenzing in de tijd aangegeven met de vermelding ‘compromis IB 1993-1995’. Hoewel deze onderwerpaanduiding doet vermoeden dat het compromis geldt tot en met 1995, is in de tekst van de brief vermeld dat het compromis geldt tot 1999. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de brief van 9 maart 1999 door verweerder geen toezegging is gedaan met betrekking tot de fiscale behandeling van onroerende zaak 3 voor het onderhavige jaar. Dat de in de brief opgenomen afspraak door erflater ten grondslag is gelegd aan zijn aangiften voor de jaren tot dan wel tot en met het jaar 2016 en verweerder die aangiften op dit punt heeft gevolgd, schept zonder bijkomende omstandigheden – die niet zijn gesteld en waarvan de rechtbank ook niet is gebleken – geen rechtens te beschermen vertrouwen.
47. Wat het subsidiaire standpunt betreft, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is voor de waarde van onroerende zaak 3 aangesloten bij de WOZ-waarde voor dat jaar van € 4.650.000. Eisers hebben vrijwel hetzelfde bedrag in hun waardering tot uitgangspunt genomen (€ 4.711.998), waarop zij een tweetal afslagen toepassen. De afslag voor naamsbekendheid volgt de rechtbank niet. De naamsbekendheid heeft vooral betrekking op de onderneming die in de onroerende zaak wordt uitgeoefend, in dit geval een viersterrenhotel met restaurant. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de naamsbekendheid van de onderneming die wordt uitgeoefend in onroerende zaak 3, heeft geleid tot waardevermindering van de onroerende zaak als zodanig.
Ook de afslag voor het niet in eigendom hebben van een serre volgt de rechtbank niet. De serre is weliswaar geplaatst op gemeentegrond, maar staat daar al vele jaren en het is niet aannemelijk dat deze op last van de gemeente verwijderd zal moeten worden.
48. Hetgeen hiervoor onder 45 tot en met 47 is overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de waarde van onroerende zaak 3 niet te hoog heeft vastgesteld.
Beroep op interne compensatie
49. Ter zitting heeft verweerder zijn beroep op interne compensatie ingetrokken voor zover het betrekking heeft op de huurinkomsten van G BV. Voor zover het betrekking heeft op de huurinkomsten van H BV heeft hij het gehandhaafd. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat onroerende zaak 3 geldt als middellijk aan C BV ter beschikking gesteld vermogen in plaats van als bezitting voor de rendementsgrondslag in box 3. Bij uitspraak van heden in de zaak met nummer SGR 24/2844 heeft de rechtbank geoordeeld dat de aandelen in C BV met ingang van 11 december 2017 niet langer deel uitmaken van een aanmerkelijk belang en niet zijn aan te merken als een afgezonderd particulier vermogen. Gelet daarop kan het standpunt van verweerder dat onroerende zaak 3 als TBS-vermogen geldt geen stand houden en kan het beroep op interne compensatie niet slagen. Dit betekent dat de uit de uitspraak op bezwaar volgende vermindering van de grondslag sparen en beleggen (zie onder 20) alsnog moet worden verwerkt tot verlaging van het inkomen uit sparen en beleggen.
De rechtbank stelt de grondslag sparen en beleggen vast op € 7.385.910 -/- € 2.299.000 = € 5.086.910 en berekent het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als volgt:
0,360% van € 47.436 (67% van € 70.800)
€ 170
5,380% van € 47.436 (33% van € 70.800
€ 1.256
0,360% van € 190.512 (21% van € 907.200)
€ 685
5,380% van € 716.688 (79% van € 907.200
€ 38.557
5,380% van € 4.108.910 (100% van € 4.108.910 )
€ 221.059
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
€ 261.727
50. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 moet worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 294.928, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 18.603 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 261.727.
51. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente hebben eisers geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de rentebeschikking te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.
52. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.
53. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding merkt de rechtbank onderhavige zaak en zaak SGR 24/2844 aan als samenhangend nu de rechtbank de zaken nagenoeg gelijktijdig heeft behandeld, in deze zaken door dezelfde perso(o)n(en) rechtsbijstand is verleend en zijn(hun) werkzaamheden in beide zaken nagenoeg identiek zijn geweest. Nu in zaak SGR 24/2844 reeds in een proceskostenvergoeding is voorzien, blijft een proceskostenveroordeling in onderhavige zaak achterwege.